Menu

Premium

Is christelijk leven een stijl?

Een specifieke, christelijke levensstijl was het ‘handelsmerk’ van de eerste christenen. Deze is telkens te zien bij jonge christelijke kerken, nu bijvoorbeeld in . In de geschiedenis van het Westen ontstond uiteindelijk iets als een ‘ cultuurchristendom’, waarin het onderscheid tussen gelovig en niet-gelovig vervaagde, in moraal en ook in stijl. Een specifiek door het christelijk geloof beïnvloede levensstijl bleef in , ook na de verzuiling, vooral bij orthodoxe minderheden herkenbaar. De actuele ervaring van christenen in het Westen is, dat de kerk steeds verder gemarginaliseerd wordt en dat de herkenbaarheid van gedeelde waarden verzwakt. Toch maken de mainline kerken – om allerlei bewuste en onbewuste redenen – niet echt werk van het ‘ gij geheel anders’. Soms klinkt de roep om een nieuwe levensstijl, bijvoorbeeld rond de vastentijd, maar die vindt niet veel gehoor.

Maar de uitdaging wordt sterker, omdat ook het beeld van het christendom in het Westen gevarieerder wordt. Migrantenkerken houden de spiegel voor. Angelsaksische evangelicalen trekken aandacht met hun holiness-beweging. Amerikaanse doperse theologie, zoals die van Stanley Hauerwas, wordt in verkend. Op het terrein van natuur en milieu worden initiatieven genomen waarbij religieuze motieven een rol spelen.

In dit nummer willen we het thema onderzoeken, zowel historisch (vroege kerk; modern Europa) als actueel en ethisch. We willen niet alleen beschrijven, maar ook compliceren. Dat laatste gebeurt vooral tegen het einde van het nummer. Daar schrijft Vos wikkend en wegend over het idee van de kerk als een contrasterende gemeenschap. Van Woudenberg vertolkt de tegenstem tegen het verlangen naar een moreel herkenbaar christendom en brengt daar dan weer iets tegen in.

Het nummer loopt uit op een poging van Boer om, op basis van een ronde tafel-gesprek met andere auteurs, een eigentijdse christelijke levensstijl te schetsen.

Maar om te beginnen is het nodig het begrip stijl zelf van een plaatsbepaling te voorzien in de ethiek. Wat is het eigene van het begrip stijl naast traditionele begrippen als heiliging, moraal, normen, waarden, plichten, zeden en gewoonten? En hoe verhoudt het zich tot moralisme en legalisme? Is er niet ook veel voor antinomianisme te zeggen? Hoe belangrijk is het missionaire oogmerk in het pleidooi voor een herkenbare en onderscheidende levensstijl? En is dat wel een zuiver motief? Ter inleiding geef ik voorlopige omschrijvingen.

Verkenning van de vraag

In de levensstijl gaat het niet enkel om de erkenning van normen en waarden, ook niet alleen om het volgen van die moraal op kruispunten van het leven, maar om een zichtbare, continue vormgeving. Het gaat dus ook nog wat verder dan het ontwikkelen van een attitude van behulpzaamheid. Het gaat over kenmerkende keuzes van bij voorbeeld kleding en voedsel en tijdsbesteding, over keuzes in publieke en politieke kwesties, die in hun ’uiterlijkheid’ ook de inhoud en betekenis van het christelijk geloof laten zien. Ze genereren als patroon van vormen een uitstraling. Dat patroon geeft iets aan van waarop men bij een bepaalde groep rekenen.

Lange tijd is deze aandacht voor zichtbaarheid in de westerse (ook christelijke) ethiekbeoefening taboe geweest. Niet alleen werd zij vereenzelvigd met moralisme, er werd niet eens op gereflecteerd. Dat kwam ook, doordat het in het leven van de westerse christelijke kerk zelf geen serieuze vraag inhield.

Naast de factoren die ik boven al noemde, heeft er een wending in de ethiekbeoefening plaatsgevonden, zowel in de wijsgerige als in de theologische ethiek, die ook weer spoorde met een wending in de cultuur, die ons dichter bij de vraag naar stijl brengt. Dat is de wending van dilemma-ethiek naar deugdethiek, de wending van zakelijk, rationeel argumenteren naar het zoeken van verbinding van die rationele argumentaties met het persoonlijk leven. Alasdair Maclntyres After Virtue uit 1984 luidde die koerswijziging in en tegenwoordig wil bijna niemand er meer achter terug. Het leven zelf verzette zich blijkbaar tegen de rationalisering en juridisering van de moraal. Het bevredigt niet om zich in de vrijheid te wentelen zolang men de wetten maar niet overtreedt, men wil toch ergens heen met die vrijheid. De populariteit van Jonathan Franzen’s Freedom (2010) illustreert dat gedetailleerd en eigenlijk dwingend.

Maar van een serieuze reflectie op het goede leven is het nog een hele sprong naar het aanmeten van een levensstijl. Men de wil tot het goede heel goed in eigen hand houden, in de vrije hand zelfs. Bij levensstijl van een kerk komen we onvermijdelijk in aanraking met autoriteit, van God maar ook al gauw van de groep. En groepsdwang noemen wij van oudsher moralisme. De vraag komt dan op of wat begon met een verlangen naar richting min of meer noodzakelijk uitmondt in overgave aan gecodificeerd gedrag – totdat de slinger weer de andere kant uitslaat.

Moralisme kunnen we omschrijven als het elkaar houden aan gedragsregels zonder voortdurend het legitimeren daarvan te eisen. Men doet het nu eenmaal op een bepaalde manier, men is het zo gewend. Ongetwijfeld is zo’n code ooit begonnen met reflectie en discussie, maar men is de redenering vergeten en het is heel vermoeiend om een oude discussie telkens weer op te halen. Bovendien hebben we er geen tijd voor, want we weten dat reeds het voeren van de discussie argwaan in de groep wekt.

In de christelijke ethiek heeft moralisme altijd sterke papieren gehad met een verwijzing naar Gods geboden; de morele traditie kon worden uitgelegd als een uitwerking in de eeuwen van Gods eeuwige gebod. Het sterke punt van moralisme is natuurlijk dat het eenheid bevordert en gemeenschap sticht. De ethische vraag stellen of wat als goed geldt ook goed is, werkt eigenlijk altijd ontwrichtend. We zien dat in de gesprekken die Jezus voert over de geboden, we zien het bij Paulus als hij in discussie is over de wet, we zien het bij Luther als hij over de vrijheid begint te schrijven. Maar uit elke ontwrichting komt weer een nieuw moreel patroon op, zodat een negatief imago van het moralisme blijkbaar een kwestie van tijdgeest is.

Bovendien is het antinomianisme als het tegendeel van moralisme ook niet zonder bezwaren. De antinomiaan wijst graag op het verborgen karakter van het moreel goede. Ons leven ligt met Christus verborgen in God (Kol. 3:3). De zichtbare daden volgens de groepscode kunnen strijdig zijn met de beweegredenen van het hart. De verbondenheid met Christus juist tot sociaal non-conformisme aanleiding geven. Het beeld van de wijnstok en de ranken (Johannes 15) lijkt dat geloof te steunen: niet moeizaam reflecteren op morele keuzes maar zich concentreren op Christus en dan hopen dat dit doorwerkt in het leven.

Maar in de praktijk gaat dit sympathiek-mystieke leven vaak samen met moralisme; ze vinden elkaar in het mijden van kritische reflectie. En het beroep op het innerlijk leven werkt gemakkelijk legitimering en immunisering van volgens anderen bedenkelijke keuzes in de hand.

De vraag doet zich dus voor of er naast moralisme en antinomianisme iets denkbaar is dat boven permanente discussie uitkomt. Ethiek is permanente discussie, uitlopen op het geven van adviezen, maar daarmee is nog geen levenspraktijk getekend, laat staan een herkenbare stijl van een groep. Adviezen blijven altijd vatbaar voor discussie en persoonlijke keuzes.

Het christelijk leven wellicht een herkenbaar patroon krijgen waarvan toch ook deliberatie deel uitmaakt, zodat men vrij blijft zonder vrijblijvendheid.

Het begin van een antwoord

Het is iets anders om zulke patronen te beschrijven dan om ze voor te staan.

Dat laatste zit, als vraag (dus als deel van die permanente discussie!), achter de keuze voor dit thema. Die keuze wordt gedreven door het missionaire motief: moet de omgeving de betekenis van het evangelie niet aan het leven van de gemeente kunnen zien? Dat is vooral een motief dat opkomt in pluralistische tijden, zoals de eerste eeuwen en onze eeuw. Er is niet alleen de slinger van de tijdgeest die meer of minder moralistisch is. Er is ook het gegeven van een sterk gefragmenteerde westerse cultuur, die het missionaire motief tot stijl uitlokt.

De Protestantse Kerk in zet vol in op missionair gemeente zijn. In de ‘leer’ leidt dit tot allerlei laagdrempelige vertolkingen van het evangelie en vormen van samenkomst die opmerkelijk genoeg vaak afgeleid worden van manieren die in jeugdculturen gangbaar zijn (festivals bijvoorbeeld). Men wil goed laten uitkomen, dat de christelijke gemeente niet oud is, niet traditioneel, maar geheel bij de tijd en in de wereld. Waartoe gaat het in het ‘leven? Het leven speelt zich wel deels af in de christelijke samenkomsten, maar toch grotendeels daarbuiten, waar de wissel sterk op het individu getrokken wordt. Als de gemeenschap daar stijl wil kweken, zal ze zich tamelijk robuust moeten manifesteren, ook in disciplinair opzicht, door mensen aan te spreken op afwijkend gedrag. Mainline kerken kenmerken zich echter overwegend door het vrijlaten van hun leden in veel morele opzichten. De prognose voor een herkenbaar christelijk levenspatroon lijkt dus wat die kerken betreft niet erg gunstig.

Bovendien lijkt levensstijl als missionaire strategie innerlijk tegenstrijdig: een levensstijl kiest men omdat men die goed vindt, om er God mee te verheugen, en niet om er andere mensen mee aan te trekken. Die aantrekkingskracht maar ook een afstotende werking (!) een gevolg zijn van de levensstijl, niet het doel ervan.

Aan de andere kant is er reeds volgens Augustinus geen welsprekender prediking dan het voegen van de daad bij het woord (De doctrina christiana IV, 153). Waarom zou de kerk wel met het gesproken woord wervend willen zijn en niet met haar levensstijl? ‘Wat meer gewicht in de schaal legt dan alle grootsheid van retorische stijl om mensen te werven, is de levensstijl van de spreker.’ (151) Dan wordt de levensstijl tot woordenschat: forma vivendi copia dicendi. (159) Dit lijkt een goede leidraad doorheen dit themanummer.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken