Menu

None

Ambten, bedieningen en functies

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland

7.1      Het openbare ambt van Woord en Sacrament

In art. IV wordt gesproken over de roeping van de gemeente. Dit wordt wel aangeduid als het ambt van alle gelovigen. In art. V gaat het vervolgens over het openbare ambt van Woord en Sacrament. Naast de taak die alle gelovigen hebben, worden mensen in het bijzonder aangewezen dit openbare ambt te dragen (art. V-1). Met de term ‘openbare ambt’ wordt aangeduid dat de dragers van het ambt kenbaar zijn, en dat dit ambt gericht is op de openbaarheid. Het Woord van God dient niet alleen binnen de kerk, maar in heel de wereld te worden bekendgemaakt. Dit ambt is van Christuswege gegeven. Hiermee belijdt de kerk dat Christus zelf dit openbare ambt aan de kerk geeft en zo mensen roept ‘om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren’ (art. V-1).

Dit van Christuswege gegeven ene openbare ambt waaiert uiteen in door de kerk onderscheiden ambten en diensten: de kerk is daarin tot op zekere hoogte vrij. Bij de ambten gaat het om predikanten, ouderlingen en diakenen die in het ambt staan. En bij diensten gaat het om kerkelijk werkers voor zover zij niet in het ambt staan. Deze kerkelijk werkers werken in samenwerking met de ambtsdragers ‘tot vervulling van de roeping van kerk en gemeente’ (art. V-1,6).

Ambt is dienst

In de kerk worden mensen geroepen tot het ambt van predikant, het ambt van ouderling en het ambt van diaken. Plaatselijk worden mensen van Christuswege door de gemeente tot het ambt geroepen (art. V-4). Ook hier klinkt het ‘van Christuswege’. Ook al is er veel menselijks in de verkiezing van ambtsdragers (er was niemand anders te vinden bijvoorbeeld), de kerk belijdt dat geroepen ambtsdragers door Christus zelf worden gebruikt in zijn dienst en dat Christus zelf ook hun de gaven geeft om deze dienst te verrichten. Tegelijkertijd beklemtoont de kerk hiermee dat ambtsdragers niet vertegenwoordigers zijn van een groep of uitvoerders van de wens van de gemeente. Ambt is dienst aan Christus, en zo dienst aan de gemeente en aan de wereld.

7.2      Ambten

7.2.1     Gezamenlijke taak

Predikanten, ouderlingen en diakenen zijn gemeenschappelijk verantwoordelijk voor de opbouw van de gemeente in de wereld (art. V-2; ord. 3-8-1) en elk ambt heeft daarbij een eigen bijzondere taak (art. V-3; ord. 3-9 t/m 11). De taak van de predikant centreert zich rond het Woord, die van de ouderling rond de gemeenschap en die van de diaken rond de dienst.

De gemeenschappelijke verantwoordelijkheid staat voorop. Daarbij moet wel de bijzondere verantwoordelijkheid van elk ambt tot haar recht komen (ord. 3-8-1). Bij diaconale vragen weegt de inbreng van diakenen zwaar, bij theologische vragen die van de predikant. Het laatste woord blijft overigens aan de ambtelijke vergaderingen waarin predikanten, ouderlingen en diakenen gezamenlijk overleggen en besluiten (zie § 8.1).

Vanwege de eigenheid van elk ambt kan iemand in een gemeente niet meer dan één ambt dragen. Een ouderling kan niet ook diaken zijn (ord. 3-8-3).

Ouderlingen, diakenen en gemeentepredikanten hebben hun eerste taak in de gemeente. Maar allen kunnen worden geroepen om de kerk als geheel te dienen in of vanwege de meerdere vergaderingen (ord. 3-9-1; 10-1; 11-1). Het gaat daarbij om het werk als lid van een meerdere vergadering en om werk dat in opdracht van een meerdere vergadering gebeurt, bijvoorbeeld de kerkvisitatie of de behandeling van bezwaren en geschillen.

7.2.2     Taakveld van de predikant

Bij de uitwerking van de taken van de drie ambten wordt de opbouw van de gemeente in de wereld als uitgangspunt herhaald. Bij ouderlingen en diakenen wordt dan over de opbouw van de gemeente gesproken, bij predikanten over de opbouw van de gemeenten. Een predikant kan immers ook buiten de eigen gemeente geroepen worden om ambtswerkzaamheden te verrichten. Nadrukkelijk is daarbij bepaald dat dit alleen kan met goedvinden van de betrokken kerkenraad dan wel in opdracht van een meerdere vergadering (ord. 3-9-2).

Dat goedvinden is er uiteraard als een kerkenraad de predikant uitnodigt, bijvoorbeeld om voor te gaan in een kerkdienst van die gemeente. In andere gevallen, wanneer een groep uit een andere gemeente een predikant uitnodigt voor een toerustingsavond, moet instemming van de betrokken kerkenraad worden gevraagd. Uiteraard kan wanneer een kerkenraadscommissie uitnodigt, van deze toestemming worden uitgegaan.

Wat bij de opdracht van een meerdere vergadering gedacht moet worden, is niet geheel duidelijk. Bij de opstelling van ord. 3 werd in de toelichting verwezen naar consulentdiensten en visitatie. Bij visitatie gaat het echter niet om specifiek predikantswerk, en de consulent wordt – sinds de wijziging in 2018 – niet langer namens de classicale vergadering aangewezen, maar uitgenodigd door de kerkenraad. Men kan hier ook denken aan het werk van de predikanten in algemene dienst, zoals de classispredikanten.

Een predikant mag niet op eigen houtje in een andere gemeente werken

In ieder geval maakt de bepaling volstrekt duidelijk dat een predikant niet op eigen houtje in een andere gemeente mag werken. Dit betreft ook pastorale contacten buiten de gemeente. In de gedragsregels voor predikanten en kerkelijk werkers wordt dit met zo veel woorden gezegd: [de predikant/kerkelijk werker] gaat in principe niet in op een beroep op zijn/haar pastorale zorg dat wordt gedaan door een gemeentelid dat aan de zorg van een collega is toevertrouwd; indien zij of hij meent dit beroep om dwingende redenen niet te kunnen weigeren, treedt deze in alle gevallen in overleg met de desbetreffende collega of kerkenraad (Gedragsregels C 6).

De taakomschrijving van de predikant in art. V-3 en ord. 3-9 heeft in het bijzonder betrekking op de predikant in de gemeente. Dat is het gewone werk van de predikant, die dan ook wel wordt aangeduid als predikant voor gewone werkzaamheden. Predikanten in algemene dienst en predikanten met bijzondere opdracht hebben een afwijkende taak, waarin de hier genoemde taken slechts ten dele herkenbaar zijn. Zie hiervoor § 16.3 en § 16.4.

Als eerste taak wordt de bediening van Woord en sacramenten genoemd. In ord. 3-9 wordt dit nader uitgewerkt in taken in de eredienst.

Vervolgens worden vorming en toerusting genoemd, en de verkondiging van het Woord in de wereld. Bij het laatste gaat het om de beweging naar buiten. De taak van de predikant is niet alleen naar binnen, naar de gemeente gericht, maar ook naar buiten: het Woord moet ook buiten de grenzen van de gemeente worden gehoord. Opvallend is dat in art. V-3 eerst de verkondiging van het Woord in de wereld wordt genoemd, en in ord. 3-9 eerst vorming en toerusting. Aan de volgorde moet klaarblijkelijk geen gewicht worden gegeven.

De rol van predikant en ouderlingen kan niet beperkt blijven tot het coachen van anderen

Ten slotte wordt genoemd de herderlijke zorg en het opzicht. In ord. 3-9 wordt daaraan toegevoegd dat deze taken samen met de ouderlingen worden uitgeoefend. Tevens wordt bij herderlijke zorg – net als bij de ouderlingen – nadrukkelijk het bezoeken van gemeenteleden genoemd. De herderlijke zorg gaat daarin niet op (zie § 5.3). Maar met nadruk wordt beklemtoond dat het van belang is dat predikant en ouderlingen ook zelf naar mensen toe gaan. Hiermee is niet gezegd dat predikant en ouderling zelf al het bezoekwerk namens de gemeente moeten doen. Het werk van gemeenteleden als pastorale medewerkers is daarbij zeer waardevol. Wel is gezegd dat de rol van predikant en ouderlingen niet beperkt kan blijven tot het coachen van anderen.

Met de term opzicht wordt tot uitdrukking gebracht dat het ook nodig kan zijn mensen te vermanen en terecht te wijzen. Het gaat daarbij om het heil van het individu en van de gemeenschap. Zoals art. XII-1, herhaald in ord. 10-1-1, het zegt: ‘Het opzicht, gegrond in de barmhartigheid van Jezus Christus, geschiedt tot eer van God, tot bewaring van de gemeente en tot behoud van hen die dwalen.’

7.2.3     Taakveld van de ouderling

Ook bij het taakveld van de ouderling is de beschrijving in art. V-3 en ord. 3-10 vrijwel gelijkluidend. Als eerste taak van de ouderlingen wordt genoemd de zorg voor de gemeente als gemeenschap. Hiermee wordt beklemtoond dat de gemeente een gemeenschap is van mensen die bij Christus behoren. Het is de zorg van de ouderlingen dat deze gemeenschap bewaard blijft en dat de gemeente als gemeenschap blijft in de weg van de Heer. Met het oog daarop wordt de medeverantwoordelijkheid voor de bediening van Woord en sacramenten genoemd. De kerkorde vult niet nader in wat hiermee wordt bedoeld. Gedacht kan worden zowel aan de praktische zorg dat de bediening van Woord en sacramenten voortgang kan hebben, als ook aan een inhoudelijke bezinning met de predikant op deze bediening. En zonder daarmee af te doen aan de eigen verantwoordelijkheid van de predikant voor de bediening van het Woord, kan de medeverantwoordelijkheid ook gestalte krijgen in een gesprek over de inhoud van de verkondiging. De medeverantwoordelijkheid wordt alleen bij de ouderlingen als kerntaak genoemd, maar geldt binnen de kerkenraad ook voor diakenen. Daarom wordt in ord. 5 gesproken over de verantwoordelijkheid van de kerkenraad voor de kerkdiensten die tot uiting komt in de aanwezigheid van leden van de kerkenraad in de kerkdienst (ord. 5-1-5; zie § 4.2), en niet over de aanwezigheid van ouderlingen. De ambtelijke tegenwoordigheid in de kerkdiensten wordt ook in ord. 3-10 als kenmerkend voor de ouderling genoemd (net als voor de diaken in ord. 3-11).

Omzien naar elkaar en getuigenis in de wereld is een zaak van heel de gemeente

De zorg voor de gemeente als gemeenschap komt vervolgens ook tot uiting in het toerusten van de gemeente tot het vervullen van haar pastorale en missionaire roeping. Omzien naar elkaar (pastorale roeping) en getuigenis in de wereld (missionaire roeping) is niet een zaak van ouderlingen alleen, maar van heel de gemeente. Naast en in samenhang met de toerusting als taak van de predikant hebben de ouderlingen de taak de gemeente daarin voor te gaan.

Ten slotte wordt als taak de herderlijke zorg en het opzicht genoemd, een taak die samen met de predikanten wordt uitgeoefend. Zie hiervoor wat bij de predikanten is gezegd.

Een taak van de ouderlingen is ook de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente, voor zover van niet-diaconale aard. Deze taak is toevertrouwd aan ouderlingen die daarvoor specifiek worden aangewezen en als ouderlingen-kerkrentmeester worden aangeduid. Zij doen dit samen met gemeenteleden die tot kerkrentmeester zijn benoemd. In ord. 11 wordt op die taak nader ingegaan (zie hoofdstuk 13). In ord. 3-10 wordt van die taken alleen de ledenregistratie en het bijhouden van het doopboek, trouwboek en belijdenisboek genoemd. Hiermee wordt beklemtoond dat een goede registratie, opdat mensen gekend blijven, van groot belang is voor de gemeente.

7.2.4     Taakveld van de diaken

Net als bij predikanten en ouderlingen zegt ord. 3-11-1 eerst dat de taak van de diakenen de opbouw van de gemeente is. Bij diakenen wordt er nog aan toegevoegd: ‘met het oog op haar dienst in de wereld’. Diakenen zijn bij uitstek degenen die betrokken zijn op de roeping van de gemeente om de wereld te dienen (art. IV-3). Deze dienst aan de wereld begint in de eredienst.

De dienst in de wereld vindt haar oorsprong bij de tafel van de Heer

Bij de diaconale taak wordt dan ook als eerste de taak in de eredienst genoemd. In art. V-3 wordt gesproken over de dienst aan de tafel van de Heer en het inzamelen en uitdelen van de liefdegaven. De tafel van de Heer is de plek waar gelovigen deelhebben aan de Heer die gekomen is om te dienen. De dienst in de wereld vindt daarin haar oorsprong.

Het inzamelen van de liefdegaven om die uit te delen waar nood is, hoort daar onlosmakelijk bij.

In ord. 3-11-1 wordt aan deze taken rond de eredienst nog toegevoegd de ambtelijke tegenwoordigheid in de kerkdienst en het mee voorbereiden van de voorbeden. Met dit laatste wordt de blik weer naar buiten gericht.

Als tweede noemt art. V-3 de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid in gemeente en wereld. In ord. 3-11 en ord. 8-3 (zie § 6.4) wordt dat nader uitgewerkt. Het gaat daarbij om ondersteuning (al of niet financieel), en evenzeer om het bevorderen van maatschappelijk welzijn en het aanspreken van overheid en samenleving op haar verantwoordelijkheid dienaangaande.

Om duidelijk te maken dat het niet een zaak is van diakenen alleen, wordt de reeks voorafgegaan door de taak de gemeente toe te rusten tot haar diaconale roeping.

Als laatste taak wordt de zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de diaconie genoemd. Deze taak wordt uitgeoefend met de diaconale rentmeesters. Ook dit wordt in ord. 11 nader uitgewerkt.

Anders dan bij de ouderlingen zijn alle diakenen bij deze taak betrokken.

7.2.5     Met bepaalde opdracht

In principe zijn alle ouderlingen verantwoordelijk voor het taakveld van de ouderlingen. Hetzelfde geldt voor diakenen en predikanten. Natuurlijk zal er een taakverdeling zijn, maar dat komt niet in mindering op de verantwoordelijkheid voor het hele taakveld.

Het is ook mogelijk dat de kerkenraad aan ambtsdragers een bepaalde taak geeft en hen daarmee vrijstelt van een deel van de werkzaamheden (ord. 3-8-2; 3-16-1). Het gaat hierbij niet om de normale taakverdeling, maar om specifieke taken, bijvoorbeeld een ouderling-scriba of predikant met een bijzondere evangelisatietaak. Ook met een bepaalde taak blijft de ambtsdrager lid van de kerkenraad. Van die verantwoordelijkheid kan niemand worden vrijgesteld.

De kerkorde noemt ambtsdragers aan wie een bepaalde taak is toevertrouwd ook wel ambtsdragers met bepaalde opdracht, met name bij de verkiezingsregeling. Als een ambtsdrager speciaal met het oog op een bepaalde taak wordt verkozen, is de kerkenraad niet gebonden aan de aanbevelingen van stemgerechtigde leden (ord. 3-6-2,3).

Als ambtsdragers met bepaalde opdracht worden genoemd:

  • de ambtsdragers in een gemeente met wijkgemeenten die alleen een taak hebben voor de gemeente als geheel (ord. 3-4-9 en 3-6-4),
  • de ambtsdrager die lid is van de commissie die een missionaire gemeente leidt (ord. 2-5-8),
  • de kerkelijk werkers die in het ambt worden bevestigd (ord. 3-12-6 en 13-2), en
  • de ambtsdrager verkozen met het oog op het lidmaatschap van een classicale vergadering (GR 7-2-2).

Uiteraard zijn er meer ‘bepaalde taken’ denkbaar, bijvoorbeeld een ouderling of diaken met als taak het werk in of ten behoeve van een meerdere vergadering (lid van de generale synode, college voor de visitatie of college voor het opzicht). Maar zoals gezegd, de normale taakverdeling binnen de kerkenraad valt daar niet onder. Anders zou de kerkenraad alle ambtsdragers kunnen aanduiden als ambtsdragers met bepaalde opdracht (en daarmee de verkiezing door de gemeente kunnen omzeilen).

7.3      Diensten of bedieningen

Niet alleen de ambten maar ook andere diensten in kerk en gemeente worden van Christuswege gegeven om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren (art. V-1). In die formulering ligt de taak van diensten heel dicht bij die van de ambten. In art. V-6 worden deze diensten nader onderscheiden in bedieningen en functies die in samenwerking met de ambtsdragers worden uitgeoefend tot vervulling van de roeping van kerk en gemeente.

Bij deze diensten gaat het om het werk van de kerkelijk werkers, voor zover de kerkelijk werker geen ambtsdrager is.

Bij de opstelling van de kerkorde vóór 2004 was het voor kerkelijk werkers niet mogelijk om in het ambt verkozen te worden. Zij droegen geen ambt, maar vervulden een dienst. Dit woord is gekozen om de nauwe band aan te duiden: ambt betekent immers dienst. In 2004 werd binnen de diensten onderscheiden tussen bedieningen en functies. Zoals ambtsdragers in het ambt worden bevestigd, konden kerkelijk werkers in de bediening worden gesteld, dat wil zeggen: op een bijzondere wijze in een kerkdienst met het afleggen van een belofte aan de gemeente worden verbonden. Daarnaast was het mogelijk dat een kerkelijk werker het werk uitoefende als functie zonder deze bijzondere verbintenis.

De kerkelijk werker staat in de regel in het ambt

Bij de herziening van de kerkorde in 2011 en 2012 is voor een andere koers gekozen. De kerkelijk werker staat in de regel in het ambt. En als er redenen zijn om de kerkelijk werker niet in het ambt te verkiezen, wordt deze in de bediening gesteld (zie § 12.3). Sindsdien is het niet langer mogelijk om als kerkelijk werker in de gemeente te werken zonder of in het ambt bevestigd of in de bediening gesteld te zijn.

Bij de functies in art. V-6 ging het dus in 2004 niet om alle functies die in de kerk worden uitgeoefend. Het werk van een administrateur is wel een functie maar geen dienst. In ord. 3 werd dan ook onderscheiden tussen diensten (bedieningen en functies) en overige (!) functies. Er zijn nu dan ook geen functies meer die onder de diensten gerekend kunnen worden. Art. V-6 is hierdoor verwarrend geworden. Het zou helderder geweest zijn als in dit artikellid de woorden ‘en functies’ waren geschrapt.

7.4      Functies

Onder de functies wordt al het overige werk vanwege kerk, classis of gemeente verstaan, al of niet op arbeidsovereenkomst. Het kan daarbij gaan om het werk van pastorale medewerkers, kosters, boekhouders enzovoorts. Maar zoals gezegd, dezen vallen niet onder de diensten van art. V-1.

Aparte vermelding verdienen de kerkrentmeesters en de diaconale rentmeesters. Vanwege hun nauwe samenwerking met de ouderlingen-kerkrentmeester respectievelijk de diakenen is voor hun benoeming goedkeuring van de gemeente vereist. Ook bepalingen die voor ambtsdragers gelden met betrekking tot zittingstijd en de mogelijkheid bezwaar te maken tegen hun benoeming, zijn op hen van toepassing (ord. 11-2-2,3).

De rechtspositie van de kerkmusicus is geregeld in GR 9, en die van de overigen die hun werk op arbeidsovereenkomst doen, in GR 6.


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken