Menu

Premium

Jezus gevraagd naar zijn bevoegdheid

Bij Lucas 20,9-19

Jezus bevindt zich in de tempel en leert. Maar de zetting van het hoofdstuk is niet spiritueel. Hij bevindt zich in het oog en vooral oor van het godsdienstige machtscentrum. De machtsdragers benaderen Hem, niet om te luisteren en te discussiëren, maar om Hem de autoriteitsvraag te stellen (20,2). Er zijn velen die in Gods naam vals profeteren, zij zijn er altijd geweest. Gedeeltelijk is hun vraag dus terecht.

Het vervolg wijst nog op iets anders. Jezus antwoordt met een tegenvraag. Hij vraagt hun om net zo goed kleur te bekennen. Als zij zich op de vlakte houden, houdt Jezus hun een parabolè voor, een spiegel. Hij vertelt een gelijkenis aan de omstaanders.

Wijngaard, eigenaar en pachters

Er is sprake van een wijngaard die geplant en uitbesteed wordt. Te zijner tijd vraagt de eigenaar om een deel van de opbrengst. Een gewoon gebeuren in het Midden-Oosten van toen. Opvallend is de gruwelijkheid waarmee de pachters de afgezanten van de eigenaar bejegen. En absurd is de voortvarendheid waarmee de eigenaar zijn afgezanten aan marteling en zelfs de dood blootstelt.

Het beeld van het planten van een wijngaard roept het lied in Jesaja 5,1-7 op, waar iemand met grote inzet voorbereidingen treft voor een weelderige tuin die goed fruit zal voortbrengen. Maar de edele planten stellen de eigenaar teleur, zij produceren ‘stinkbessen’, zoals Oussoren vertaalt (NB, 5,2). Het lied zelf reikt een interpretatie aan van eigenaar, wijngaard en vruchten: de eigenaar is God, de wijngaard het huis Israël en de vruchten zijn recht en gerechtigheid (5,7).

In Lucas wordt het beeld anders ingevuld. De wijngaard wordt geplant, de eigenaar is afwezig, net als in Jesaja. Maar er wordt een nieuwe categorie personage geïntroduceerd: de pachters die de tuin beheren. Zij moeten een gedeelte van de oogst afstaan, wat zij heel duidelijk weigeren.

Targoem

Voor een interpretatie van de gelijkenis roept Ruben Werrie in zijn scriptie over de paralleltekst in Matteüs (21,33-46) de hulp in van de Aramese vertaling, de Targoem, van het boek Jesaja.

Vgl. R. Werrie, Een onderzoek naar de vruchten in de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters in Matteüs 21,33-46, scriptie, Utrecht 2008, 85vv.

Een Targoem is een commentaar en interpretatie van de Toratekst. De Targoem op Jesaja plaatst het gebeuren in de tijd van de Tweede Tempel, door in de wachttoren het heiligdom en in de wijnpers het altaar te zien. Wat ons heel dicht bij de lerende Jezus in de tempel brengt. Voor de eerste joods-christelijke schrijvers en hun publiek waren deze Targoemin vertrouwd. Ze werden als bekend verondersteld, wat door vele parallellen tussen de nieuwtestamentische geschriften en de Targoemin aanwijsbaar is. Ze kunnen helpen een beter beeld van de achtergrond van nieuwtestamentische teksten te krijgen, aldus Werrie.

De Targoem op het wijnberglied identificeert de geliefde met Abraham, Gods vriend die symbool staat voor de vertrouwde relatie tussen God en mens en het wandelen in Gods wegen (Targoem op Jesaja 5,1). Hij herinnert daarmee aan de ethische koers die Israël hoort te varen. De Targoemist noemt Israël door God geheiligd, verheerlijkt, en opgericht als een kostbare wijnstok; God heeft een heiligdom in hun midden gebouwd en een altaar om hun zonden te verzoenen. De interpreet in de Targoem laat de beelden uit de wijnbouw vallen en vervangt die door beelden uit de religieuze cultus. Hij noemt de vruchten goede daden en in het geval van de ‘stinkbessen’ slechte daden (5,2.4). Zij gaan tegen de wet in en weigeren omkeer te doen (5,3). In 5,10 vergelijkt hij de vruchten met het afdragen van tienden. In 5,5-6 laat hij God zeggen dat Hij zijn Sjechinah zal optrekken en hun tempels zal afbreken, wat naar de situatie van Jeruzalem in 70 na Christus zou kunnen verwijzen.

Kleine ongerechtigheden, grote gevolgen

De context van de gelijkenis in Lucas laat goed zien dat de tempelelite zich aangesproken voelde. Zonder dat Jezus het expliciet zegt, is er iets wat hen geprikkeld laat reageren (20,19). Zij identificeren vruchten misschien ook met daden, en het niet afdragen van een deel van de vruchten met de tienden die zij niet afdragen. Het niet afdragen van de tienden kan een voorbeeld zijn om te laten zien dat het gebrek of de weigering om de integriteit van de cultus te waarborgen, op één lijn gezet wordt met het niet doen van de geboden. In feite spreekt Jezus hen erop aan dat zij met hun houding tegen God rebelleren en vinden dat zijzelf boven de wet staan in juridische, ethische en godsdienstige zin. Hij verwijt hun dat zij als vertegenwoordigers van het volk in bijzondere mate de relatie met God frustreren en het herstel van gerechtigheid zelfs in de weg staan. De tempelelite beseft direct de implicatie van de toespeling, en vreest dat de omstaanders en daarmee het volk zich van de situatie bewust wordt en hun de macht ontneemt (20,19). In plaats van omkeer te doen, zoals het altaar/de perskuip uit de Targoem als gewenste mogelijkheid suggereert, proberen zij de profeet die de vinger op de zere plek legt uit te schakelen. De poging zal op hen terugvallen. De profeet is een ‘hoeksteen’ die ferm blijft in zijn boodschap. Zij zullen door hun weigering te pletter vallen, want God/de eigenaar zal hun de macht ontnemen. Hij geeft hun meermalen de mogelijkheid tot omkeer. Zij maken er geen gebruik van. Integendeel, zij initiëren een spiraal van geweld.

Het niet doen van het beetje gerechtigheid, het afdragen van tienden, zal een spiraal van steeds groter onrecht tot gevolg hebben, wat leidt tot de vernietiging van misschien de hele gemeenschap en de relatie met God, gesymboliseerd door het heiligdom. Een boodschap die voor de omstaanders bedoeld is.

Wellicht ook interessant

None

Recensie van Matthijs Schuurman over het boek Drie-eenheid

In 2024 schreef Bram van de Beek een artikel voor een wetenschappelijke encyclopedie over hoe er in de Vroege Kerk werd gedacht over de drie-eenheid. Al vanaf de jaren-’80 is hij actief als hoogleraar. In 1981 volgende hij in Leiden prof. dr. H. Berkhof op als hoogleraar Dogmatiek. In 2000 verhuisde hij naar de Vrije Universiteit, waar hij Symboliek ging doceren. Bij symboliek gaat het om de inhoud van de geloofsbelijdenissen. Ook was Van de Beek bijzonder hoogleraar Systematische theologie aan de Universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika.

None

Recensie van Matthijs Schuurman over het boek Inferno

Iedereen heeft misschien wel zijn eigen beeld van de hel. Persoonlijk vind ik de hel zelf veel moeilijker voor te stellen dan de hemel. Als ik de hel zou moeten verbeelden, dan zou ik kiezen voor een druk winkelcentrum waar ik eindeloos op en neer ga op de roltrap. Ik ben dan in een drukte van mensen waar ik niet verbonden mee kan raken, omdat die mensen op dat moment allemaal voor zichzelf leven. Een plek waar ik innerlijk alleen maar onrustig kan worden en onrustig zal blijven. Zo stel ik me de hel voor: als een plek waar ik in het leven hier op aarde al niet graag kom. Als ik over het beeld nadenk, ontbreekt een belangrijk element: God Die Zijn oordeel heeft uitgesproken over mijn leven. Dat ik niet zonder reden voor altijd op die roltrap op en neer zal gaan en ik innerlijk gek wordt van de steeds toenemende onrust.

Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Basis

Waarom ‘Eeuwig’ toch niet altijd een goed vertaalwoord is

Enkele publicaties vorig jaar, waaronder het boek “Het einde van de Hel” van Reinier Sonneveld, hebben de eeuwenoude discussie of God alle mensen uiteindelijk zal redden1 weer nieuw leven ingeblazen. Een belangrijk argument tegen de leer dat voor ongelovigen de hel de eindbestemming zou zijn, is dat de Hebreeuwse en Griekse woorden die meestal met “eeuwig” vertaald worden, niet de betekenis “eindeloos” hebben. Dat was aanleiding voor het blad Met Andere Woorden (MAW), een vakblad voor Bijbel en vertalen, om een themanummer uit te geven rondom dit woordje, “eeuwig” en “eeuwigheid”. En, hoewel vertalers zich het liefst op de tekst zelf focussen, ontkom je er niet aan keuzes te moeten maken die aan een dergelijke discussie raken.2 Zo moet een vertaler kiezen of hij meegaat in het zo bekende “eeuwig” en “eeuwigheid”, of in navolging van kritiek en diverse onderzoeken voor een andere weergave kiest. In het themanummer verdedigden enkele artikelen de keuze voor “eeuwig”. In de studievertaling waar ik aan mee mag werken, de Nieuwe Concordante Vertaling (NCV),3 is echter een andere keuze gemaakt. In dit artikel laat ik graag zien waarom “eeuwig” toch niet altijd een goed vertaalwoord is.

Nieuwe boeken