Menu

Premium

Je eigen gang gaan of het pad van de Heer volgen

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Bij Micha 4,1-5 en Johannes 21,15-24

In de profetie van Micha wordt een onderscheid gemaakt tussen de paden die bewandeld worden door hen die opklimmen naar de berg vanwaar de Heer zijn onderrichting geeft, en de paden die bewandeld worden door hen die niet opklimmen naar die berg. Tegenover alle volken die voortgaan ‘ieder in de naam van zijn god’ (Septuaginta: ‘ieder die zijn eigen weg gaat’) worden ‘wij’ gesteld, die ‘voortgaan in de naam van de Heer, onze God, voor eeuwig en altijd’ (Mi. 4,5). Je zou kunnen denken dat hier een vals onderscheid wordt gemaakt. Immers, waarin zijn ‘wij’ die in de naam van ‘onze God’ voortgaan nu werkelijk verschillend van elk ander volk dat ‘voortgaat in de naam van zijn god’?

Het onderscheid is subtiel, maar onmiskenbaar. Om dit te kunnen herkennen, is het nodig om vers 2 nog eens te lezen waarin staat omschreven wie die ‘wij’ zijn. Anders dan hoe het eraan toegaat bij ‘alle volken’ (4,5) waar ieder zijn eigen gang gaat, is er in vers 2 sprake van ‘vele volken’ die gezamenlijk dezelfde weg gaan die leidt naar het huis van de Heer, waarvan zij tegen elkaar zeggen: ‘Laten wij daarheen opklimmen.’ In plaats van het ‘ieder voor zich’ bij alle volken, zijn er vele volken die zeggen: ‘Zo niet!’ Waar dit besluit om samen dezelfde weg te gaan, toe leidt, lezen we in vers 3, waar het ene volk het andere niet meer met het zwaard bestrijdt. De subjectiviteit blijft bestaan, maar niet meer zo dat ieder zijn eigen gang gaat, met als gevolg dat ieder in vrede kan zitten onder zijn wijnstok en zijn vijgenboom. Dit beeld toont ons dat het ideaal van persoonlijke vrijheid en het behoud van privé-bezit bereikt kan worden, wanneer volken de wil uitspreken samen dezelfde weg te gaan en besluiten samen die ene weg te gaan om de vrede te leren. Hierbij is belangrijk dat elk volk ervan afziet zijn eigen weg te volgen, erkent dat elk volk datzelfde doet en het belang ervan inziet, dat de paden die de Heer ons leert met zijn onderrichting in gezamenlijkheid worden gevolgd.

Jezus volgen

De paden die de volken bewandelen, hangen ten nauwste samen met het ‘onderricht’ (jarah, Mi. 4,2) van de Heer. Van de 613 mitzwot (geboden) die gegeven zijn in de Tora (onderrichting, wet), bestaat in het jodendom een praktische toepassing op het alledaagse leven, halacha geheten, wat ‘het pad’ betekent of ‘de weg die je bewandelt’. Het is een gids die elk aspect van het menselijk bestaan bevat. Deze is ontstaan uit de wil van vele volken om in alle mogelijke omstandigheden en voor alle uiteenlopende zaken te proberen te leven volgens de onderrichting van de Heer, door zíjn paden te bewandelen. De vragen aan het einde van het Johannesevangelie gaan precies hierover, namelijk welk pad je bewandelt. Het gesprek tussen Jezus en Petrus past in de joodse traditie, om de weg te bepalen die je moet gaan volgens de onderrichting van de Heer. Door het stellen van vragen probeert Petrus te verhelderen, welk pad hij zal volgen en welk de andere leerling. Hij wordt door de antwoorden van de meester verder geleid op het pad van inzicht, wanneer Jezus tegen hem zegt dat niet ‘jouw wil’ bepalend is voor waarheen jij gaat (Joh. 21,18). Aan de vraag van Petrus over de leerling: ‘Heer, en wat zal hij?’ (21,21, NB) maakt Jezus duidelijk dat zijn wil bepalend is (22). En Hij maakt gelijk duidelijk aan Petrus wat zijn wil is: Hem te volgen, zoals Hij eerder al tegen hem had gezegd (19). Zo wordt duidelijk dat het pad volgen volgens de onderrichting van de Heer, waarover we lezen in Micha, voor Petrus in de toepassing van zijn meester betekent: Jezus te volgen. Jezus zet hiermee Petrus op hetzelfde pad als de leerling over wie Petrus aan Jezus vroeg: ‘En wat zal hij?’ Deze leerling volgt Jezus namelijk ook (zie 20). Het is te begrijpen dat, wanneer gemeenschappen in de diaspora leven, het belangrijk is dat deze, ieder op hun plek, niet hun eigen gang gaan. Voor de gemeenschappen van de Heer is het juist in de verstrooiing van alle volken van groot belang om niet uiteen te vallen.

Wie is het die U overlevert?

Er lijkt verwarring te zijn over wat Jezus zegt over ‘het blijven van’ de leerling waarover Petrus vroeg: ‘En wat zal hij?’ Het lijkt alleen maar alsof de leerlingen de woorden van Jezus verkeerd hebben begrepen. Alsof dit terloops aan ons moet worden meegedeeld. Zulk onbegrip lijkt te onbenullig voor woorden om zo expliciet te vermelden. Tenzij er een betekenis is af te leiden uit de context waarin deze woorden van Jezus staan. Die wordt gevormd door het hernemen van de vraag ‘Wie is het die U zal verraden?’. Die vraag was door de leerling gesteld die Jezus volgt.

Wat Petrus niet zegt, is dat hijzelf Hem tot deze vraag had aangezet (Joh. 13,24). Er lijkt daarom reden om die vraag nog eens nauwgezet te lezen. De reikwijdte van de betekenissen van het Griekse paradidoomi is te groot om op deze plaats enkel aan ‘verraden’ te denken. In het hernemen door Petrus van de vraag ‘Wie is het die U overlevert?’ is het van belang om juist die andere betekennissen ook te verstaan, zoals ‘overleveren’ in de zin van: vertellen, leren, doorgeven, in leven houden. Hierdoor komt het plan van Judas om Jezus te verraden (Joh. 13,2) door ‘zijn wil’ (Joh. 13,27), te staan in de schaduw van het plan van Jezus: dat door ‘zijn wil’, namelijk dat zijn leerlingen Hem volgen, Hij zal worden overgeleverd. Waarover Jezus sprak, toen het erover ging dat ‘Hij blijft’ (vs. 23), was het voortleven van de onderrichting in zijn overlevering door de leerlingen: dat zij Hem in hun vertelling zouden doorgeven.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken