De gemeente in haar omgeving
6.1 Algemeen
Alles hangt met alles samen (zie § 5.1). Missionaire, diaconale en pastorale arbeid van de gemeente en geestelijke vorming werken op elkaar in. Na in het vorige hoofdstuk de gemeenteopbouw in pastoraat, catechese, jeugdwerk, vorming en toerusting, e.d. te hebben besproken, richten we nu de blik op de omgeving waarin zich dit alles afspeelt, en daarmee allereerst op diaconaal werk en missionaire presentie.
Ken je wijk, of je dorp! De omgeving waarin de gemiddelde gemeente in Nederland leeft, verandert snel, en voortdurend. Iedereen weet dat de statistieken voor kerklidmaatschap en kerkgang over de afgelopen decennia een teruggang laten zien. Nederland seculariseerde in een hoog tempo en Nederland werd multicultureel en multireligieus. De welvaart is gegroeid, maar er blijven mensen die niet kunnen meekomen: bijvoorbeeld voedselbanken groeien ook in aantal en omzet. Veel mensen zijn onzeker over de toekomst. Meer dan ooit is er sprake van eenzaamheid.
Vanouds reageert de gemeente daarop in haar diaconale, missionaire en pastorale werk. Diakenen signaleren waar mensen in de knel komen. Kerkenraden vragen zich met nieuw elan af hoe ze ‘kerk in de buurt’ kunnen zijn.
Opvallend is dat de kerkorde consequent ‘van buiten naar binnen denkt’
De kerkorde geeft hier slechts een paar grote lijnen, kaders waarbinnen de gemeenten alle ruimte krijgen om in te spelen op wat de directe omgeving – en de wereldwijde samenleving – van hen vraagt. Opvallend is dat de kerkorde daarbij consequent ‘van buiten naar binnen denkt’. De taken van de gemeente naar de wereld toe gaan voorop. Dat zie je al in de opbouw van art. X van de kerkorde: de missionaire opdracht en de diaconale roeping worden eerst genoemd (lid 1 en 2), en pas daarna de pastorale taak, die overigens – zoals we hierboven al zagen (zie § 5.3) – evenmin beperkt wordt tot de eigen gemeenteleden. Toch dient gewaakt te worden voor elke neiging aspecten van de opdracht van de gemeente tegen elkaar uit te spelen. Eenzijdige modellen van missionair of apostolair gemeente-zijn worden hier niet voorgeschreven: elke situatie is immers weer anders. Juist daarom begint ord. 8 met een artikel over samenhang en eigenheid van de verschillende taken (zie hierover § 5.1).
De missionaire, diaconale en pastorale roeping en de daaruit voortvloeiende taken rusten primair op de gemeente als geheel, waarbij de kerkenraad niettemin een eigen verantwoordelijkheid heeft. Ook de aandacht voor enerzijds de onderlinge samenhang van de taken en anderzijds de eigenheid van elk daarvan afzonderlijk is een zaak van de gemeente; de kerkenraad zorgt voor de feitelijke afstemming en ziet erop toe dat de gemeente in de vervulling van haar taken gericht is op het gemeente-zijn in de wereld. Ook hier is het dus van belang ‘roeping en recht’ van de gemeenteleden enerzijds (art. IV-2) en de leidende rol van de kerkenraad anderzijds (art. IV-3) evenwichtig tot hun recht te laten komen.
De gemeente weet ook van andere kerken in haar omgeving. Hierover gaat het vervolgens in dit hoofdstuk. De kerkenraad moet zorgen voor een adequate structuur en voor de nodige middelen voor het diaconale en missionaire werk, en bij dit alles de oecumenische contacten onderhouden. De lokale oecumene staat hiermee onder het voorteken van de roeping van de gemeente (ord. 8-1-3).
We sluiten dit hoofdstuk af met een paragraaf over de plaats van de gemeente binnen de Protestantse Kerk in Nederland.
6.2 Andere godsdiensten
In ord. 8-1-5 klinkt het besef door dat de gemeente in een multireligieuze context leeft, al zal dat plaatselijk sterk verschillen. De vraag naar de relatie tot mensen van andere godsdiensten is niet meer een zaak die alleen zendingsarbeiders in verre landen bezighoudt: het is ook een vraag voor menige gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland. Bewust wordt hier gezegd dat de gemeente in haar getuigenis en dienst ‘andere godsdiensten’ ontmoet. Het gaat niet alleen om mensen, maar ook om gebruiken, waardesystemen en andere uitingen. Daar gaat de gemeente respectvol mee om, open voor gesprek en voor concrete samenwerking. Men kan hier bijvoorbeeld denken aan een gezamenlijke hulpactie met moslimorganisaties bij een grote ramp in een in meerderheid islamitisch land, maar ook aan meer structurele vormen van gezamenlijke verantwoordelijkheid in het kader van samenlevingsopbouw in een stadswijk.
De tekst maakt volstrekt duidelijk dat in de respectvolle ontmoeting getuigenis en dienst niet overbodig of onmogelijk zijn, integendeel. Maar ze worden wel op een bepaalde wijze gekleurd.
6.3 De missionaire arbeid
Dat klinkt zwaar: in een seculiere samenleving wordt de gemeente aangesproken op haar missionaire kracht. De opdracht die hier ligt voor de gemeente, wordt in ord. 8-2 in enkele grote lijnen uitgetekend, nauw aansluitend bij art. X-1. Vanouds hebben we het dan over zending en evangelisatie. Het gaat om getuigenis én dienst: ook het doen kan immers veelzeggend en daarmee missionair zijn. Het betreft mensen die het Evangelie niet kennen of daarvan vervreemd zijn: hier klinkt het besef van de secularisatie door in de kerkorde. Het doel is dat mensen ‘delen in het heil in Jezus Christus’ (zo art. X-1). Mensen winnen voor het Evangelie en voor de kerk wordt daarmee niet minder belangrijk, maar het accent ligt op het delen in het heil. Dat veronderstelt een gemeente die weet heeft van delen.
Van belang is allereerst een leven van de gemeente en haar leden dat spreekt van het heil
Ord. 8-2-2 houdt de opdracht in eigen omgeving en de wereldomvattende opdracht bijeen. Voor de opdracht in eigen omgeving is (aldus ord. 8-2-3) niet alleen het werk van belang dat gedaan wordt onder verantwoordelijkheid van de ‘organen van bijstand’ – zoals het bestuur van de dienstenorganisatie van de kerk én de evangelisatiecommissie van de gemeente! –, maar ook en allereerst een leven van de gemeente en haar leden dat spreekt van het heil. Voor de wereldomvattende opdracht zal de gemeente veelal gebruikmaken van een eigen orgaan, een zendingscommissie of ZWO-groep, maar opnieuw wordt gewezen op het belang van de samenwerking met de kerk als geheel (ord. 8-2-4).
Bij het missionaire werk kan een kerkenraad veel hebben aan de voorlichting van de dienstenorganisatie van de kerk (ord. 8-1-6) en ook van de Gereformeerde Zendingsbond (GZB) en de IZB. In een samenwerkingsovereenkomst (laatst gewijzigd in 2017) tussen GZB, IZB en HGJB enerzijds en de kerk anderzijds is vastgelegd dat de GZB, IZB en de dienstenorganisatie het werk op elkaar afstemmen en structureel met elkaar overleggen om gezamenlijk de gemeenten zo goed mogelijk van dienst te zijn. De GZB en de IZB zijn daarmee een bijzondere partner waarmee de kerk zich verbonden weet. Als zelfstandige organisaties zijn het geen organen van de kerk, maar zijn zij wel ten nauwste met de kerk verbonden.
Missionair zijn kan op allerlei manieren: juist hier verandert er veel. De generale synode besloot in 2012 ruimte te geven aan nieuwe vormen van kerk-zijn, in de vorm van pioniersplekken. Intussen zijn er meer circa 250, die soms wel maar dikwijls ook niet een directe relatie hebben met de kerkenraad van een gemeente. Een pioniersplek is een nieuwe vorm van kerk-zijn, voor mensen die niet naar een kerk gaan, afgestemd op de context door te luisteren naar wat er speelt, werkend vanuit een gedeeld geloof (om te beginnen binnen een pioniersteam), en gericht op duurzame gemeenschapsvorming op de langere termijn. Pioniersplekken kunnen allerlei vormen hebben. In een café verhalen uit de Bijbel bespreken; een kledingruilwinkel; ouders die samen met hun kinderen zingen en knutselen; een klooster nieuwe stijl; een netwerk van jongeren. Het kan allemaal.
In de kerkorde is hierover (nog) nauwelijks iets te vinden. De generale synode denkt nog na over de wijze waarop deze ontwikkeling kerkordelijk kan worden geborgd. Nu is er alleen het artikel over ‘gemeenten in bijzondere missionaire, diaconale en pastorale omstandigheden’ (ord. 2-6), dat over de vorming van een missionaire gemeente (ord. 2-5-6 t/m 8; zie § 2.7), en dat over de opneming in de kerk van een buitengewone gemeente (zie § 2.6). De generale synode heeft in juni 2019 besloten dat pioniersplekken, als aan nog nader te stellen voorwaarden is voldaan, als buitengewone gemeente in de kerk kunnen worden opgenomen. Daarmee krijgen pioniersplekken voorlopig ruimte om zich te ontwikkelen. Maar als ergens op afzienbare termijn verdere veranderingen in de kerkorde te verwachten zijn, dan is het hier.
6.4 De diaconale arbeid
Maakt de kerkorde zich niet een beetje af van het diaconaat? Aan het aantal woorden dat de kerkorde besteedt aan het diaconaat moet niet het daaraan toegekende belang worden afgemeten. In de praktijk kent het gemeentediaconaat een enorme en boeiende verscheidenheid aan activiteiten: de kerkorde laat daarvoor alleen de belangrijkste kaders zien.
Soms zeggen daden meer dan woorden, al kan het één meestal niet zonder het ander. Wie oplet, ziet dat ord. 8-2 (missionaire arbeid) en ord. 8-3 (diaconale arbeid) parallel zijn opgezet, met dezelfde accenten. De leden 2 en 4, over de opdracht dichtbij en ver weg en over de samenwerking van gemeente en kerk, zijn zelfs bijna gelijkluidend.
Ook hier sluit de daad het woord niet uit
Het verschil ligt natuurlijk vooral in de aard van de arbeid. De kerkorde houdt het logischerwijs bij enkele algemene begrippen: bij diaconale arbeid gaat het, in de woorden van art. X-2, om de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid, die resulteert in delen, helpen en getuigen van de gerechtigheid van God. Ook hier sluit de daad het woord niet uit. Ord. 8-3-1 ziet verschillende kringen: onderling dienstbetoon, bijstand, verzorging en bescherming aan wie dat nodig hebben (ook buiten eigen kring), deelnemen in arbeid ten behoeve van het algemeen maatschappelijk welzijn (bijv. een WMO-beraad), signaleren van knelsituaties in de samenleving en – de wijdste kring – het bevorderen van de zorg voor het behoud van de schepping.
Ord. 8-3-3 zet ook hier het leven van de leden der gemeente voorop: hun onderling dienstbetoon, hun voorbeden en hun dienst van barmhartigheid en gerechtigheid in de wereld zijn bepalend, al gaat het nauwelijks zonder de plaatsvervangende en coördinerende inzet van de diakenen (ord. 3-11). Bij die inzet kunnen ook gemeenteleden als diaconale medewerkers worden betrokken.
6.5 Samenwerking met andere kerkelijke gemeenschappen
Kerk ben je altijd samen met andere kerken. De oecumenische opdracht van de kerk als geheel komt in ord. 14 breed aan de orde. Maar ook oecumene begint aan de basis, in de gemeente. Daarbij zet art. X-4 (en ord. 8-5-1) de oecumenische samenwerking onder het voorteken van de missionaire, diaconale en pastorale roeping van de gemeente: het gaat allereerst om doelgerichte samenwerking op deze terreinen.
De gemeente neemt deel aan de plaatselijke raad van kerken: zo simpel is het
Ord. 8-5-2 verbreedt het beeld. Het gaat om ‘oecumenische arbeid ter plaatse’, die vorm kan krijgen in medewerking aan organisaties waarin plaatselijke kerkelijke gemeenschappen samenwerken. De kerkorde wordt hier nog concreter door te stellen dat de gemeente deelneemt aan de plaatselijke raad van kerken. Zo simpel is het. Zo’n raad zal niet overal te vinden zijn of zelfs maar mogelijk zijn, en zeker niet altijd onder de naam ‘raad van kerken’. Tot het onmogelijke is niemand gehouden, maar kerkordelijk wordt van de gemeenten wel gevraagd zich hiervoor in te zetten.
In ord. 8-5-3 wordt gewezen op een ontwikkeling die voor veel gemeenten van grote betekenis is geweest: de oecumenische samenwerking met gemeenten in andere landen, zoals die vorm gekregen heeft in tal van gemeentecontacten. Voor de val van het IJzeren Gordijn waren er veel gemeentecontacten binnen Europa, nu is dat aantal gedaald maar zijn hier en daar nieuwe contacten ontstaan met gemeenten buiten Europa. Dat de kerkorde er aandacht aan geeft, maakt duidelijk dat het hier moet gaan om meer dan een hobby van een klein groepje gemeenteleden. Als het goed is, krijgen zulke contacten in het beleid – en beleidsplan – van de kerkenraad een plaats.
De indeling in de kerkorde lijkt duidelijk: over plaatselijke oecumene gaat het in ord. 8, en in ord. 14 (zie § 18.12 t/m 18.16) komen de oecumenische relaties van de kerk als geheel aan de orde. Maar op één punt komt ook in ord. 14 de plaatselijke oecumene in beeld. Als de landelijke kerk met een andere kerk ‘bijzondere betrekkingen’ onderhoudt (ord. 14-4), eventueel ook in de vorm van een associatie (ord. 14-5), dan mag dat een stimulans zijn voor de gemeente om de gemeenschap ook plaatselijk te realiseren in een vorm van nauwe samenwerking waarin gezamenlijk verantwoordelijkheid wordt genomen voor (een deel van) het kerkenwerk. Daarvoor dient dan wel een heldere overeenkomst te worden gesloten, en dat kan niet zonder dat de kerkenraad de gemeente erin kent en erover hoort. Ook is de goedkeuring van de classicale vergadering vereist (ord. 14-4-5). Dat geldt des te meer als een gemeente contact heeft met een kerk waarmee de landelijke kerk een associatieovereenkomst is aangegaan (naar ord. 14-5), zoals de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten, de Indonesisch-Nederlandse Christelijke Kerk (Gereja Kristen Indonesia Nederland) of de Presbyterian Church of Ghana. Het is overigens ook goed denkbaar dat groeiende plaatselijke samenwerking met een andere kerk juist de aanzet vormt voor het aangaan van nauwere betrekkingen op landelijk niveau.
6.6 Migrantengemeenten
Migrantengemeenten – christenen afkomstig uit andere culturen die in ons midden zijn komen wonen – kunnen een uitdaging vormen voor de eigen gemeente: je leert in de ontmoeting met andere ogen naar het eigen kerkelijk leven te kijken (vgl. ord. 8-6-1). Men vindt ze intussen in vele plaatsen in Nederland. Daaronder zijn die van de hiervoor genoemde geassocieerde kerken, maar ook allerlei andere gemeenten. Art. X-5 van de kerkorde werd ooit via een amendement in de synodevergadering in de kerkorde opgenomen: ‘Met het oog op de vervulling van haar roeping maakt de gemeente in een relatie van wederkerigheid dankbaar gebruik van inzichten en ervaringen die haar worden aangereikt door gemeenten waarvan de leden uit andere culturen afkomstig zijn.’
Je kunt bijvoorbeeld een kerkgebouw – liefst gratis – ter beschikking stellen
Het is zeker niet eenvoudig om daarmee een volwassen relatie op te bouwen: taal, cultuur en spiritualiteit zullen vaak zo anders zijn, dat veel tijd moet worden geïnvesteerd. Het kan heel belangrijk zijn als de gemeente voor zulke gemeenschappen openstaat, bijvoorbeeld door een kerkgebouw – liefst gratis! – ter beschikking te stellen voor regelmatige kerkdiensten. Maar minstens zo belangrijk is het wanneer een communicatie op gang komt in wederkerigheid: de gemeente kan voor het verstaan van haar eigen missionaire, diaconale en pastorale roeping veel leren van inzichten en ervaringen van deze mensen. Zij kijken met andere ogen naar ons, naar onze manier van kerk-zijn en naar onze samenleving. Daar zal wellicht niet onmiddellijk uiting aan worden gegeven, maar als dat in vertrouwen wel gebeurt, valt er veel te winnen. Ook hier heeft de kerkenraad een eigen rol (ord. 8-6-2,3). Overigens zou hier op enig moment ook de mogelijkheid aan de orde kunnen komen van ord. 14-5-1 – een verdergaande geloofs- en kerkgemeenschap via een associatieovereenkomst met de Protestantse Kerk in Nederland (zie § 18.15) – of van het toetreden tot de Protestantse Kerk in Nederland als buitengewone gemeente (ord. 2-5-2 t/m 4; zie § 2.6).
6.7 De gemeente in de kerk
6.7.1 Algemeen: deelnemen en toezien
Tot de context waarbinnen de gemeente leeft, behoort natuurlijk ook de kerk als geheel. Hoe belangrijk is het voor een plaatselijke gemeente dat zij onderdeel is van de kerk? Voor menigeen is al het bovenplaatselijke in de kerk ver weg. Je leeft immers in de plaatselijke gemeente: daar ga je naar de kerk, doe je mee aan allerlei activiteiten, neem je er medeverantwoordelijkheid voor. Of misschien wel niet: je ervaart of hebt zelfs behoefte aan enige afstand tot die plaatselijke gemeente. Dan is de kerk als geheel nog verder uit beeld.
Toch krijg je als gemeente af en toe met dat bredere verband te maken. De gemeente bestaat als deel van de kerk, en de kerk bestaat in haar gemeenten: zo ziet de kerkorde dat. Een gemeente maakt deel uit van een ring waarin zij andere gemeenten ontmoet (ord. 4-17), en zij is betrokken bij de samenstelling van de classicale vergadering (ord. 4-13-1). Zo neemt zij deel aan het leven van de kerk in haar bredere verbanden. Er is dus een beweging vanuit de gemeente naar de kerk.
Er is ook een omgekeerde beweging: de kerk heeft zorg voor de gemeenten. Daarin ligt vooral een taak voor de classicale vergadering (zie hoofdstuk 17), die ‘erop toeziet dat de gemeenten hun roeping en taak nakomen’ (ord. 4-14-1), waarbij de classispredikant, een nieuwe figuur binnen de kerk, een bijzondere verantwoordelijkheid heeft.
6.7.2 De ring
Een van de belangrijkste veranderingen in de kerkelijke structuur per 1 mei 2018 betreft de instelling van ringen, als gevolg van de reductie van het aantal classicale vergaderingen van 74 tot 11. Elke gemeente maakt deel uit van zo’n ring, samen met een aantal andere gemeenten. Een gemeente met wijkgemeenten is altijd in haar geheel ingedeeld in één ring. Het breed moderamen van de classicale vergadering bepaalt de samenstelling van de ringen, en staat als het goed is open voor verzoeken van kerkenraden om daarin wijzigingen aan te brengen (ord. 4-17-1).
De ring is geen ambtelijke vergadering, zoals de kerkenraad en de classicale vergadering. Zij heeft geen bestuurlijke verantwoordelijkheden, en zelfs geen kerkordelijk voorgeschreven bestuur. Waar het dan wel om gaat, is omschreven in de eerste volzin van ord. 4-17-2: ‘De ring – daarin samenwerkend met de voorzitter van het classicale college voor de visitatie – geeft gestalte aan de verantwoordelijkheid van de gemeenten voor elkaar, onder meer door het stimuleren en zelf voeren van het kerkelijk gesprek en het op andere wijze bevorderen van de saamhorigheid van de gemeenten in het nakomen van hun taak en roeping.’ Zo wordt mee vormgegeven aan de eenheid van de kerk in alle verscheidenheid in traditie en spiritualiteit (vgl. ord. 4-14-1). Gemeenten ontmoeten elkaar in de ring, om van elkaar te leren, elkaar te stimuleren en te bemoedigen, samen te vieren – net wat men wil. Dat kan op allerlei manieren: ambtsdragervergaderingen, maar ook een gezamenlijk opgezette training voor het jeugdwerk, een diaconale uitwisseling of een regionale kerkendag, of … noem het maar op. Kortom, van de kerkenraden wordt een zekere mate van creativiteit gevraagd.
Als het goed is, begint het van onderaf
Maar wie neemt er dan het initiatief? Als iedereen stil blijft zitten, gebeurt er niets. Ord. 4-17-2 wijst allereerst op de rol van de voorzitter van het classicale college voor de visitatie. Die kan een of meer kerkenraden benaderen om iets op gang te brengen. Dit betekent niet dat visitatoren in alle gevallen actief betrokken zijn bij deze ontmoetingen, maar wel dat zij deze ontmoetingen stimuleren, begeleiden, er input voor leveren en dat zij zich verantwoordelijk weten voor de inhoudelijke betekenis van deze ontmoetingen. Deze rol van de visitatie is een variant van de vroegere reguliere visitatie, die nu niet langer in de vorm van een vierjaarlijks bezoek van een tweetal visitatoren wordt gehouden.
Als het goed is, begint het van onderaf. Ook van de werkgemeenschap van predikanten mag worden verwacht dat zij hierin een stimulerende rol speelt: elke ring heeft er immers een (zie ord. 4-18-2). Desgewenst kunnen de kerkenraden in de ring ook samen een wat steviger structuur opzetten door bijvoorbeeld regelmatig vergaderingen van ambtsdragers te houden (ord. 4-17-3). Zulke vergaderingen kunnen ook een rol spelen in het verkiezen van de leden van de classicale vergadering (GR 7-3-1), en in de consideraties over voorgenomen kerkordewijzigingen (zie § 6.7.3).
Het is primair de classicale vergadering die erop toeziet dat de ringen gestalte geven aan de ontmoeting van gemeenten (ord. 4-14-1). Het ligt voor de hand dit punt jaarlijks te agenderen: in beginsel zijn alle ringen immers vertegenwoordigd in de classicale vergadering, zodat een mondelinge uitwisseling over ervaringen en plannen mogelijk is. Zo nodig kan dan in overleg met de voorzitter van het classicale college voor de visitatie een initiatief worden genomen.
Het breed moderamen van de classicale vergadering kan zo nodig ook zelf het initiatief nemen, en een vergadering van ambtsdragers van kerkenraden in een ring bijeenroepen, voor beraad en bezinning op de roeping en koers van de kerk (ord. 4-17-2). Hij doet dit in elk geval als ten minste vijf (wijk)kerkenraden hierom verzoeken.
Er is één ring van bijzondere aard, de Réunion Wallonne (ord. 4-20). De Protestantse Kerk in Nederland kent namelijk al sinds de Reformatie een aantal Franstalige gemeenten, ‘les Eglises Wallonnes’ genaamd. Zij behoren tot de hervormde gemeenten binnen de kerk (ord. 2-4-2). Volgens de jongste telling gaat het om twaalf Waalse gemeenten, waarvan de meeste twee aan twee nauw samenwerken. Deze gemeenten zijn ingedeeld in een classis met de gemeenten in Noord-Brabant en Limburg.
Deze ring kent een vast moderamen, de Commission Wallonne, en heeft – anders dan ‘gewone’ ringen – wel enige bestuurlijke bevoegdheden. Zij wijst een lid aan voor het classicale college voor de behandeling van beheerszaken en voor het classicale college voor de visitatie. Ook kent zij eigen voorzieningen voor de eredienst in de Waalse gemeenten als het gaat om de gebruikte bijbelvertaling, het psalm- en gezangboek en de orden van dienst (ord. 4-20-4). Ten slotte vaardigt de Réunion Wallonne een ambtsdrager af naar de generale synode (ord. 4-24-2). In bepaalde gevallen wijst de Commission Wallonne gedelegeerden aan voor de toelating tot het ambt van predikant (ord. 13-16-4).
6.7.3 De classicale vergadering
Als gemeente heb je vooral met de kerk in haar bredere verbanden te maken door de classicale vergadering. Er zijn allerlei situaties waarin dat concreet kan worden. Hier kan worden volstaan met een aanduiding van de meest voorkomende vormen van contact, onder verwijzing naar waar een en ander in deze Toelichting wordt besproken.
De classicale vergadering – en meer in het bijzonder haar breed moderamen – speelt een rol wanneer de verhoudingen met andere gemeenten in het geding zijn, bijvoorbeeld bij een wijziging van de gemeentegrenzen, of bij het willen samengaan van twee gemeenten in één nieuwe gemeente (zie hoofdstuk 2).
Zij komt ook in beeld wanneer de positie van een predikant aan de orde is, zoals bij het beroepingswerk (zie onder meer hoofdstuk 11).
De classicale vergadering is voorts het adres voor de commentaren van kerkenraden – consideraties genoemd – op door de generale synode voorgenomen wijzigingen in de kerkorde (zie ook § 18.5). Meestal zal het gaan om een wijziging in de ordinanties. De kerkenraden sturen hun bevindingen schriftelijk naar de classicale vergadering, en die geeft op basis daarvan haar ‘consideraties’ (ord. 4-14-1). Considereren is niet hetzelfde als stemmen: het gaat niet simpelweg om voor- of tegenstemmen, maar het gaat erom dat kerkenraden en classicale vergaderingen argumenten naar voren kunnen brengen om de in eerste lezing aanvaarde tekst extra te ondersteunen, die eventueel te veranderen of in het geheel niet te aanvaarden. Hoewel de kerkorde dit niet uitdrukkelijk vermeldt, staat het kerkenraden vrij hierover eerst in ringverband met elkaar te spreken (vgl. ord. 4-17), en hun gezamenlijke bevindingen dan bij de classicale vergadering in te brengen. Bovendien worden de kerkenraden uitgenodigd om een ambtsdrager naar de classicale vergadering te sturen om over de kerkordewijziging – en dan ook alleen over dit agendapunt – met adviserende stem mee te beraden (ord. 4-14-1).
Als laatste mogelijkheid van contact noemen we hier de classispredikant, die minimaal eens in de vier jaar elke gemeente bezoekt (ord. 4-16-3). In zijn of haar functioneren wordt het toezien van de classicale vergadering heel concreet.
De kerkenraad kan ook zelf de classispredikant uitnodigen voor een bezoek
De classispredikant zal dan (of op een ander moment) ook afzonderlijk contact hebben met predikanten en kerkelijk werkers in die gemeente. De kerkorde zegt niet wie het initiatief neemt tot zulke bezoeken. Omdat het hier gaat om een verplichting van de classispredikant, ligt het voor de hand dat deze een komend bezoek aankondigt. Maar dat sluit niet uit dat een kerkenraad ook zelf de classispredikant kan uitnodigen voor een bezoek. Daar kan een goede reden voor zijn, bijvoorbeeld als mensen advies willen met het oog op de toekomst van de gemeente of als er een voorgevoel leeft van mogelijke komende problemen. Welke mogelijkheden, rechten en verplichtingen de classispredikant precies heeft, wordt in § 17.5 nader besproken. Een van de mogelijkheden is dat hij of zij – eventueel, maar niet per se op verzoek van de kerkenraad (ord. 10-5-2) – bij geconstateerde problemen het classicale college voor de visitatie inschakelt.
Over de rol van de classicale vergadering en haar college voor de behandeling van beheerszaken gaat het uitvoerig in hoofdstuk 13.