Menu

Premium

Job

INLEIDING

1.Inhoud en strekking

Het boek Job is genoemd naar zijn hoofdpersoon: Job (Hebr. Ijjob). Hij is de enige persoon met die naam want Job de zoon van Issaschar (Gen. 46:13) heet in Hebr. Joob. Job was een vrome man en blijkens 1:8 was de HERE erg met hem ingenomen. Maar daar probeert de satan de klad in te brengen. Op Jobs gedrag kan hij niets aanmerken, maar innerlijk zou het niet deugen met Job. Hij beweert dat Job God dient om het profijt; als dat wegvalt zal die vroomheid ook wel overgaan. Gods houding tegenover die beschuldiging is: nu, dat zullen we dan wel eens zien! Hij laat de satan toe om Job van alles te beroven. En zie – Job doorstaat de proef. Job heeft na het verlies van al zijn goed God niet vaarwel gezegd, zoals de satan beweerd had dat hij zou doen. Hij looft alsnog de naam des HEREN. Maar dan zegt de satan: de proef was niet zwaar genoeg. Dan staat God hem toe een tweede proef te nemen. Toen sloeg de satan Job met boze zweren. Maar Job erkent dat we niet alleen het goede, maar ook het kwade van God moeten aannemen. Hij erkent Gods absolute souvereiniteit. Door dit getuigenis van Job is de satan verslagen en blijft verder stil. Nu kan Job gerehabiliteerd worden. Maar dit gebeurt niet. Job blijft ziek en arm en dit is niet op aanstoken van de satan; dit doet God. Hij heeft van zijn kant Job ook willen beproeven (vgl. 10:13). Terwijl Job ziek blijft komen zijn vrienden hem bezoeken om hem te beklagen en te vertroosten. Van die vertroosting komt echter niet veel terecht. Zij gaan uit van de oude traditionele stelling dat ellende en rampen straf zijn op begane zonden. Job ontkent dit heftig. Zo geraken Job en de vrienden in heftige disputen. In zijn strijd met de vrienden – die voor hemzelf een zielestrijd is – wordt ‘de profeet’ in hem wakker als hij namelijk gewaagt van behoefte aan een middelaar, van een losser en van een borg (9:33; 16:19; 17:3; 19:23). Na deze gesprekken treedt Elihu op. Hij zegt belangrijke dingen; zo bijvoorbeeld over de losprijs (33:24; 36:18) en over de mogelijkheid van hoogmoed bij vrome mensen. Maar een oplossing biedt hij niet.

Eindelijk en ten slotte komt God uit zijn verborgenheid te voorschijn en antwoordt Job uit een storm. Dit biedt de oplossing! Maar waarin bestaat die oplossing? Niet hierin dat God vriendelijk zegt: Ja, Job, ge hebt het zwaar gehad, maar dit was om de beschuldiging van de satan te weerleggen. Dit kon Ik je echter niet zeggen want dan zou de toetsing niet zuiver meer zijn. Maar hierin dat God zich vertoont in zijn majesteit. Hij doet geen verantwoording van zijn daden. Dan buigt Job zich voor de grootheid Gods. Dit geschiedt in twee etappes. Eerst openbaart God Zich in zijn scheppingsgrootheid en daarop gewezen zegt Job: ik leg de hand op de mond dwz. ik zal wel zwijgen. Maar daarmee is God niet tevreden. God zegt: als je kritiek hebt op mijn rechtspraak, wees dan zelf maar eens rechter als je kunt. Dan erkent Job ootmoedig dat hij verkeerd gesproken heeft. Hij herroept en doet boete in stof en as (42:6). Hij staat nu weer op het standpunt van hst. len 2 maar verdiept en dieper ingeleid (42:5). Dit is erkenning van Gods absolute souvereiniteit. Het boek Job is het boek van de souvereiniteit Gods. Dit is de strekking van dit bijbelboek. Nu kan God een keer brengen in Jobs lot.

Ten slotte moet in deze paragraaf de vraag beantwoord worden of Job een type van de Christus kan genoemd worden. Met type van de Christus bedoelen we een persoon uit het Oude Testament die in zijn leven en optreden iets van het werk van Christus afbeeldt, bv. Adam (Rom. 5:14; ‘beeld’), Mozes, om zijn borgstelling; David, van de strijdende en Salomo van de triomferende Christus. Zo verstaan kan Job ook wel wegens bepaalde trekken uit zijn leven type van Christus genoemd worden. Vooreerst zijn er de overeenkomstige plaatsen uit de lijdenspsalmen met uitspraken van Job (vgl. 16:2 met Ps. 69:21d; 17:1 met Ps. 22:16; 19:13 met Ps. 69:9; 30:9 met Ps. 69:12, 13). Verder doet Job uitspraken die ons het lijden van Christus beter doen verstaan (16:9-11; 17:6; 19: 6; 30:9-19. Het van-God-verlaten-zijn wordt door Job zo scherp getekend in de hst. 9 en 10 en 23:8 en 9; de druk van Gods toorn wordt zo ontroerend uitgeklaagd in 9: 29; 10:13-17; 16:9. Niet alleen in zijn lijden, ook in zijn voorbede voor zijn vrienden is Job type van de Christus. Hierin toont hij de priesterlijke trekken van de gelovige (vgl. ook 1:5). Van profetische trekken hebben we reeds voorbeelden genoemd en hst. 31 getuigt van zijn koninklijke strijd tegen de zonde.

2.Schrijver en ontstaanstijd van het boek Job

Hierover bevat dit bijbelboek zelf geen directe gegevens. In de joodse overlevering heerst op dit punt ook geen eenstemmigheid. Volgens de Talmud is Mozes de auteur en zou Job ook in diezelfde tijd geleefd hebben. Dan vallen de tijd van de man Job en van het boek Job samen. Maar dat is helemaal niet nodig. We staan eigenlijk voor twee vragen: wanneer en door wie is dit boek geschreven en: wanneer leefde Job over wie dit boek handelt.

In het boek Job krijgen we verwijzingen naar historische en sociale toestanden waarvan we ook lezen in de historische boeken zoals Koningen en in de profetische zoals Arnos. Ook zijn er gegevens van godsdienst-historische aard zoals zonaanbidding (31:26) en de wijze waarop over ‘de satan’ (nog niet ‘Satan’ zoals in 1 Kron. 21:1) gesproken wordt. Een treffende overeenkomst met Jeremia is dat beiden hun dag vervloeken (Jer. 20:14-18 enJob 3). Job 12:9 stemt overeen met Jes. 41:20. Het meeste valt misschien af te leiden uit het feit dat het boek Job nog niet weet van opstanding en het boek Daniël wel (12: 2). Dan valt het boek Job in de voortgang der openbaring vóór het boek Daniël. Ook zijn er gegevens te ontlenen aan de vermelding van Job in andere bijbelboeken. Jakobus prijst zijn volharding (5:11) en Ezechiel noemt hem naast Noach en Daniël (Ez. 14:14, 20). Ezechiel heeft dus het boek Job gekend. In het algemeen kan ge–zegd worden dat een machtig dichtwerk als het boek Job thuishoort in een ‘Gouden Eeuw’. Een dichter die ‘Job’ ter hand nam kan men in zo’n bloeitijd verwachten. Maar wie is hij? Hij was een diep denker, een wijze en een taalkunstenaar. Het is voor ons een moeizaam werk dit bijbelboek te doorvorsen. Wat een geesteskracht en denkvermogen moet dan de auteur niet gehad hebben om een gedicht met al die dialogen, ja met woorden en gedachten van God, op te stellen. Zijn gaven en ‘talenten’ zijn in dienst genomen door de Heilige Geest, de Geest der inspiratie. Zijn boek behoort dan ook tot de zgn. wijsheidsboeken (Spr. Pr. Job). Het probleem dat hem bezig houdt is ook dat van Ps. 73. De oplossing däär is dat Asaf zegt ‘totdat ik in Gods heiligdommen inging’, wat sterk overeenkomt met Jobs woorden: ‘maar nu heeft mijn oog U aanschouwd’ (42:5).

Ook in buitenbijbelse antieke literatuur komt dit vraagstuk aan de orde. Het boek Job onderscheidt zich van die heidense geschriften (indische, egyptische, sumerisch-ba-bylonische, griekse) door zijn oplossing: God is de absolute sou verein die geen rekenschap van zijn daden aan iemand verschuldigd is.

