Menu

Premium

Inlijving of behoud van identiteit?

1e zondag van de Herfst (Daniël 1:1-21)

In veel christelijke bijbelvertalingen staat het boek Daniël tussen de profeten. In de Hebreeuwse Bijbel – en bijvoorbeeld ook in de Naardense Bijbel – hoort Daniël tot de Geschriften (Hebr.: ketoebhim). Daar wordt Daniël eerder beschouwd als een apocalyptisch ziener dan als een profeet. Het boek Daniël is geschreven in de jaren 167-164 voor onze jaartelling, toen het hellenisme onder de Syrische heerser Antiochus IV Epifanes vaste grond had gevonden in Jeruzalem.

De wetsrollen waren verbrand, de sabbat was afgeschaft, de spijswetten golden niet meer en zelfs de besnijdenis werd afgeschaft. Tegen die achtergrond wordt over Daniël en zijn drie vrienden verteld hoe zij als ballingen belanden in Babel tijdens het derde jaar van het koningschap van Jojakim (ca. 605 v.Chr.). Hoe gaan zij om met de dreiging van totale assimilatie?

Om welke G/god gaat het?

De eerste verzen vertellen meteen waarom het allemaal gaat. Nebukadnessar, de koning van Babel, ‘belegerde’ (Hebr.: tsoer = in het nauw brengen, belegeren) Jeruzalem (1:1). ‘De H/heer’ (Hebr.: ’adonai ) ‘geeft’ (NB – Hebr.: natan; NBV: ‘leverde uit’) Jojakim, de koning van Juda, ‘in zijn hand’ (Hebr.: bejado). De Godsnaam JHWH wordt hier in het Hebreeuws niet gebruikt, maar het subject van het hele gebeuren is wel ‘de H/heer’ (1:2). Zo komt de koning van Juda in de macht van Nebukadnessar. Het ergste is echter dat een deel van ‘de spullen’ (Hebr.: keli = vaatwerk, gerei) uit ‘de tempel’ (letterlijk: ‘het huis van God’, Hebr.: bhet-ha’èlohim) worden gebracht naar het land Sinear (vergelijk Genesis 10:10; 11:2; 14:1.9), naar de ‘tempel van zijn god’ (Hebr.: bhet ’èlohav), in het ‘schathuis van zijn god’ (Hebr.: bhet ’otsar ’èlohav – 1:2). Drie keer klinkt hier het woord ’èlohim. Welke G/god heeft in dit verhaal de leiding?

Uitverkoren jongemannen

Heel hiërarchisch wordt verteld hoe de koning Aspenaz, het ‘hoofd’ (Hebr.: rabh) van zijn ‘hovelingen’ (NB – Hebr.: saris = hoveling, eunuch) opdraagt om uit de elite van Israël ‘jongemannen’ (Hebr.: jeladim) te kiezen, ‘aan wie helemaal niets mankeert’ (Hebr.: ’asjèr ’een-bahèm kol-moe’oem – eigen vertaling). Ze moeten zowel ‘goed van uiterlijk’ (Hebr.: thobhee mar’èh) zijn als ‘rijk aan wijsheid, ontwikkeld, met kennis en een scherp verstand’ (Hebr.: maskilim bekhol chokhma wejod‘ee da‘at oemebhinee madd‘a – eigen vertaling). Bovendien moeten ze ‘kracht’ (Hebr.: koach) hebben ‘om te staan in het paleis van de koning’ (eigen vertaling – 1:3-4). Ze moeten drie jaar eten van de tafel van de koning en drinken van zijn wijn (Hebr.: mipat-bag hamèlèkh oemijjeen misjttav – 1:5). Daarna zullen ze gekeurd worden. Het verhaal van de uitmuntende jongemannen doet denken aan dat van Hans en Grietje of van koningin Ester.

Je naam als identiteit

De joodse namen van de hoofdpersonen zijn veelzeggend. Daniël (Hebr.: dani’el) betekent: ‘Mijn rechter God’. Daniël wordt in Ezechiël 14:20 in één adem genoemd met Noach en Job als een rechtvaardig persoon. Chananja (Hebr: chananjah) betekent: ‘De Eeuwige is genadig’. Misjael (Hebr.: misja’el) betekent: ‘Wie is als God?’ of ‘God geeft redding’. Azarja (Hebr.: ‘azarjah) betekent: ‘De Eeuwige helpt’ (1:6). De assimilatie aan het Babylonische hof betekent echter dat de vier vrienden nieuwe namen krijgen, met als inhoud soms andere goden. Het ‘hoofd’ (NBV – Hebr.: sar = beambte, overste, vorst) van de hovelingen c.q. eunuchs is het die de namen ‘vaststelt’ (Hebr.: sim = vaststellen, bepalen; tweemaal in 1,7). De nieuwe namen zijn Beltesassar (‘Bel beware zijn leven’), Sadrach (heeft misschien iets te maken met Mardoek), Mesach en Abednego (‘dienaar van Nego of Nebo’). Diezelfde god Nebo zit ook in de naam Nebukadnessar (‘Nebo, bewaar de steen van het erfgoed’). Welk erfgoed moet worden bewaard?

Je voedsel als identiteit

In het joodse geloof is het van belang dat je je bewust bezighoudt met je voedsel. Er zijn immers de spijswetten, het kasjroet. Terwijl het ‘hoofd’ van de ‘hovelingen’ (NB) of de ‘eunuchs’ (NBV) de nieuwe namen van de vier vrienden ‘vaststelt’, ‘stelt’ Daniël iets anders ‘vast in zijn hart’ (Hebr.: wajjasèm dani’el ‘al-libbo – 1:8). Hij wil ‘zichzelf niet verontreinigen’ (Hebr.: ga’al = (hitpal.) zich cultisch onrein maken; tweemaal in 1:8) met het voedsel en de drank van de koning. Gelukkig voor hem geeft God (Hebr.: ha’èlohim) Daniël ‘vriendschap en ontferming’ (NB – Hebr.: lechèsèd we lerachamim) bij het hoofd van de hovelingen/eunuchs (1:9). Deze is bang en stelt misschien daarom wel nog weer iemand anders, een ‘kamerheer’ (Hebr.: mèltsar = opzichter – 1:11.16) over de vier vrienden aan. Daniël stelt hem een proef, een test voor van tien dagen (Hebr.: nasah = (pi.) op de proef stellen, testen – 1:12.14). De vier vrienden eten alleen ‘zaaigoed’ (NB) of ‘groente(n)’ (NBG ’51, NBV; Hebr.: zeero‘im = plantenvoeding – 1:12.16) en drinken alleen ‘water’ (Hebr.: majim – 1:12). Zo komen ze niet in aanraking met onrein, niet-kosjer eten. Wij zouden dit een veganistisch dieet noemen. Na tien dagen mag het ‘uiterlijk’ of ‘voorkomen’ (Hebr.: mar’èh – 1:4.13.15) van de vier vrienden en van de andere jongemannen worden vergeleken. Aan het eind van de tien dagen blijkt hun uiterlijk beter en hun ‘vlees vetter’ (Hebr.: oebheri’ee basar) dan van alle anderen die koninklijk voedsel aten (1:15).

Excellentie

Mensen die consequent vasten, worden helder in hun hoofd. God speelt daarbij ook een rol: ‘God’ (Hebr.: ha’èlohim) gaf hun ‘kennis’ (Hebr.: madda‘) ‘en inzicht in alle boeken’ (Hebr.: wehaskeel bekhol-seefèr) ‘en wijsheid’ (Hebr.: wechokhmah – 1:17). Ook ‘heeft Hij Daniël doen verstaan alle gezichten en dromen’ (Hebr.: wedani’el heebhin bechol-chazon wachalomot – eigen vertaling, 1:17). Als ze ten slotte op audiëntie bij de koning komen, vindt hij ‘ieder woord van wijsheid’ (Hebr.: khol debhar chakhmat) van hen tienmaal beter dan van alle magiërs en bezweerders in heel zijn koninkrijk (1:18-20).

Deze exegese is opgesteld door Willemien Roobol.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken