Menu

Premium

IV B Theologie – De moed tot ‘naming God’

‘Preaching constructs in consciousness a “faith-world” related to God (…). Preaching can rename the world “God’s world” with metaphorical power, and can change identity by incorporating all our stories into “God’s story”.’ Zo definieert David Buttrick, grondlegger van de beweging van de New Homiletics, prediking.

David Buttrick, Homiletic, 319vv.

Dit is een rijke definitie met het oog op de thematiek van dit hoofdstuk. We sluiten in deze paragraaf hierbij aan omdat we daarin de uitdaging verwoord horen waar de culturele context van weinig God-talk ons voor stelt. Het gaat in de prediking om rename: opnieuw benoemen, een – nieuwe of de oorspronkelijke? – naam (terug-)geven. Dat doen we met een goede preek.

We horen in deze omschrijving door Buttrick de echo van Genesis 2, waar Adam de dieren namen geeft. Zoals hij ze noemt, zo heten zij, dat is hun identiteit, hun ‘waartoe’. Dat is een mooi beeld voor wat prediking is. In de preek benoemen wij de werkelijkheid. Daartoe noemen wij de dingen waar het om gaat bij de naam: de wereld is Gods wereld, geschapen, gered, bestemd voor het Koninkrijk van gerechtigheid en vrede. Dat doen wij in de prediking met metaphorical power, aldus Buttrick.

Verhalen hebben metaforische kracht, omdat ze in staat zijn een eigen wereld op te roepen, transcendentie te laten oplichten en nieuwe mogelijkheden te openen.

Vgl. Kees van Dusseldorp, Preken tussen de verhalen, 45 en 47: ‘Er ontstaat door een verhaal nieuwe betekenis waar de wereld van de tekst een raakvlak krijgt met de wereld van de lezer. Het verhaal komt pas in de receptie tot zijn doel. (…) Een mens luistert naar een verhaal, ervaart daardoor de realiteit op een andere manier en vertelt vervolgens het verhaal verder. Deze laatste vertelling is anders dan de eerste: het is een nieuw verhaal.’

Hetzelfde geldt voor de preek als een goed betoog. In de lijn van Quintillianus speelt een goede redevoering helemaal in op de narratieve grondstructuur van de mens en de menselijke communicatie. Een goed betoog, en dus een overtuigende preek, herdefinieert de werkelijkheid, door de dingen in Gods Naam te herijken, en daartoe de dingen bij de naam te noemen. Daarom nemen wij in deze subparagraaf opnieuw beide preektypen samen – de preek als verhaal en de preek als betoog – en alle mengvormen daartussen.

De kracht van de preek als verhaal

Het is de kracht van een verhaal, en dus ook van prediking, dat het een werkelijkheid opent of tot leven wekt. Die ervaring kun je als lezer hebben bij een goede roman: je wordt het verhaal in gezogen. Het verhaal brengt je in een andere werkelijkheid.

Dat is wat Buttrick aanduidt als de metaforische kracht van de preek, en wat bij Kearney in aansluiting bij Aristoteles de cathartische werking van verhalen heet.

Zie nader in Excurs 1 Aristoteles over het verhaal – toegepast op de preek.

Zo werkt de metafoor: de zaak uit de ene (dagelijkse) werkelijkheid en de zaak uit de andere (verbeelde) werkelijkheid komen zo bij elkaar dat je haast moeiteloos van de ene in de andere werkelijkheid overgaat. ‘God is mijn Rots en mijn heil, wie zou ik vrezen?’

Psalm 27 vers 1, Liedboek 2013.

Terwijl ik het zing, ben ik geborgen en veilig, en daarom onbevreesd en sterk in de Heer. Dat is metaforische kracht. ‘Wij zijn dan met Hem (Christus) begraven door de doop in zijn dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen,’ horen wij Paulus roepen,

Romeinen 6:4.

terwijl wij in de paasnacht bij het doopvont staan. Het zijn woorden met metaforische kracht. Zinnen die mijn werkelijkheid herdefiniëren. De zondaar wordt aangesproken als rechtvaardige. Ik weet mij ‘vrij van de zonde’, als een kind door God bemind en voor het geluk geschapen.

Vrij naar Hieronymus van Alphen, Het kinderlijk Geluk, in: Kleine gedichten voor kinderen. Amsterdam: Athenaeum Polak & Van Gennep, 1998.

De kracht van de preek als betoog

Een goede preek is in staat mijn identiteit te veranderen. ‘Houdt het daarvoor dat gij voor de zonde dood zijt, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heer.’

Rom. 6:11.

Daar krijgt de preek de kracht van het betoog, dat overtuigt. Al mijn verhalen – zonde, schuld, oude leven, alle verhalen die ik meesleep – worden opgenomen en ingevouwen in Gods verhaal, het leven, lijden, sterven en de opstanding van Christus. ‘Ik, zondaar, tegelijk rechtvaardige.’ Zoals het mij gezegd wordt, is het ook. Dat bewerken woorden met metaforische kracht. ‘Waar zich uw vleugels breed ontvouwden, zing ik mij van mijn zorgen vrij,’ zingt het intochtslied in een zondagmorgendienst.

Psalm 63 vers 3, Liedboek 2013.

En ik voel mij vrij, de last van het leven valt van mij af. Ook liederen hebben vaak die transformerende kracht.

Vgl. de (zichtbare) reacties van geraaktheid bij het publiek op het plein buiten voor de hal waar op 20 april 2011 de herdenkingsdienst na het dramatische schietincident in een winkelcentrum in Alphen a/d Rijn werd gehouden, op het moment dat Stef Bos zijn lied De omgekeerde tijd zingt, dat vol includerende beeldtaal is. Woorden en beelden in het lied van Bos kunnen moeiteloos gehoord worden als verwijzing naar Goede Vrijdag en Pasen. Maar dat hoeft niet. Voor anderen kunnen het met evenveel recht verwijzingen zijn naar leven dat de dood overwint vanuit innerlijke kracht of als verbeelding van de natuur in zijn wederkeer. Vgl. de coupletten 5 en 6: ‘Wat vergaan was en verloren, / wordt geboren uit het graf. / Ik leer het evenwicht verliezen / en ik leer het lopen af. // En ik leer om los te laten / want je neemt steeds minder mee / in een omgekeerde wereld / waar de klok naar links beweegt.’ Zie voor de gehele tekst van Stef Bos, De omgekeerde tijd, http://www.stefbos.nl/page/Liedteksten/detail/1669/De_omgekeerde_tijd (juni 2016).

Ik verkeer in een andere werkelijkheid. ‘Mijn ziel, Heer, is U zeer nabij, door uw hand word ik vastgehouden.’

Vervolg Psalm 63 vers 3.

In de kerkdienst kan het onder de preek gebeuren dat de hoorder in een andere werkelijkheid komt. Sleutelbegrippen bij Kearney en Buttrick zijn: narrative re-creation, creative re-telling, metaphorical power en naming God. In de preek wordt het woord van een mens tot Woord van God dat de potentie heeft van renaming this world as God’s world.

Hoe wordt nu een preek een sterk verhaal en/of een overtuigend betoog? We brengen een aantal aspecten in beeld die daarbij een rol spelen en daarbij kunnen helpen. We zien eerst hoe narrativiteit in de prediking werkt. We onderstrepen vervolgens dat de Bijbel en het leven zelf vragen om een diversiteit van preektypen en stijlen, met soms meer het karakter van verhaal, soms meer het karakter van het betoog. Achtereenvolgens komen aan de orde: prediking en heilsbemiddeling, prediking en inwijding, prediking en geloofsonderricht en geloofsverantwoording.

De stof van deze vijf paragrafen sluit aan bij de stof van hoofdstuk III.B en veronderstelt de kennis daarvan. Onder IV.D Praktijken volgt de praktische toepassing met illustraties en oefeningen in de praktijk.

Prediking en narrativiteit

De Bijbel vertelt het grote verhaal van God en mensen in de vorm van veelal kleine verhalen: familieverhalen, legenden, geslachtsregisters, gelijkenissen, brieven, et cetera. De Schriften van Oude en Nieuwe Testament vormen een verzameling van verhalen over gebeurtenissen in het verleden, over ervaringen van mensen van en met God. De bijbelverhalen getuigen daarvan in de vorm van profetie en onderricht, lofprijzing en klacht, kronieken en overgedragen ervaringen van wijsheid.

Dit alles wordt verteld ad hominem: het zijn teksten die ertoe dienen om voorgelezen en verder verteld te worden. Ze zijn bedoeld om opnieuw te worden uitgelegd en toegepast in nieuwe verhalen, in prediking en onderricht, in lofprijzing en wijsheid, in voortgaande profetie. Dit alles past bij de narratieve identiteit van de mens, en bevestigt deze.

Homiletisch impliceert dit dat elke preek een verhaal ad hominem moet zijn, een tekst die iets wil met de hoorder. De tekst van een preek is intentioneel en performatief. Zij wil de hoorder meenemen. Omwille van dat ad hominem moet elke preek narratieve elementen bevatten.

Daarnaast is het ad hominem van de preek gegeven met de pneumatologische verankering van de prediking. Wij hopen en bidden in het epiklese-gebed dat het verhaal van de Schriften zich verbindt met het levensverhaal van de hoorder, zodat een Woord van God tóen gehoord wordt als een Woord van God voor de gemeente híer en nú. Wij preken in de hoop dat de horizon van de tekst en de horizon van de hoorder versmelten. Instrument daartoe is de performatieve werking van de taal in de preek. Niet alleen in de expliciet narratieve stukken van de preek, ook in de meer docerende gedeelten.

Of het nu gaat over de preek als verhaal of de preek als betoog, en of de preek nu gaat over de verhalen uit I Samuël of een leerdienst is uit een serie over de Romeinenbrief: de eis van narrativiteit geldt voor elke preek.

Grote predikers van alle tijden zijn óf grote retors, die de kneepjes van het overtuigend betoog kennen, met daarbinnen allerlei technieken van narrativiteit. Óf zij zijn ras-vertellers, natuurtalenten, die de technieken van het vertellen beheersen: opbouw, spanning, horizonversmelting van het vertelde verhaal (het bijbelverhaal, vertolkt in de preek) en van het levens- en geloofsverhaal van de hoorders. Bevindelijke dominees – meestal prekend volgens het model van scopus-explicatio-applicatio – behoren nogal eens tot deze tweede categorie predikers. Het zijn vaak natuurtalenten onder wier preken de hoorder als vanzelf gelijktijdig wordt met het bijbelverhaal en de daarin vertolkte heilsorde, of andersom. Dat is wat gebeurt in een goede preek.

Daarmee is het onderscheid van preek als verhaal en preek als betoog niet opgeheven. Beide vragen om een specifieke en dus verschillende expertise met het oog op de verwoording. We sluiten voor het vervolg aan bij het onderscheid in hoofdstuk III van drie mogelijke ordeningsprincipes voor de opbouw van de preek: narratio en plot, focus en function, en scopus-explicatie-applicatio.

De preek als narratio en plot

We beginnen met de preek als narratio en plot. Wat vraagt dit type preek van opbouw en verwoording? Hoe komen we tot een goede narratieve preek?

Voor de prediker die een narratieve insteek kiest is het inzicht essentieel dat God zich in de geschiedenis heeft geopenbaard én dat Hij zich voortgaand openbaart in de verhaalde geschiedenis van zijn verbond met Israël en in Jezus Christus met ons. Die twee hangen direct samen en kunnen pneumatologisch en hermeneutisch niet los van elkaar verkregen worden. Wij leven uit deze verhaalde voorgeschiedenis, de heilsgeschiedenis en daarom is onze tijd ook ‘verhaalde tijd’. De heilsgeschiedenis is onze storied pre-history (Buttrick).

Wij hebben allemaal onze ‘verhaalde voorgeschiedenis’. En wij interpreteren ons leven door verhalen opnieuw te vertellen en nieuwe verhalen toe te voegen. Zo wordt ons leven steeds weer in een ander en nieuw licht gesteld. In de christelijke gemeente als verhalengemeenschap zijn de verhalen over God deel van onze verhaalde voorgeschiedenis.

De belofte van Pinksteren is dat God zich door Woord en Geest steeds opnieuw openbaart waar deze verhaalde geschiedenissen van heil opnieuw verteld worden.

We hebben het hier dus over het goed recht van wat in de gereformeerde traditie met heilshistorische prediking werd bedoeld. Deze preek-traditie bedoelde daar kort samengevat het volgende mee. In de Bijbel openbaart God zich als de God van de Schepping en van het Verbond. De Bijbel vertelt ons de geschiedenis van Gods Verbond met Israël, en door Jezus Christus met de kerk. In Kruis en Opstanding van Christus is die heilsgeschiedenis volbracht, het Verbond vervuld. Allen die in Christus geloven delen in de weldaden van dat volbrachte verbond. De prediking is dus de uitdeling van die weldaden van het Verbond aan de gemeente en de oproep om daaruit in geloof te leven. De prediking doet dat door zo goed mogelijk de heilige Schrift uit te leggen en de rijkdom van die weldaden van Gods Verbond op te diepen en de heerlijkheid van Christus, de Middelaar van het Verbond, aan de gemeente ten toon te spreiden. Heilshistorische prediking is dus: verkondiging van Gods grote daden, eens en voor altijd volbracht.

Een schaduwzijde van deze heilshistorische prediking, die vooral focust op wat God gedaan heeft in de geschiedenis, is dat zij a) in de regel erg objectiverend en beschrijvend van toonzetting is; b) de Bijbel sterk vanuit één perspectief tot spreken laat komen, en de variëteit van de teksten nivelleert; c) God toch vooral de God van het verleden laat zijn. Dat God in het heden de levende God is, wordt zonder meer geloofd, maar wat dat betekent en vooral hoe dat werkt blijft onhelder. Hermeneutisch schiet deze heilshistorische prediking tekort. Zie ook Kees van Dusseldorp, Preken tussen de verhalen, 162-166, waar hij opmerkt hoe heilshistorie een uniformerende constructie kan worden. De door ons beoogde narratieve prediking is pneumatologisch gefundeerd in de overtuiging dat de verhaalde geschiedenissen van God in Israël en in Jezus Christus tegenwoordigheid van Geest bewerken, en hun kracht opnieuw bewijzen wanneer zij opnieuw verteld = gepredikt worden.

Dat is de theologisch-homiletische betekenis en basering van narrativiteit.

Hoe werkt narratieve prediking?

De preek van Petrus in het verhaal van Pinksteren laat zien dat waar door de Geest de verhaalde geschiedenissen opnieuw verteld worden er iets met die verhaalde geschiedenissen gebeurt. We zien dat in de preek van Petrus als het ware live gebeuren. Narratieve prediking is dus niet hetzelfde als navertellen wat er staat, en wat met een beetje goede exegese ook wel helder is. Parafraseren is iets anders dan de schriftlezing nog eens in eenvoudige woorden overdoen.

Dat andere heeft te maken met wat in de lijn van Aristoteles creative re-telling en mimetic re-creation heet. De Geest legt de Schriften uit in het licht van de komst van Jezus Christus, in relatie tot wat er in de werkelijkheid speelt. Dan gebeuren er dingen, met het verhaal en met die werkelijkheid. Dat gebeurt wanneer de horizon van de tekst en de horizon van de hoorders versmelten.

Onder die doorgaande belofte van versmelting van horizonnen staat de prediking. Wanneer de verhalen in de gemeente opnieuw verteld worden

Als cultural-linguistic community. Zie eerder over de betekenis van de christelijke gemeente als een taalgemeenschap: hoofdstuk III.

is daar een kloofde ruimte tussen het verhaal en de hoorders in hun werkelijkheid – en juist waar die kloof overbrugd wordt, gebeurt het. Daar horen de hoorders een ander verhaal, of horen zij het verhaal anders.

Zie voor het voorgaande uitgebreider onder Excurs 1 Aristoteles over verhaal – toegepast op de preek.

Zonder plot geen verhaal

Bij de voorbereiding en het schrijven van een narratieve preek draait alles om een goed plot, en een opbouw van de episoden die daar naartoe werkt. Zoals eerder verwoord: zonder plot geen verhaal. Wanneer we niet het plot van het verhaal = de preek hebben, en we gaan wel schrijven, dan is het resultaat vaak een parafraserend navertellen van de schriftlezing, waar de hoorder geen urgentie bij ervaart. Zijn levenswerkelijkheid wordt niet opengelegd door het (bijbel-)verhaal.

