Jezus’ zus
Bij Marcus 3,20-35
Een bons op de deur! Aagje schrikt en laat een kom met linzen uit haar handen vallen. In duizend scherven klettert hij op de vloer en de linzen liggen in het rond. ‘Domoor!’ zegt moeder Maria die naar de deur loopt, ‘haal gauw veger en blik, wil je?’ Jaïrus, de man van de synagoge, staat voor de deur. ‘Jullie moeten nu echt komen!’ roept hij, ‘Jezus zit zelfs al in het gekkenhuis!’ Versteend staat Aagje met veger en blik in haar handen. ‘Jongens!’ roept moeder Maria, ‘meekomen!’ Achter uit de timmerwerkplaats komen Simon en Judas tevoorschijn met hun zwarte krulhaar vol zaagsel en spaanders. ‘Het is weer mis met jullie broer. Altijd wat met Jezus!’ In optocht gaan ze naar het gekkenhuis aan de rand van het dorp. Aagje sluit de rij met haar veger en blik. Het gekkenhuis is een scheldnaam voor het gebouw waar mensen worden opgesloten die in de war zijn. Mensen die zomaar beginnen te schreeuwen of raar doen op straat. In het dorp willen ze die liever niet meer tegenkomen. En uitgerekend daar moest die Jezus natuurlijk weer naar binnengaan. En zijn twaalf vrienden zijn er ook en nog veel meer mensen. Het huis zit propvol. Alles staat wagenwijd open, maar binnen kan niemand meer een vin verroeren. Ze hangen uit de ramen en deuren. Zelfs een kopje thee zetten of een boterham smeren is er niet meer bij. Maar om te zeggen dat ze nou ongelukkig kijken, die gezichten voor het raam, nee dat niet. Ze zingen liederen. En ook de bewoners zingen mee uit volle borst. Aagje slaat buiten de maat met haar veger en blik en zegt: ‘Dat klinkt lang niet gek, hè moeder?’