Menu

Premium

Je ogen geloven

11e zondag van de zomer (Zacharia 8,4-8.20-23 en Marcus 8,22-26)

Marcus verkondigt dat in Jezus het Rijk Gods naderbij is gekomen. Hierbij duidt hij heel Jezus’ leven als in lijn met hoe God is en beschreven wordt in Tora, Profeten en Geschriften. De God die Jezus predikt geeft brood aan de hongerigen (Ps. 146,7) en opent de ogen van de blinden (Ps. 146,8), en zo handelt ook Jezus zelf (Marc. 6,30-44; 8,1-9.22-26; vgl. de Dienaar van JHWH in Jes. 42,7). Dit is ook het teken dat Gods Dag aangebroken is (vgl. Jes. 35,5-6).

Wat het Rijk van God kan inhouden, wordt in profetische teksten menigvuldig geschetst. Zacharia 8 beschrijft het als de komst van God naar Jeruzalem en de heilige berg. Daar wordt het onmogelijke mogelijk: dat wie door God bevrijd is, tot Gods volk gaat horen, en dat God echt hun God zal zijn, in wederzijdse trouw (8,8). De beelden voor die ongelofelijke toekomst lijken nu nog onwezenlijk en onrealistisch. Voor wie in het veilige West-Europa woont, is het nochtans zo vanzelfsprekend: spelende kinderen op de pleinen, mensen die op hun oude dag rondlopen, steunend op hun stok (8,4-5).

Wie de verschrikking meemaakte van oorlog en geweld, weggerukt werd uit het vertrouwde thuisland, en met wie overblijft zijn leven in ballingschap moet doorbrengen, kan haast niet geloven dat dit toch de toekomst is die God met hen voorheeft. En dan heeft de profeet ook nog het idee dat dit ook wereldwijd aantrekkingskracht zal hebben. Wie niet tot het volk hoort, zal naar hen toekomen om zich bij hen aan te sluiten, omdat God bij hen is (8,23).

Voor de eerste christengemeenschappen is zowel het ongeloof in als de hoop op deze profetische toekomst herkenbaar. Ze krijgen te maken met de Romeinse overheersing, die niet alleen hun regio bezet, maar ook nog eens elk verzet de kop indrukt, en hierbij de tempel als centraal punt verwoest. Is het dan mogelijk dat toch Gods Rijk is aangebroken in wat zij hebben gezien en gehoord van Jezus van Nazaret?

Als blinden gaan zien

Als Jezus in Betsaïda is, brengt men een blinde man naar Hem toe met de vraag om hem aan te raken. Aanraking en genezing gaan in het Marcusevangelie hand in hand. Mensen worden op Jezus’ pad gebracht met de vraag of ze Hem of zijn kleding mogen aanraken, om zo geheeld te worden (Marc. 6,56). Hier gaat het echter om de omgekeerde beweging: gevraagd wordt niet of de blinde Jezus mag aanraken, maar of Jezus de blinde wil aanraken. Dit is parallel met de genezing van de doofstomme (7,32). De band die zo ontstaat tussen beide helingsverhalen is niet toevallig. Jezus predikt de nabijheid van Gods Rijk, en volgens Jesaja 35,5-6 is het een teken dat de Dag van JHWH is aangebroken, als blinden de ogen worden geopend en de oren van de doven ontsloten.

Blinden in Gods Rijk

De vraag aan Jezus om de blinde aan te raken, eerder dan om hem te genezen, verlegt de aandacht van het gebrek naar de relatie. Wat betekent het eigenlijk om iemand die ziek, gebrekkig of blind is, tegenover jou te hebben? Hoe mensen omgaan met wie blind is, zegt volgens enkele bijbelse passages ook iets over hun verhouding tot God. Als Mozes het volk samenbrengt als gemeenschap van God (Deut. 27,9), houdt hij hun zowel zegen als vloek van de Tora voor. Vervloekt is onder meer wie de blinde op het verkeerde spoor zet (vs. 18). Leviticus 19,14 verbindt het niets in de weg leggen van blinden met het ontzag hebben voor God. Ontzag voor God en het horen bij Gods volk vragen dus om een respectvolle omgang met deze mens die blind is.

Wat de omgeving voor de blinde man vraagt, is Jezus’ aanraking. Hoewel er niet expliciet over genezing wordt gesproken, is dit wel de hoop die achter deze dringende vraag schuilgaat. Zal deze blinde gaan horen bij de vele tekenen dat Gods Rijk nu is aangebroken?

Geleidelijk inzicht

Zoals Jezus de dove weghaalt uit de menigte, neemt Hij nu de blinde bij de hand en leidt hem weg uit het dorp (7,33; 8,23). Met speeksel raakt Hij aan wat gebrekkig is: eerst de tong van de doofstomme, nu de ogen van de blinde. Maar waar de doofstomme weer hoort en spreekt als Jezus ‘effata, ga open’ zegt, is het zien van de blinde een meer geleidelijk proces. De man ziet wel mensen, maar als rondlopende bomen. Het is een vreemde uitspraak, die aangeeft hoe bevreemdend het is wat hij ziet. Pas als Jezus een tweede keer de handen op zijn ogen legt, gaat hij scherper zien.

Dit geleidelijke inzicht krijgt vanuit de literaire context van het Marcusevangelie een diepere betekenis. Jezus heeft reeds vele tekenen gesteld, waaronder tweemaal een brooddeling. Toch komen de farizeeën nog om een teken vragen (8,11). Maar ook de leerlingen blijken traag van begrip. Jezus verwijt hun in de lijn van de profeten Jeremia (5,21) en Ezechiël (12,2) dat ze wel ogen hebben maar niet zien, wel oren hebben maar niet horen (8,18). Dat ze zich zorgen maken over broden terwijl ze Jezus in hun midden hebben, en toch gezien hebben hoeveel overvloed er was beide malen dat Jezus brood brak, geeft aan hoe weinig ze begrepen hebben van de tekenen die zij zien.

Ook hun inzicht gaat in meerdere fasen. Dat begrip geleidelijk aan moet doorbreken, maakt echter niet minder waar dat hier God aan het werk is, en het Rijk Gods aanbreekt. Profetische tekenen (zoals hier de genezing van de blinde) kunnen er immers toe leiden dat mensen hun ogen ook echt gaan gebruiken (Ez. 12,3).

Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.

Wellicht ook interessant

None

Postma – Doen als Jezus

Als medewerker van de zendingsorganisatie European Christian Mission bevind ik mij regelmatig in crossculturele kringen. Tussen de regels door vang ik weleens op hoe men over Nederlanders denkt. ‘Weet jij eigenlijk wel hoe de spoorlijnen in jullie land zijn ontstaan,’ vraagt een Britse collega mij. Ik schud mijn hoofd met een glimlach, omdat ik aan zijn pretoogjes zie dat hij hem nu gaat inkoppen. ‘Toen twee Nederlanders vochten om een stuiver.’ Ik sla terug met een leuke grap over Brexit.

None

Kooten – Echo’s van het goede nieuws

Dit boek biedt een culturele, historische en literaire herwaardering van de evangeliën. We denken vaak aan de bijbelse wereld als een mysterieuze en sym­bolische wereld die losstaat van de werkelijkheid, maar dit boek probeert die bijbelse evangeliën in hun werkelijke context te plaatsen en laat ook hun blij­vende betekenis zien. Het is noch een inleiding, noch een compendium, noch een commentaar, maar een culturele en historische verkenning die lezers helpt te begrijpen waarom de auteurs van de evangeliën hun verslagen schreven, wat kenmerkend is aan elk van de evangeliën, en hoe ‘het evangelie’ – ‘het goede nieuws’ van Jezus – in elk van deze vier evangeliën doorklinkt.

Nieuwe boeken