Daarvoor moeten we het plot hebben. Voor een narratieve preek is noodzakelijk dat we de in de voorbereiding gevonden betekenis van het bijbelverhaal vatten in een plot van een verhaal: waar werkt dat verhaal naartoe.

Een veel gestelde vraag is wat het verschil is tussen het plot bij de narratieve preek, en de focus bij het model van focus en function. Zij zijn vergelijkbaar, en vervullen in beide modellen een vergelijkbare functie, namelijk te verwoorden wat de betekenis is waar het in deze preek op aan komt. Het verschil zit in het model waarbinnen beide functioneren. Focus en function functioneren vooral binnen de preek als betoog, gericht op overtuigen, en dient daarbinnen het narratieve element in het betoog. Het ‘plot’ functioneert in de narratieve preek als ‘event-in-time’, een gebeuren in de tijd, waarin de preek mij meeneemt naar de ontknoping waarbinnen mij een ander zicht op de werkelijkheid wordt gegund.

Het gaat om het antwoord op een aantal basale vragen: wat staat in dit bijbelverhaal op het spel? Waar zet het verhaal onze werkelijkheid onder hoogspanning? Waar daagt het bijbelverhaal ons voor het gericht? Waar wil het verhaal mij aan het einde van de preek hebben?

Vgl. Walter Brueggemann in het slothoofdstuk van zijn Theology of the Old Testament. Testimony, Dispute, Advocacy. Minneapolis, 1997: ‘It is my sense that a community of interpretation that engages in a serious undertaking of Old Testament theology will itself be a community that attends to disclosing speech in a pluralistic context that is inescapably disputatious.’ En hij vervolgt met te zeggen dat de theologie van het Oude Testament ‘… an engagement with those speech practices, in order to adjudicate what is and what is not ‘true speech, that is, speech about the truth’ is. (743)

Dat is het eerste: een goed plot van het verhaal ontdekken en formuleren voor de preek.

En dan, ten tweede, vraagt een narratieve preek een opbouw van de preek als een spannend event-in-time. De verteller gaat met de hoorders op weg van begin naar einde, daar, in de gang van het verhaal, moet het gebeuren. De verteller kent het plot, en weet wanneer het moment daar is om het plot te onthullen. Het is eigen aan het plot van een verhaal, dat je die niet te vroeg prijs moet geven, want dan is de spanning weg. Zo is het ook met het homiletical plot bij de ‘Sermon as Narrative Art Form’. Zo luidt de sprekende titel van het boek van Eugene L. Lowry, een van de godfathers van de New Homiletics: een vernieuwingsbeweging in de homiletiek, die de preek als verhaal – de narratieve prediking – van een theoretisch fundament heeft voorzien.

Eugene L. Lowry, The Homiletical Plot. Vgl. ook hoofdstuk III noot 25.

Zie voor de verdere techniek van de preek als narratio en plot onder hoofdstuk IV.D Praktijken.

Noodzaak van diversiteit – de preek als getuigend betoog

Alle preken moeten narratieve aspecten bevatten, maar dat impliceert niet dat alle preken narratieve preken moeten zijn. Verhaal en betoog hebben allebei recht van spreken in de communicatie van een boodschap tussen mensen, en tot een groep mensen. Dat voorop. Een narratieve preek kan en zal op bepaalde momenten een betogend moment kennen, waarna de prediker overgaat tot getuigenis of verkondiging. Daarbij weet een goede redenaar dat zijn betoog weer aan kracht wint waar hij narratieve elementen invoert: de metafoor, de vergelijking, het voorbeeld (-verhaal), et cetera. Alleen daarom al pleiten we voor een diversiteit aan preekstijlen.

Maar er is meer. De diversiteit aan genres en thematieken binnen de Bijbel zelf vraagt om diversiteit in de prediking. De diversiteit van de hoorders vraagt er eveneens om. Bij dat laatste denken we aan culturele diversiteit, maar ook aan de verschillen tussen de hoorders in typen mens: doeners, denkers, woordgerichte en meer beeldgerichte hoorders.

Het is van belang dat de prediker zich hiervan bewust is. De Leercirkel van Kolb kan hierbij helpend zijn. Die onderscheidt vier manieren waarop mensen leren: 1. via het opdoen van concrete ervaringen; 2. via observeren en reflecteren; 3. via het formuleren van abstracte begrippen (conceptualiseren); en 4. door te experimenteren en actief te toetsen. Idealiter doorloopt kennisoverdracht steeds de hele cirkel. Maar – en dat is voor de preek van belang – mensen hebben ook hun voorkeur-leerstijl. De voorganger moet daarom ook voor zichzelf de vraag stellen waar hij of zij zit in de leercirkel. De hoorders zitten in alle vier velden van de leercirkel. In hoeverre spelen onze preken in op de diversiteit van de leertypen, of richt mijn preek zich (vooral of uitsluitend) op conceptualisten onder de hoorders, of (vooral of uitsluitend) op de doeners onder hen? Persoonlijkheidstypologieën zoals MBTI of Enneagram helpen om voorkeuren en aversies, sterke en minder sterke kanten te onderkennen. Een ander mogelijk helpend instrumentarium is het schema van Riemann met de vier persoonlijkheidstypen in zijn ‘Grundformen der Angst’. Engemann past de vier typen – schizoïde, depressieve, dwangmatige en hysterische – toe op de persoonlijkheid van de prediker, maar spiegelbeeldig kan dat ook gerelateerd worden aan de typen hoorders. Wanneer de prediker als persoonlijkheid vooral op de pool van de dwangmatigheid zit, zal dat complicerend zijn voor de hoorder die vooral op de pool van de vrijheid zit. Zie Wilfried Engemann & Frank M. Lütze, Grundfragen der Predigt. Ein Studienbuch. Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2006, 61-79. Vgl ook Schaap-Jonker die als het gaat om hoorders aandacht vraagt voor mensen met een stoornis in het autistisch spectrum en pleit voor heldere structuur, expliciete overgangen en uitleg bij het gebruik beelden in een preek. Hanneke Schaap-Jonker en Jannine van Schothorst-van Roekel (red.), Veilig bij God. Over autisme, geloof en kerk. Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2010, 107-112.

Kort door de bocht geformuleerd: preken moeten de taal van de tekst ademen, en de taal van de hoorders spreken. Voor dat laatste is nodig dat de prediker hun idioom kent en aanvoelt.

Een voorbeeld bij dat laatste: er is niets mis mee wanneer ik als witte, Nederlandse, woordgerichte, vrijzinnige protestant mij moeilijk kan toevertrouwen aan de eveneens witte, Nederlandse, van de Geest vervulde pinkstervoorganger, die voor de vierde keer met ongeveer dezelfde woorden getuigt van wat Jezus voor ons gedaan heeft, en ons oproept om ons leven aan de Heer te geven. Er is ook nog niet veel mis wanneer ik besluit de volgende keer een straatje om te gaan. Ook is het niet moeilijk uit te leggen, hoe het komt dat diezelfde witte, Nederlandse, woord-gerichte, vrijzinnige protestant zich tot zijn eigen verrassing wél laat meenemen door de zwarte voorganger van de Southern Baptist Church in de USA, wiens boodschap minstens zo direct op Jezus gericht is als in de preek van de witte Nederlandse pinkstervoorganger. Waar het op aankomt is dat ik als theoloog en voorganger aanvoel waaróm het zo werkt. Om de pinkstervoorganger met open vizier te kunnen ontmoeten en respecteren, en gesprekspartner te kunnen zijn voor gemeenteleden die zich juist in deze spiritualiteit thuis voelen.

Het kan ook dat je als voorganger bij jezélf constateert dat bepaalde preken, die je vroeger veel zeiden je nu niet altijd meer zo veel doen. Bijvoorbeeld preken over de verzoening door het bloed van Christus, en preken over de rechtvaardiging van de goddeloze. In de loop van de tijd kunnen andere lijnen uit de Schriften, uit de geloofstraditie en de spiritualiteit van de kerk meer voor je zijn gaan leven. Ook dat heeft te maken met de interactie van geloven en leven.

Zie Bert de Leede, ‘Discipelschap’, in: Willem Maarten Dekker e.a. (red.), Ankerplaatsen, 92-95.

Inculturatie vraagt dus om een diversiteit van vertolking van het evangelie, van prediking dus. Taalveld, sociale conventies, omgang met lichamelijkheid, fascinatie voor het vreemde, én afkeer van het vreemde wanneer dat te dichtbij komt: ze spelen allemaal een rol. En niet te vergeten de levensloop, de veranderingen in de maatschappelijke en culturele context waarin wij verkeren. ‘Wat in de lucht hangt’ bepaalt mede ons hoordersperspectief en daarmee onze ontvankelijkheid en toegankelijkheid voor bepaalde genres preken.

Dat alles vraagt om een diversiteit van prediking, waar de Bijbel zelf ook toe uitdaagt én waarvan de Bijbel tegelijk een kritisch tegenover is. Beide factoren vragen om verwerking in de preekpraktijk.

Genres in de Bijbel

De verschillende genres in de Bijbel vragen om verwerking in de prediking. Profetische teksten, wijsheidsteksten, verhalende teksten, gelijkenissen, teksten uit de Brieven, teksten uit de Apocalyps. Die verscheidenheid vraagt om diversiteit van preekinhoud, preekstijl, taal in de preek.

‘In de werkplaats’ (Miskotte) heeft de prediker bij de voorbereiding zijn ontdekkingen gedaan, en die leiden tot vaststellingen die vervolgens weer leiden tot keuzen voor opbouw, taal en stijl. Ergens in dit proces in de werkplaats valt de keuze voor een preek als verhaal-met-plot, of een preek als betoog volgens focus en function, met narratieve elementen, of de keuze voor een echte leerdienst volgens een klassiek schema van scopus-met-drie punten met of zonder toepassing. Het vraagt van de prediker als schriftgeleerde, als hermeneut, een goed ontwikkeld bijbels-theologisch geweten om recht te doen aan het genre van het betreffende schriftgedeelte, en een daarmee corresponderend genre van de preek.

Belang van de hoorders

Prediking is een vorm van inculturatie van het evangelie. Wij preken niet in het luchtledige, maar in loco. Dat alleen al is een communicatie-vereiste. Wat willen we zeggen tegen deze hoorders in hun taal en context? Maar het is meer dan een kwestie van communicatie-strategie. Het is ook een belofte en gebod vanuit Pinksteren en het werk van de Geest. Daarmee wordt diversiteit van preekinhoud, preekstijl, taal in de preek eveneens gegeven en gevraagd.

De prediker is de Joden een Jood en de Grieken een Griek.

Zo Paulus in I Korintiërs 9:19vv.

Hier tekent zich ook een spanningsveld af, dat we niet moeten ontlopen bij onze verwoording. De hoorder heeft recht op herkenning van wat gezegd wordt, en dat vraagt een taalveld dat bij hem of haar past. Tegelijk vormt zich rond de preek als tegenover een pluriforme en zelfs plurale gemeenschap van (potentiële) hoorders. Of beter: de preek als tegenover komt tót de hoorder van Christus-wege en vórmt door de Geest zo’n nieuwe gemeenschap van mensen die verschillend zijn. Dat vraagt van de hoorders erkenning en aanvaarding van wat – in de tekst én in de andere hoorders en hun anders-zijn – hem of haar vreemd is, en dat hem of haar tegelijk ook verrijken kan. Feitelijk gaat het hier dus weer over het spanningsveld van rooted en connected. De hoorder heeft recht op herkenning en gekend worden. De prediker heeft de roeping tegelijk óók, vanwege de tekst en de Zender, te vervreemden. Iets wat Brueggemann countertestimony noemt.

Iets vergelijkbaars geldt voor de specifieke verhouding van logos, ethos en pathos: die is altijd en overal aan de orde, maar is tegelijk cultureel bepaald. Dat wil zeggen dat de gemeente enerzijds een cultural-linguistic community is, een gemeenschap met een eigen taalveld en beeldtaal. Het ligt – om een voorbeeld te noemen – sociologisch, sociaalpsychologisch en godsdienst-psychologisch voor de hand dat een laagdrempelige liturgie met een voorganger op een podium, met grote aandacht voor het persoonlijke in lied en gebed in een nieuwe evangelische gemeente in een VINEX-locatie goed gedijt. Beter dan in een volkskerkgemeente in het Salland of in een hervormde gemeente in de Betuwe. Iets vergelijkbaars geldt voor het optreden van de voorganger, en de ‘passende’ eigen inkleuring van de verhouding van logos-ethos-pathos.

Anderzijds is er ook het correctief van de grote christelijke traditie als geheel die functioneert als een overkoepelende (katholieke) cultural-linguistic community, die de gemeenschap in loco ook overstijgt. Als dat correctief van de katholiciteit van de kerk niet functioneert, wordt de gemeente tot sekte.

De taal, de gewoonten, de grapjes: alles wordt dan incrowd.

Kortom – de Bijbel en het leven van de gemeente vragen om diversiteit van prediking: type prediking, stijl, inhoud, wisseling van narratief en betogend, en zo meer. Aan de hand van de in hoofdstuk III verwoorde onderscheiding van preekdoelen of – functies brengen we dat nader in kaart.

Heilsbemiddeling verwoord – ‘Het wordt ons (toe-)gezegd’

Het is vooral de Reformatie geweest die de ogen (weer) geopend heeft voor de prediking als scheppend woord, zoals op de eerste scheppingsdag licht tot aanzijn werd geroepen: ‘Er zij licht! En er was licht’. Dat gaat nog meer op voor de verkondiging van het evangelie. Wij verkondigen de werkelijkheid van de opstanding, want: ‘De Heer is waarlijk opgestaan!’ Wij verkondigen de opstanding en het leven onder de belofte dat de kracht van het opstandingswoord die werkelijkheid schept, waar die nu niet is. Die belofte is geen slag in de lucht omdat zij gefundeerd is in de werkelijkheid van de Opgestane, die leeft en wiens Rijk komt. Kortom – de Reformatie komt op voor de preek als betoog, in de zin van betuiging van de werkelijkheid van de Opgestane omdat die werkelijkheid er is. Het betoog ontleent zijn kracht aan het gegeven dat de woorden verwijzen naar wat onze ervaring te buiten gaat, een werkelijkheid buiten ons.

Deze fundering van de preek als verkondiging van een scheppend woord, is diep verankerd in de overtuiging van de Reformatie dat God zich openbaart door Woord en Geest. En God doet dat waar de Bijbel wordt gelezen en uitgelegd met het oog op Christus en de komst van zijn Koninkrijk. De Schriften zijn daarvan getuigenis. Die wordt in de kerkdienst gelezen als een gezaghebbende, canonieke tekst. Daarmee krijgt de verkondiging van wat God gedaan heeft in de geschiedenis van Israël en in de Weg van Jezus van Nazareth, het karakter van belofte, die zich realiseert waar zij geloofd wordt.

Al vanaf Abraham is het zo en niet anders. De relatie van God en mens is er een van roeping en gehoor geven en van geloof en antwoord. Zo is het nog. We citeren Luther: ‘God heeft zich nooit anders tot de mensen in betrekking gesteld, óf doet dat nog, dan door het woord der belofte. En omgekeerd is het zó, dat wij ons nooit anders met God in betrekking kunnen stellen, dan in de weg van het geloof aan het woord zijner belofte.’

Maarten Luther, De Babylonische gevangenschap van de kerk: brief aan Paus Leo X; de vrijheid van een christen. Geciteerd bij F. G. Immink, Het heilige gebeurt, 143.

Hier zoeken wij de theologische bedding voor de preek als betoog in de protestantse traditie: in het woordgebeuren als openbaringsvorm, in de verkondiging van het evangelie, van Christus, de kracht Gods en de Wijsheid van God. De preek als aanspraak, op de wijze van de toe-spraak (de belofte) beoogt aanraking, toe-eigening, en daarin is zij een kracht tot verandering, tot bekering, geloof en tot toewijding.

H. de Leede, ‘De preek als aanspraak en aanraking’, in: Maarten den Dulk e.a. Verlegen om een goed woord, 49.

Deze reformatorische concentratie op de openbaring als woordgebeuren rond het Woord Gods in Bijbel en prediking, heeft in de dialectische theologie geleid tot een grote reserve ten opzichte van het instrumentarium van de retorica. Alle retoriek werd gezien als een afleiding van het horen van het Woord in de uitleg.

‘Wo Gott verkündigt wird, da ersterben die armseligen Versuche menschlicher Redekunst,’ schreef Eduard Thurneysen in 1921. E. Thurneysen, ´Die Aufgabe der Predigt´, (1921) in: G. Hummel (ed.) Aufgabe der Predigt. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1971, 112.

Latere ontwikkelingen en nieuwere inzichten in communicatieprocessen hebben laten zien dat dit een overdrijving is en dat het ook niet klopt. Retoriek en alle aspecten die daarbij in het geding zijn – verbale en non-verbale vormen van expressie – doen volop mee.

Josuttis, Otto en anderen hebben laten zien dat onverlet de inzet van de openbaringstheologie van Barth e.a. de preek een vorm van communicatief handelen is, dat voldoet aan alle daarbij spelende aspecten van de retoriek: gevoel, dialoog, inbreng van het eigen ‘ik’ van de prediker et cetera.

Hoe werkt een preek als verkondiging of betoog in de zin van ‘betuiging’?

Het geheim van de preek als verkondiging, of de kerygmatische prediking, is het spreken in de directe rede, de aanspraak, en het gebruiken van de dialoog ten dienste van die directe aanspraak. Dat zien we de profeten doen.

De profeten spreken het Woord van God in de directe rede, het volk wordt via een toespraak aangesproken. Maar voortdurend nemen zij de vragen en de tegenwerpingen van het volk, of van de vijanden van Israël daarin op. Dat geeft er die dialogische toonzetting aan. Zij gaan een geding aan met het volk, met de geestelijk leiders of met andere hoorders, al naar gelang hun ‘front’, hun doel of de context van hun hoorders. Soms ligt de nadruk van hun boodschap en dus hun aanspraak op het wat, de inhoud; soms op het wat niet; andere keren op het voor of tegen wie of wat. Maar altijd in de directe rede én in dialoog. Die aanspraak in dialoog kan kritisch zijn, uitlopend op een aanklacht. Ze kan ook pastoraal zijn, vol mededogen, uitlopend op bemoediging en belofte.

Dit spreken in de directe rede kenmerkt ook het evangelie en de prediking van het evangelie. Het evangelie zelf is aanspraak, goede boodschap: ‘Zie, ik verkondig u grote blijdschap!’ We zien het Jezus zelf doen in aanspraak en dialoog. De discipelen worden daartoe uitgezonden. We zien het de apostelen doen na Pinksteren. We lezen de neerslag ervan in het boek Handelingen. De toespraak van Paulus op de Areopagus is een sprekend voorbeeld van die combinatie van directe rede, aanspraak en dialoog.

Met Noordmans kunnen we de Brieven in het Nieuwe Testament zien als neerslag van wat met het evangelie van kruis en opstanding gebeurt na Pinksteren, dat wil zeggen door de Geest in het midden van de gemeente. De Geest herschept de inhoud van de evangeliën, in het bijzonder het gebeuren van kruis en opstanding. Hij vormt Golgotha en de boodschap van het lege graf om tot de scheppende oordelen in de prediking: het oordeel van de vreemde vrijspraak, van rechtvaardiging en heiliging, van verzoening en vergeving, et cetera.

Noordmans schrijft in gesprek met Van der Leeuw over het eigene van het werk van de Heilige Geest: ‘Het werk van de Heilige Geest geeft juist geen aanleiding tot het opstellen van een mysterieleer. Hij heeft tot metgezel het Woord, in die klare en ware zin, waardoor de heilsgeschiedenis ons wordt gepredikt als een opeenvolging van goddelijke oordelen, die aangaande hun betekenis geen twijfel overla­ten. Deze prediking des Geestes, die alles uit het werk van Jezus Christus neemt, laat zijn geschiedenis niet één geheel blijven, zoals de mysterieleer dat eist, maar breekt die in stukken en verklaart van elk stuk de heilsbete­kenis. Daarnaar richtte de Westerse kerk zich in beginsel. Augustinus sprak er zo over in zijn Enchiridion en de Heidelbergse Catechismus vraagt nog steeds: Wat nut u dit? en: Wat nut u dat?’ [Cursivering HdL en CS]. O. Noordmans, ‘Het Koninkrijk der hemelen. Toelichting op de Heidelbergsche catechismus zondag 7 tot 22’, in: Verzameld Werk Deel II. Kampen: Kok, 1979, 466. Vgl. ook Noordmans in een zeer gecondenseerde passage in Herschepping: ‘De vleeswording wordt opgenomen in het werk des Heiligen Geestes. – Daarin ligt een tegenstelling opgesloten, die de kerk in de prediking niet altijd voldoende in het oog heeft gehouden. Het werk des Heiligen Geestes is de voortzetting van de vleeswording. Maar het Evangelie wordt daardoor natuurlijk niet afgelost. Het is één trinitarisch werk. Zoals de creatie niet als iets normaals, buiten de incarnatie om, verstaan kan worden, maar als christelijk begrip moet worden genomen, zo kunnen wij de heils­feiten ook niet door historisch-grammatische uitlegging vruchtbaar maken in de toespraak. Zij moeten worden ondergedompeld in de Pinkstergeest, waardoor de discipel tot apostel wordt. De paulinische tegenstelling tussen vlees en geest spreekt daarbij niet mee. Het is geen kwestie van een vervluchtigen van de heilsfeiten; van vergeestelijken van wat historisch is. Wij bevinden ons hier in de wereld der oordelen Gods. Vleeswording is meer dan geboorte; opstanding meer dan onsterfelijkheid; hemelvaart meer dan scheiding van de aarde. Dat meer­dere staat telkens niet in tegenstelling met de Geest, maar is juist niet te verstaan zonder de Geest. Dat blijkt weer heel duidelijk, als wij goed in gedachten houden, dat het Evangelie gepredikt moet worden. Het is geen begrip en geen idee, maar een Woord. De prediking van Jezus’ lijden, sterven, opstanding zal in de toespraak altijd verband houden met de troost, die tot het ambt van de Heilige Geest behoort.’ O. Noordmans, Herschepping, iIn: Verzameld Werk Deel II, 286-287. Met name de laatste zinsnede raakt de kern van waar het ons hier om te doen is: in de preek worden Christus’ lijden, sterven en opstanding tot de bevrijdende oordelen van verzoening, rechtvaardiging, vergeving en vernieuwing.

Want wij kennen Christus van nu aan niet meer naar het vlees, aldus Paulus.

Kernteksten uit de Brieven, zoals Romeinen 6:1-14, laten ons horen wat dat betekent. Bij de doop wordt de geschiedenis van Jezus van Nazareth door lijden en sterven heen naar zijn opstanding en verheerlijking als HEER en Christus, tot Woord en sacrament, tot vrijsprekend oordeel en werkelijkheid van heil. Paulus’ ‘preek’ eindigt daarom in vers 11-14 met de directe aanspraak om in die werkelijkheid te staan en eruit te leven.

Dat is het wat in de prediking als verkondiging gebeurt. Het in Jezus Christus geschiede heil wordt tot vrijsprekend oordeel en geschiedend heil. Kerygmatische prediking ontstaat waar wij zo de Evangeliën door de Geest lezen en interpreteren, en waar wij zo in de gemeente door de Geest de geschriften van de Tenach lezen: met het oog op Christus, zijn Koninkrijk en zijn gerechtigheid. Waar springen dan de oordelen van Gods ja en van zijn neen – dat altijd zijn ja beoogt! – naar voren? Met een citaat van Noordmans: ‘Het Evangelie is geen menselijk verhaal, maar een goddelijk Woord. Jezus is zelf het Woord. Wanneer dit zo is, dan verstaat een ieder dat uit het Evangelie bepaalde stukken naar voren moeten komen. Het gaat er mee als met iemand die spreekt. Dan krijgen niet alle woorden dezelfde klemtoon, maar sommige wijken terug naar de achtergrond, terwijl op enkele de volle nadruk valt. Zo gaat het ook in het Evangelie, als het verkondigd wordt en met het vleesgeworden Woord, als het beleden wordt. Dan worden de oordelen Gods hoorbaar en de beloften van het Evangelie. Op die wijze bestaat het Koninkrijk der hemelen. Het is een regering Gods door Woord en Geest.’

O. Noordmans, Verzameld Werk Deel II , 503.

Focus en function

Hoe vind je nu die kern: die belofte van het evangelie; die Stem in het gebeuren, die mij aanspreekt; dat woord dat mij in de vrijheid zet, of dat met mij een geding aangaat; de Stem van de Levende, die mij voor het recht daagt, of voor mij in het recht treedt? Om die kern en daarmee de verhaallijn van de preek te vinden, helpt het ordeningsmodel van focus en function het meest adequaat. Met name de inzichten vanuit de klassieke retorica – zie Excurs 2 over Quintillianus – zijn in dit model goed van toepassing.

Inwijding verwoord – ‘Hier weidt mijn ziel met een verwonderd oog’

Psalm 27 vers 2, Liedboek 2013.

Een beroemde passage uit de Belijdenissen van Augustinus verwoordt op een prachtige wijze wat het betekent God lief te hebben, of lief te gaan krijgen.

Maar wat heb ik lief als ik u liefheb? Niet een mooi lichaam, geen schoonheid die voorbijgaat, geen licht dat onze ogen graag zien, geen mooie melodieën van allerlei liederen, niet de fijne geur van bloemen of van parfum of zalf, geen manna en geen honing, niet een lief lichaam om te omhelzen. Dat heb ik niet lief als ik mijn God liefheb. En toch heb ik wel zoiets lief als licht, zoiets als een stem en als een geur, zoiets als voedsel en als een omhelzing, als ik mijn God liefheb: hij is licht en klank en geur en voedsel, hij is de omhelzing van mijn innerlijke mens, waar voor mijn ziel oplicht wat niet aan plaats gebonden is, waar klinkt wat de tijd je niet afneemt, waar een geur is die niet op de wind verwaait, waar smaken niet minder wordt door eten, waar omhelzing niet loslaat door verzadiging. Dit heb ik lief als ik mijn God liefheb.

Aurelius Augustinus, Confessiones. Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Wim Sleddens O.S.A. Budel: Damon, 2009, Boek X8, 219.

Godsdienstige kennis is, pneumatologisch gezien, altijd bemiddelde kennis. We kennen God door ervaringen van Hem in wat zich aan ons en in ons voordoet. God komt op ons toe in de ervaring van schepselmatige dingen, schepselen, natuurervaringen. Die worden tot symbolen, sacramenten, vehikels naar die andere werkelijkheid. Dat gebeurt niet automatisch, maar is vrucht van de interactie van openbaring en ervaring, van de wisselwerking tussen verhalen en receptie van verhalen in de liturgie. Dat is het wezen van de kerkdienst: de liturgie. In de verbinding van Woord en Geest, van woord en symbool, van prediking en viering, van Woord en sacrament, komt het tot ervaring van Gods tegenwoordigheid. In dat alles gaat het om bemiddelde kennis; nergens verliest het zijn relatie met materialiteit: woord, taal, gebaar, symbool, brood, wijn, water, handdruk, muziek, et cetera.

Vgl. M. Brinkman, Schepping en Sacrament. Een oecumenische studie naar de reikwijdte van het sacrament als heilzaam symbool in een weerbarstige werkelijkheid. Zoetermeer: Meinema, 1991, 169. ‘De materialiteit, de aardsheid van het sacrament bepaalt ons erbij, dat we in de in het sacrament gegeven heilservaring de creatuurlijke werkelijkheid niet ontstijgen. Via de symbooltaal die eigen is aan elk aspect van de aardse werkelijkheid, komt in het sacrament een hele “wereld” van ervaringen mee.’ Vgl. ook: Anton Houtepen God een open vraag. Theologische perspectieven in een cultuur van agnosme. Zoetermeer, Boekencentrum 1997. In zijn zoektocht naar ‘sporen van God’ gaat het Houtepen om antwoord op de vraag: kunnen antropologische gegevenheden als verlangen (naar oriëntatie, het hier en nu voorbij), vertrouwen (‘basic trust’), verzet (gevoeligheid voor de klacht van de lijdende en de aanklacht tegen – ons als – de dader) en vergeving (als het alleen ‘bij God mogelijk’ doorbreken van geweld en wraak) locus dei worden? Kan een nieuw besef van de kwetsbare ander en van de gratuïteit, het geschonken zijn van de dingen en het besef dat dat onschendbare, heilige geheimen zijn, weer vindplaats voor God worden?

Godskennis is bemiddelde kennis: zoals we lezen in bovenstaande passage uit de Belijdenissen.

In die wijze van kennen moeten mensen ingewijd worden. Kennen van God, godsdienstige kennis is een wijze van ‘kennen’ die meer te maken heeft met ‘zien’, ‘proeven’ en ‘tasten’, dan met rationaliteit. Toe-eigening van deze kennis is meer dan leren. Het is een zien, een proeven, een tasten, een ruiken, maar het is van een andere orde dan de aardse equivalenten van dat alles. Het is een innerlijk zien, een kennis van de ziel, en die kennis heet liefde.

Die wijze van kennis moet je leren, doordat iemand je in die wijze van kennen voorgaat en inwijdt.

We bevinden ons hiermee op het gebied van de mystagogie. De geestelijk begeleider gaat de wijdeling (mystè), voor en leidt die in (agein) in de ervaringskennis van God en van het leven met God. Het catechumenaat, op weg naar de doop in de Paasnacht was eigenlijk een weg van inwijding, mystagogie. Dat vraagt allereerst ontvankelijkheid voor wat op je afkomt. Het vraagt dat je gaat zien door te leren kijken. En vervolgens vraagt het dat we de Schepper achter en in dat wat we zien, gaan zien en aanbidden. De – theologische – overtuiging onder dit alles is dat wanneer de werkelijkheid zich opent, zij naar God zelf verwijst. Deze overtuiging is diep verankerd in de incarnatie, en de duiding van de werkelijkheid als ‘geschapen in en met het oog op Christus’. We horen dit resoneren in een citaat van Van Peursen:

‘Soms openbaart de werkelijkheid iets van haar betekenis. Dat gebeurt als zij door haar overvloed aan betekenis openbarst in concrete gebeurtenissen. De werkelijkheid explodeert dan als het ware.’ Van Peursen vervolgt: ‘… de ervaring van een dergelijke openbarsting van de betekenisvolle werkelijkheid is zo sterk en dringend, dat de mensen die getuige zijn van de gebeurtenis niet anders kunnen dan erover verhalen. Ook als woorden lijken te ontbreken en in het besef dat woorden sowieso tekort schieten, zoeken en stamelen zij om het onzegbare toch gezegd te krijgen of zoeken zij naar andere (kunstzinnige) uitdrukkingsvormen.’ C. A. van Peursen, Verhaal en werkelijkheid: een deiktische ontologie. Kampen: Kok Agora, 1992, 187.

Om zo te gaan zien en te komen tot echte kennis, moeten we eerst met nieuwe ogen leren kijken. Dat vraagt niet minder dan wedergeboorte, van boven geboren worden, om te zien met andere ogen, aldus het Evangelie van de inwijding, het Johannesevangelie.

Met name Johannes 3:1-21, het gesprek van Jezus met Nicodemus.

Dat stempelt dan ook mystagogische prediking, de prediking als inwijding. Die heeft enerzijds heel oude wortels in de praktijk van de vroege kerk, met name in de toeleiding naar de viering van de eucharistie. Maar zij heeft ook voldoende aanhaakpunten bij de Reformatie, in een meer pneumatologisch, en daarmee meer relationeel verstaan van openbaring.

Kerygmatische prediking past vooral bij een sterk christologisch verstaan van de openbaring, en heeft daarmee onmiskenbaar sterke wortels in de Reformatie. Voor de reformatorische variant van mystagogische prediking moeten we veel meer zijn bij de predikers van de Nadere Reformatie. De zogeheten heilsordelijke prediking, met een nadruk op onderscheiding van stadia van de geloofsweg, is een vorm van prediking, gericht op inwijding. Zie ook hoofdstuk I, noot 17.

Hoe werkt prediking als inwijding?

Mystagogie, begeleiding op de geestelijke weg, gaat over het leven coram deo midden in de dagelijkse dingen. We zien dat weerspiegeld in de aangehaalde passage van Augustinus en bij Van Peursen.

Zie noot 83 en 85.

Wat is leven met God en navolging van Christus in wisselende tijden en stemmingen van het menselijk leven: bij vreugde over leven, samenleven, liefde, nieuw leven, werk en dagelijks brood, vrije tijd en een glas wijn. En in tijden van gebrek, verlangen, zorg, uithouden en afzien, aanvechting en twijfel, ziekte en dood.

Daarover gaan de Psalmen, de Spreuken, het Hooglied. Daarover gaan vele passages in de Evangeliën en de Brieven. Daarover gaat het Boek Job en daarover spreekt de Prediker. Samenvattend: daarover gaat het bij wat Miskotte noemt het Tegoed van het Oude Testament.

K.H. Miskotte, Als de goden zwijgen. Over de zin van het Oude Testament. Haarlem: Uitgeversmaatschappij Holland, 1966, 145-229.

Prediking als inwijding gaat in principe over alle aspecten van de menselijke conditie – de grilligheid van het menselijk leven – en daarmee de stof van met name de wijsheidsliteratuur. Hoe werkt die binnenzijde van het geloof in God in het leven van mensen, naar lichaam en ziel, in drift, verlangen, vreugde en angst?

Kenmerkend voor de preek als inwijding is dat zij spreekt in de indirecte rede. Daar ligt het grote verschil met de kerygmatische preek, de prediking als heilsbemiddeling. Daar gaat het juist om de directe rede, verkondiging, aanspraak. Het komt dan aan op het scheppende W/woord. Bij de mystagogische preek gaat het om dialoog, meer zoekend en tastend, goede vragen stellend, wat er in het verborgene al is doen ontluiken, laten zien. Het gaat om evocerende taal die verbeelding wakker roept. Vaak is dat beeldende en meerlagige taal. De prediker is dan de vroedvrouw (maieut). Zij helpt geboren worden, koestert wat rijpt, ondersteunt wat kwetsbaar is, en gaat voor waar iemand geen weg weet.

De passende preek is de homilie, de paraklese, en soms het marturia. Meestal zijn mystagogische preken narratieve preken, volgens het model van plot en narratio: de prediker gaat van episode naar een volgende episode, en langzamerhand ontdekt de gelovige nieuw land, nieuw gebied in het geestelijk leven.

Actualiteit

Deze functie van de prediking is misschien wel de meest nodige in een cultuur die zo arm is aan God-talk. ‘Prima dat je mij vertelt hoe het zit, maar zeg mij vooral hoe het werkt.’ Deze zin vat het verlangen van veel hoorders samen. Zij willen weten hoe geloven in God wérkt. Dus: wie is God voor de prediker zelf? Dat vraagt de hoorder van de preek als inwijding. Hoe houdt iemand – dus: hoe houd jij als prediker! – het uit als gelovig mens in een werkelijkheid die zo verwarrend kan zijn, zo ver van het Koninkrijk en zijn gerechtigheid. Hoe houdt iemand – dus: jij als prediker! – het uit met zichzelf, ook vaak ver weg van wat de bedoeling is. ‘Wijd mij in, ga mij voor in een voor mij vreemd en onbekend gebied van geloven in God en leer mij onderscheiden,’ dat vraagt de hoorder van de bevindelijke preek. Dit vraagt om verwoording in ervaringstaal, op het niveau van de affectieve en de wilsdimensie.

In deze postmoderne tijd wordt van mensen gevraagd om invulling aan hun eigen leven te geven. Daarbij is er weinig meer voorhanden aan bedding voor geloven, bidden, doorgeven aan je kinderen. Wat moet je hen zeggen op de vraag wie God is, wat Jezus gedaan heeft en waarom het goed is om dat allemaal te geloven. Daarom moet prediking bevindelijk zijn, ze moet inwijden in de binnenkant van het geloof. Dit blijft actueel, is dat meer dan ooit.

Geloofsonderricht verwoord – Altijd bereid tot verantwoording

I Petr. 3:15. We nemen in deze paragraaf beide typen prediking samen: geloofsonderricht en geloofsverantwoording. Beide zijn vergelijkbaar wat betreft de verwoording.

Vanouds hechtte de Reformatie een groot belang aan de prediking als onderricht, geloofsonderricht in en van de gemeente. We zagen eerder waarom.

Hoofdstuk I en hoofdstuk III.B.2.

Het protestantse geloofsbegrip legt grote nadruk op de relatie van ‘kennen’ en ‘vertrouwen’, en daarmee op het grote belang van de ‘rechte kennis’ van God. Ten tweede is de Bijbel bron en norm voor geloven en belijden, en daarmee ook voor de prediking. Dus moest het onwetende volk zijn Bijbel leren kennen. Daarom veel onderwijs in de preken. Het gaat om de juiste uitleg van de Bijbel. De rechte kennis en het juiste belijden zijn van fundamenteel belang in het protestantse geloofsbegrip.

Dat alles leidde tot een grote nadruk op het didactisch accent in de prediking. Expliciet gebeurde en gebeurt dat in de leerdienst met de prediking vanuit de Heidelbergse Catechismus. Maar ook de praktijk van de lectio continua nodigde uit tot een didactisch accent in de prediking. Het besluit tot de opleiding van de dienaren des Woords aan de op te richten universiteiten – ook met het oog op kennis van de klassieke talen en van de dogmen-geschiedenis – versterkte een en ander nog eens fors. Met name in de achttiende en de negentiende eeuw kwam meer en meer het accent op de leerrede van de geleerde dominee.

Vgl. Gerben Heitink, Biografie van de dominee, 97-100. Zie ook noot 2.

Inmiddels zijn de meningen ingrijpend veranderd op wat van de preek verwacht mag worden, en hoe de preek in het geheel van de kerkdienst functioneert. Past geloofsoverdracht via een preek nog wel bij nieuwe inzichten in leren? Is een leerdienst met een monoloog vanaf de kansel nog een geëigende vorm van leren, in een tijd waarin alle leren interactief en multimediaal is? De vraag stellen is hem beantwoorden. De snelle verdwijning van de klassieke catechismus-prediking, en van de traditionele avonddienst als leerdienst, is illustratief. Toch betekent dat niet einde verhaal voor de kerkdienst als plaats van geloofsonderricht.

Ook in de eenentwintigste eeuw is geloofsonderricht een wezenlijke functie van de preek, en vraagt daarmee om een eigen gestalte van de preek. Wat bedoelen we met de preek als geloofsonderricht?

De kerkdienst als godsdienstoefening

Met deze wat in onbruik geraakte omschrijving van een kerkdienst situeren we het eigene van de preek als geloofsonderricht. Een kerkdienst is (ook) een vorm van godsdienst oefenen. Leren, in de betekenis van het Duitse lernen houdt binnen de christelijke gemeente in dat we ons oefenen in het dienen van God. En leren, in de betekenis van het Duitse lehren houdt in dat wij de gedoopten ‘leren onderhouden al wat Christus geboden heeft’.

Matt. 28:16vv.

Door de prediking als geloofsonderricht ondersteunen wij de volgelingen van Christus bij hun vragen van geloven en leven. We leren hen wat en hoe te bidden.

Matt. 6:5-15.

We leren hen te onderscheiden waar het op aan komt. We helpen hen als christen te leven en zich te verantwoorden, door verantwoording af te leggen van de hoop die in ons is.

I Petr. 3:15vv.

Het is helder dat de focus van deze kerkdienst en de preek is gericht op de gelovigen, met het oog op hun navolging van Christus. Hoe die gestalte te geven, en hoe die te verantwoorden voor wie in deze pluralistische samenleving daarnaar vraagt. Daarom gaat het in de leerdienst als oefening van de discipelen in het dienen van God.

Geloofsonderricht als oefening-in-godsdienst

De prediking in een leerdienst is dus iets anders dan overdracht van kennis van de Bijbel of van de geloofsbelijdenis. Daarvoor zijn er de catechese en het leerhuis, of men leest een goed boek, of zoekt op internet naar het vele uitstekende materiaal dat daar te vinden is. Het gaat in de leerdienst om oefenen. Dat doe je samen, en dat doe je in relatie tot de praktijk, de toepassing.

Dat laatste is overigens ook de leerstijl die de Heidelbergse Catechismus van meet af aan hanteert in de stijl van vragen als: ‘Wat nut u, dat gij dit alles gelooft?’ ‘Wat is de opstanding van Christus voor ons?’ De catechismussen beoogden in een schriftcultuur met een hiërarchische gezagsstructuur van leraar-leerling, de leerlingen op deze wijze te oefenen in het dienen van God.

Voor de prediking als geloofsonderricht, oefening in godsdienst en oefening in geloofsverantwoording in onze tijd kunnen we denken aan een aantal vormen.

Voorbeeld: Tim Keller

Tim Keller, Preken. Geloof overbrengen in een sceptische tijd. Franeker: Van Wijnen, 2015.

In de jaren 2000 en volgende hebben velen de diensten van Tim Keller in Redeemer Church in New York/Manhattan

Zie www.redeemer.com. Voor een inhoudelijke grondige kennismaking met de visie van Keller op missionair kerk-zijn in de stad, en een aanzet tot gesprek daarover met het oog op de Nederlandse context: Tim Keller, Centrumkerk.

als een inspirerende vorm van godsdienstoefening ervaren.

De prediking van Keller is een voortgaand apologetisch gesprek tussen christelijk geloof en postmoderne cultuur van pluralisme en individualisme. De prediking is gericht op het aanreiken van woorden om het eigen geloof te verantwoorden. Het doel is gelovigen te ondersteunen in hun leven als discipel in de dagelijkse context van leven, wonen en werken, relaties en mogelijke tegenslagen op de levensweg. Daarom is een vast onderdeel van de dienst ook het gesprek met gelovigen – bekende namen, maar zeker ook niet-bekende, gewone medegelovigen uit de eigen gemeenschap – over ‘hoe het leven als discipel werkt’. Een basale overtuiging onder deze prediking is dat het christelijk geloof een rationeel goed te verantwoorden keuze is om in de werkelijkheid te staan. De preken willen een combinatie zijn van cognitieve verantwoording en uitnodigende toepassing op de praktijk van het postmoderne leven in deze tijd.

Tim Keller, In alle redelijkheid. Christelijk geloof voor welwillende sceptici. Franeker: Van Wijnen, 2008. Kellers eerste boek dat internationaal grote aandacht trok, is daarvoor exemplarisch. Vgl. ook Tim Keller, Centrum-kerk.

Voorbeeld: round table sermon

Een totaal andere vorm van lerende prediking is wat John McClure en Lucy Atkinson Rose beogen met hun pleidooi voor Preaching in the Roundtable Church. Rose en McClure pleiten voor een conversational preaching, waarbij voorganger en gemeenteleden zonder onderscheid rond de tafel zitten, met de tekst in hun midden. Het gesprek dat dan ontstaat, wordt de preek, of is eigenlijk prediking. Rose: ‘In conversational preaching the preacher and the congregation are colleagues, exploring together the mystery of the Word for their own lives as well as the life of the congregation, the larger church and the world. The preacher and the congregation gather symbollically at a round table without head or foot, where labels like clergy and laity disappear and where believing or wanting to believe is all that matters. Here the preacher is neither the expert in scriptural interpretation nor the answer-person in matters of faith. Here the preacher is simply the one responsible for putting the text and the sermon in the midst of the community…’

Lucy A. Rose, Sharing the Word. Preaching in the Roundtable Church. Louisville: Westminster John Knox Press, 1997, 4. Vgl. ook John McClure, The Round-Table Pulpit. Where Leadership and Preaching Meet. Nashville: Abingdon Press, 1995.

Deze visie op prediking en dit pleidooi om maximaal recht te doen aan de inbreng en het inzicht van de gemeente in de Schriften, is bij McClure en Rose ook een sterke reactie op de prediking vanaf de kansel die volgens beiden per definitie autoritair is.

Ongetwijfeld kunnen zij daarvoor veelvuldig naar de praktijk verwijzen van autoritaire predikers-oude-stijl, maar het is de vraag of het principieel klopt dat een monologische prediking per definitie autoritair is. En of een sterke inzet bij gelijkheid van de deelnemers aan het rondetafelgesprek – de voorganger is hierbij vooral de pastor die de deelnemers ruimte geeft zelf te groeien door het gesprek rond het Woord – vrijwaart van een andere vorm van manipulatief optreden van de pastor. Deze heeft als geestelijk begeleider of therapeut altijd al een voorsprong op de deelnemers.

Hermeneutisch uitgangspunt bij met name McClure is dat er geen sprake is en kan zijn van één samenhangende ‘waarheid’, en daarom ook niet van één samenhangend verhaal. Iedere deelnemer van het gesprek rond de tafel maakt zijn eigen taalspel, en uit het gesprek ontstaat een gezamenlijk taalspel voor dat moment. Dat ís prediking, aldus McClure.

Vgl. voor de wijsgerige onderbouwing van zijn hermeneutiek: John S. McClure, Otherwise Preaching. A postmodern ethic for homiletics. St. Louis (Missouri) Chalice Press, 2001, hoofdstuk 5 ‘Reason and the Other’. Zie ook O. Wesley Allen, The homiletic of All Believers. A conversational approach.Louisville (Kentucky): Westminster John Knox Press, 2005 die de conversationele homiletiek fundeert in een conversationele ecclesiologie.

Voorbeeld: Catechismus-prediking

Een beproefde vorm van de leerdienst-prediking is de prediking uit de Catechismus. Die houdt haar goed recht, indien zij dichtbij blijft waar zij ook voor bedoeld is: oefening in God dienen.

De vraag-antwoord structuur van de Heidelberger is niet allereerst gericht op het inprenten van kennis, maar op toe-eigening van beloofde geloofsinhoud. De kunst is dus om die doelstelling te vertalen in de leerdienstpreek over de catechismus. Dat impliceert dat de prediker in de voorbereiding steeds moet zoeken naar de scopus van de betreffende Zondag van de Heidelberger voor het geloof. Wat is hier het nut voor het geleefde geloof? Wat voegen vraag en antwoord van het leerboek daaraan toe? En hoe voert het antwoord ons naar de toe-eigening van deze geloofsinhoud in het geleefde geloof.

Voorbeeld: lectio continua als geloofsonderricht nieuwe stijl

Tot slot kunnen wij ons een vorm van lectio continua voorstellen die iets anders is dan een bible-class of een leerhuis, en die vraagt om de vorm van de preek. We kunnen denken aan een thematische lezing van de boetepsalmen, of het bijbelboek Job, of Prediker. Waar het om gaat is dat steeds gefocust wordt op de oefening in het dienen van God: oefening in de navolging van Christus en het getuigend leven, woorden krijgen om het eigen geloof te verantwoorden voor niet- of andersgelovigen, et cetera.

Scopus en explicatie en applicatie

Bij een aantal van de hiervoor genoemde vormen van prediking als geloofsonderricht kan het derde model van preekvoorbereiding zeer helpend zijn: scopus – explicatie – applicatie of de puntenpreek. Er is een thema of motto, vaak is dat de scopus van de preek. Dan volgt een aantal – vaak drie – punten. Zij fungeren als kapstokken bij het schrijven en luisteren. Het komt bij leren aan op helderheid; daarbij kan dit model uitstekend dienen.

Bij leren komt het ook aan op doseren, keuzen maken en maat houden in aan te bieden stof.

De catechismuspreken die vraag en antwoord uitlegden zonder duidelijke scopus, hebben bij velen de weerzin tegen de leerdienst opgeroepen: het werden uiteenzettingen van kennis, die niet beklijfden maar irrelevant werden bevonden.

De scopus-methode kan hier helpen. De drieslag loopt uit op de applicatie. Dat dwingt de prediker om in de voorbereiding eerst zelf helder te krijgen what is in it for me? Weet ik als prediker zelf waarom de betreffende geloofsinhoud belangrijk is voor het leven als christen in deze wereld? Dan pas kunnen we gaan schrijven. We schrijven dialogisch, wat een echte leeromgeving vraagt: samen leren. De applicatie is de oefening van de dienst van God in actu: tijdens het leren van voorganger en gemeente samen. Dus in de leerdienst is de preek bij uitstek een monoloog op de wijze van de dialoog.

Uitdrukking van De Kruijf voor de essentie van de prediking als aanspraak: monoloog op de wijze van de dialoog. Zie hoofdstuk I.B noot 31.

Voor de verdere techniek van de preekvoorbereiding volgens het model van scopus-explicatie-applicatie zie hoofdstuk IV.D Praktijken.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken

Lid worden