3.Samenstelling van het boek job

Het boek Job begint met een proloog (hst. 1 en 2) en eindigt met een epiloog (42:7-17), beide in proza. Ze vertellen de geschiedenis van Job. Daartussenin staan de gesprekken tussen Job en zijn vrienden, de woorden van Elihu, de woorden van de HERE zelf, alles in poëzie. Zo ook het loflied op de wijsheid (hst. 28). Het is geenszins onmogelijk dat deze onderscheidene delen van het boek van één hand zijn. Er wordt echter door vele geleerden met klem beweerd dat sommige delen invoegsels zijn. Al zou dit zo zijn, dan willen we die delen toch niet schrappen. We kunnen ons voorstellen dat het boek ‘gegroeid’ is tot het zijn tegenwoordige vorm bereikt had. Wat de dichterlijke vorm betreft merken we op dat die niet bestaat in rijm maar in parallelie van de versdelen en in metrum. Het eigene van de vorm van het boek is de dialoog-of gespreksvorm. Dit is in de bijbel een uniek verschijnsel.

4.Historiciteit

Blijkens Jak. 5:11 moet Job voor een historisch figuur gehouden worden. Jakobus maakt melding van zijn volharding. Uit Ezechiël 14 blijkt dat hij een bekende figuur was uit oude tijden en dat hij gerechtigheid bezat (vs 14). Dit stemt geheel overeen met wat het boek Job zelf meedeelt. Verder is ons van Job niets bekend. Zijn afstamming wordt niet vermeld, zelfs niet een vadersnaam. Alleen dat hij woonde in het land Uz geeft aan dat hij geen Israëliet was. Dat hij toch God kende en diende noopt ons hem te zoeken in oude tijden, want bij het voortschrijden der eeuwen werd de Godskennis schaarser. Elifaz klaagt over de verbastering der wijdheid (kennis van God) in zijn dagen (15:19).

De milieutekening doet ons denken aan de tijd der patriarchen. Waarschijnlijk is er een grote tijdsruimte tussen Job en het boek dat over hem in het Hebreeuws, dus door een Israëliet, geschreven is.

We aanvaarden dat Job en zijn vrienden met elkaar gepraat hebben over Jobs toestand. Wat ze daarvan gezegd hebben vernemen we in reeks gesprekken. Maar dat zij zo lang en zo veel spreken en dan nog wel in die dichtvorm – dät is werk van de auteur.

Het gesprokene bestaat uit meningen en gedachten van mensen, wel van vrome mensen, maar mensen die het niet met elkaar eens zijn. De een keurt af wat de ander zegt, vooral Elihu (32:2, 3). Erger nog – God laat een afkeurend oordeel horen over de woorden der vrienden (42:7). En Job herroept wat hij gezegd heeft. Dit stelt ons voor de vraag of alles wat in dit bijbelboek staat met goddelijk gezag is bekleed en dus moet worden aanvaard als regel voor geloof en leven.

Nu heeft Paulus (1 Kor. 3:19) met instemming het woord van Elifaz aangehaald (5:13). Wordt daarmee het hele boek gekarakteriseerd? Ons antwoord op die vraag is dat Paulus die uitspraak op zichzelf wel juist vindt zonder daarmee te bedoelen dat alles wat de vrienden zeggen en bedoelen juist is. Bij de lezing van het boek Job moeten we bedenken dat iets op zichzelf wel waar is maar verkeerd toegepast wordt; dat iets in een bepaald verband wel waar is maar niet in alle opzichten; dat ook de gemoedsstemming waarin iets gezegd wordt in rekening gebracht moet worden. De vrienden hebben conclusies getrokken. Paulus laat er zich niet over uit of die conclusies juist zijn.

Voor de beoordeüng van de juistheid van alles wat in dit boek staat, zijn we dus aangewezen op een nauwkeurige vergelijking met de overige inhoud van de Heilige Schrift (vgl. bv. 4:18).

VERKLARING

Job aan de lezers voorgesteld 1:1-5

Het boek Job begint met het bericht dat er een man met de naam Job geweest is in het land Uz. Waar ligt het land Uz? Andere vermeldingen van dit land verwijzen öf naar Edom (Gen. 36:28; Jer. 25:20; Klaagl. 4:21) óf naar Aram (Gen. 10:23, 22:21). Plaatsnamen en persoonsnamen vallen dikwijls samen! Men kan echter vragen of in deze verwijzingen niet van twee verschillende landen met dezelfde naam gesproken wordt. In vs 3 wordt Job gerangschikt onder de bewoners van het Oosten (ook genoemd in Gen. 29:1; Ri. 6:33; Jes. 11:14; Jer. 49:28; Ez. 25:4, 10), de mensen die ten Oosten van Palestina of Israel woonden. Jobs vriend Elifaz kwam van Teman, ten Z. van Israel. Zowel Elifaz als Teman zijn Edomitischenamen (Gen. 36:10, 11, 15; Ez. 25:13; Amos 1:12). In Jer. 49:7 wordt Teman vermeld als een oord waar wijsheid gevonden wordt.

Job was een godvruchtig man. Dit wordt met vier woorden gezegd (vs 1). Zie ook wat hij van zichzelf zegt, hst. 31. Vergelijk ook Jak. 5:11 en Ez. 14:14, 20. Hij had een mooi gezin wat blijkt uit ét feestmalen van zijn kinderen waarbij ook de dochters aanwezig waren. Hij was de rijkste man van alle bewoners van het Oosten.

Jobs nauwgezette vroomheid blijkt uit de brandoffers die hij brengt voor zijn kinderen na de feestmalen. Hij rekende met de mogelijkheid dat ze gezondigd hebben en in hun hart God vaarwel gezegd hebben. Dit betekent niet dat ze godslasterlijke uitspraken zouden hebben gedaan maar dat ze in de feestvreugde God vergeten hadden en zich gelukkig gevoeld hadden buiten Hem. Voor zo’n offer moesten ze geheiligd worden want aan een offer gingen allerlei voorbereidselen vooraf o.a. kleren wassen (Ex. 19:10, 14). Het brandoffer diende hier ter verzoening van zonde.

De satan beticht Job van onechte vroomheid 1:6-12

In de uitdrukking ‘de zonen Gods’ heeft ‘zoon’ de betekenis ‘van behoren tot’ (bv. de zonen der profeten = de profeten). Hier betekent deze uitdrukking: zij die ten opzichte van hun bestaanswijze tot God, tot de sfeer van God behoren, dus: geesten. Op zekere dag (er waren meer van zulke dagen, 8:1) moesten de geesten opkomen om zich voor de HERE te stellen. Blijkbaar hield God ‘inspectiezittingen’. Het tafereel doet denken aan dat van 1 Kon. 22:19. De zonen Gods heten daar het heir des hemels. Onder hen kwam ook de satan. Het woord satan betekent aanklager, tegenstander. Met het lidwoord, de satan, is het de aanduiding van een bepaalde tegenstander die steeds als aanklager optreedt (Zach. 3:1). In 1 Kron. 21 is dit woord eigennaam geworden: Satan met een hoofdletter. Tot de zonen Gods behoort dus ook een boze geest. Hij is evenals de andere geesten aan God onderworpen en handelt ook later slechts onder de toelating Gods (vgl. de ‘leugengeest’ in het heir des hemels, 1 Kon. 22). De boze geesten waren blijkbaar nog niet uitgeworpen (vgl. Joh. 12:13, 16:11; Op. 12:18). De HERE roept de satan ter verantwoording. Zijn antwoord klinkt onschuldig maar 1 Petr. 5:8 geeft een andere voorstelling! Verder vraagt de HERE of de satan ook erg gehad heeft in Job die hij Zijn knecht noemt (net als Abraham (Ps. 105:6), Mozes (Num. 12:7) en David (2 Kon. 20:6)). Verder herhaalt de HERE de prijzende woorden die we al van de schrijver gehoord hebben met de toevoeging niemand op aarde is als hij. We hebben in Job dus wel met een uitzonderlijk man te doen! Honend beticht de satan Job van onechte vroomheid; geen wonder dat hij God dient! Hij vindt daar immers veel baat bij. Als die wegvalt zal Jobs vroomheid wel ophouden en zal hij God openlijk vaarwel zeggen. De satan doet dus zijn aanval op het innerlijk verborgen leven dat niet zichtbaar is zoals het levensgedrag. God, die de harten kent (Joh. 21:15 enz.), zou kunnen zeggen dat de satan zich in Job vergist, maar dat zou de satan niet geloven. Daarom zal God het laten blijken in een proefneming, de satan mag Job alles afnemen. Hiervan maakt de satan een hardhandig gebruik.

De vraag komt op of God op deze wijze Job het slachtoffer mocht laten worden van de laster van de satan. Job zelf geeft op deze vraag het bevestigend antwoord: vs 2022. Als Schepper en Souverein heeft God daartoe het recht.

Job van alles beroofd, prijs God 1:13-22

De satan heeft blijkbaar de beschikking over volksstammen (Sabeeërs, Chaldeeën) en natuurmachten (het vuur Gods, storm) om Job van zijn bezittingen en van zijn gezin te beroven. Als Job daarvan bericht gekregen heeft scheurde hij zijn mantel en schoor zijn hoofd. Dit zijn rouwgebruiken. De mantel en de haardos zijn sierlijkheden die bij droefheid niet passen. Zich ter aarde werpen en zich neerbuigen is de houding van aanbidding. In die houding zegt hij dat hij naakt uit de schoot van zijn moeder gekomen is en naakt daarheen zal wederkeren. Daarheen! Waarheen? Naar de moederschoot? Maar dat kan toch niet? (Joh. 3:4). De gedachte achter deze woorden is dat moederschoot en aardeschoot gelijkgesteld worden. We vinden deze zelfde gedachte in Ps. 139:13-15. Job bedoelt dat hij geen recht heeft op bezittingen. Of bij iemands bestaan ook bezit zal behoren, hangt af van Gods vrijmachtige beschikking. Daarom moet God altijd geprezen worden hetzij Hij geeft, hetzij Hij neemt. En Job doet dit. Daaruit blijkt dat zijn vroomheid niet voortvloeide uit profijt maar uit eerbied voor de souvereine God.

Het hebreeuwse woord, vertaald met geloofd (eigenlijk ‘gezegend’) is hetzelfde dat de satan gebruikt heeft voor vaarwel zeggen in de zin van vervloeken. Hierin ligt een woordspel: wat de satan insinueerde dat Job zou doen, doet hij woordelijk maar juist in tegenovergestelde zin. We moeten ook letten op wat Job niet zegt: hij doet geen schuldbelijdenis. Dat was ook inderdaad niet nodig. In vs 22 geeft de auteur zijn oordeel over Job. Er valt God niets ongerijmds of verkeerds toe te schrijven en Job deed het ook niet. Hij erkent Gods absolute souvereiniteit. Dat is Jobs vroomheid. Dat is de ware godsdienst: aanbidding.

Job wordt nog zwaarder getroffen maar volhardt 2:1-10

Er is weer zo’n hemelse inspectiezitting. Dat de satan ook weer opkomt ondanks Jobs volharding bewijst dat hij verplicht was om te komen. Hij zwijgt echter over zijn nederlaag (vs 2b), maar de HERE komt erop terug. Dan zegt de satan dat de proef niet zwaar genoeg was. Hij geeft een ruw antwoord: huid voor huid. Dierenhuiden golden oudtijds als betaalmiddel. De uitdrukking betekent dus: gelijke waarde voor gelijke waarde, oftewel eerlijk blijven! De HERE moet Zich niet te gauw de overwinning toeëigenen. Verder zegt hij: al wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven. Dit is niet waar! Denk onder meer aan geloofsmartelaren, maar daar heeft de satan geen begrip voor! Job is niet in zijn persoon, in zijn gebeente en vtees aangetast. De HERE staat de satan toe dit Job aan te doen onder deze beperking dat hij er niet onder bezwijkt. Als Job er aan sterft blijft de toets immers zonder uitslag.

De satan sloeg Job toen met boze zweren. Volgens het gebruikte woord kunnen we denken aan ‘egyptische zweren’ (Deut. 28:27, 35). Het zitten in de as is ook eenrouwgebruik (Jona 3:6).

In zijn eilende komt zijn vrouw bij hem. Zij is in de rampen niet omgekomen maar is hem in zijn leed niet tot steun. Zij begrijpt er niets van dat haar man in zoveel ellende nog in zijn vroomheid (zij spreekt dit woord zeker honend uit) volhardt. Ze zegt: zegen God en sterf. Houd er mee op. Zij raadt Job dus aan juist dat te doen wat de satan begeerde. Zij is, zegt Augustinus, een handlangster van de duivel.

Job doet niet wat zijn vrouw zegt. Hij vindt dit zotte-praat. ‘Zot’ heeft ook ethische en religieuze betekenis (Ps. 14:1). Job zegt dat wij niet alleen het goede maar ook het kwade uit Gods hand moeten aannemen. Hij zegt ‘wij’, niet ‘ik’. Daarin schuilt een vermaning aan zijn vrouw.

De auteur geeft nu weer een beoordeling van Jobs gedrag, hetzelfde als in 1:22 maar met de bijvoeging: met zijn lippen ntet Dit behoeft nog niet te betekenen: in zijn hart wel. Deze woorden duiden het terrein aan waarop de zonde voor de hand lag: het spreken. Deze woorden kunnen dus betekenen: met geen enkel woord. Intussen merken we op dat vergeleken met 1:21 de toon van de lof heeft plaats gemaakt voor de toon van de berusting.

De komst van de vrienden 2:11-13

Het geding tussen satan en God is nu beslecht. De satan heeft geen gelijk gekregen. We horen ook niet meer van hem. Hij is afgedropen. Jobs lijden kan nu beëindigd worden. Maar het duurt voort. God laat het voortduren. Dan komen de vrienden en hun houding jegens Job is ook een beproeving voor hem. God had dus ook zijn bedoeling met de beproeving van Job.

Toen de vrienden er aan kwamen kenden ze Job niet. Door zijn ziekte was hij onherkenbaar. Ze bedreven rouw op de gebruikelijke wijze en bewaarden het stilzwijgen, zeven dagen en zeven nachten, uit verslagenheid en onmacht om te troosten, zo groot was de ellende die ze aanschouwden.

De klacht van Job 3:1-26

Als de vrienden zwijgen begint Job te spreken en vervloekt zijn geboortedag. Niet God, maar zijn geboortedag (zoals ook Jeremia gedaan heeft (20:14-18)). Hij verwenst het feit dat hij leeft. Volgens onze vertaling (NBG) verwenst hij ook zijn ontvangenisnacht. Maar deze twee data liggen een tijd uit elkaar. Vs 3 kan echter ook anders vertaald worden: de nacht waarin de zwangere uitriep ‘een man’ (voor ‘man’ zie Gen. 4:1). Nacht is dan nadere aanduiding voor het daggedeelte waarin hij geboren werd. Dan krijgt vs 7b ook zin, want gejubel vindt wel plaats bij geboorte, niet bij ontvangenis.

In vs 8 roept Job de dagvervloekers te hulp. Wanneer men iemand of iets wilde vervloeken kon men dat door beroepsmensen die het ritueel kenden (tovenaars) laten doen. (vgl. Bileam). De leviathan wordt ook genoemd in Ps. 14:26 en 74:14 en Jes. 27:1. De tovenaars konden hem ophitsen zodat hij (in 6:13 de snelle slang genoemd) duisternis veroorzaakte (door de zon in te slikken?).

Job breidt, vs 9, zijn dagvervloeking uit tot de morgensterren, de voorboden van de dag. De dag van zijn geboorte wordt voorgesteld als een persoon die verkeerd gehandeld heeft: hij had Jobs geboorte niet moeten toelaten en hem de moeiten van het leven besparen.

Vs 11. Maar als Job dan toch geboren moest worden -waarom is hij dan niet bij de geboorte gestorven] Of waarom is hij dan welgeschapen geboren en niet een misgeboorte geweest? Maar hij is verzorgd en gezoogd! Als hij terstond gestorven ware zou hij in de omstandigheden van het dodenrijk verkeren die beter zijn dan wat het leven op aarde hem biedt. Hij zou dan rust hebben, ook bij voornamen, zoals hij op aarde ook bij de voornamen behoorde. Wat in puin lag herbouwen wil zeggen: machtige daden, grote werken doen. Deze mooie voorstelling van het dodenrijk vloeit voort uit de bitterheid van zijn gemoed. En wat een misgeboorte betreft – die wordt zonder ceremonieel opgeruimd. In het dodenrijk is rust; daar is geen geweld meer. Allen zijn daar gelijk. Zo stelde hij zich het dodenrijk voor: het oord dat allen zonder onderscheid ontvangt en alles nivelleert. Dit bleek gevoelloos bestaan acht Job beter dan zijn ellende. Maar God geeft nu eenmaal het leven aan bitter bedroefden en zo ook aan hem. Zijn lot is verborgen, ondoorgrondelijk. Zuchten is zijn dagelijks brood. Belangrijk is dat Job zijn leed toeschrijft aan God (zie vs 24). Dit is een trek van zijn vroomheid.

Eerste rede van Elifaz 4:1-5:27

Elifaz begint met een verwijt: Job heeft velen bemoedigd maar nu het hemzelf betreft, is hij ook verbijsterd. Maar als godvruchtig man behoeft hij toch niet hopeloos te zijn? (Men zie Ps. 37). Elifaz verklaart vragenderwijs dat onschuldigen en oprechten nooit verdelgd worden maar dat onrechtvaardigen vergaan onder Gods toorn. En wat is nu met Job het geval? Blijkt uit zijn rampen niet dat hij ook wel niet onschuldig zal zijn? Voor de mogelijkheid dat ook vromen hun tegenspoeden kunnen hebben, is in de straklijnige theorie van Elifaz blijkbaar geen plaats. Hij staaft zijn bewering met een openbaring die hij ontvangen heeft (vs 12 enz.). Hij beschrijft deze openbaring op huiveringwekkende wijze. De openbaring luidt als volgt: zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God? (vs 17, vgl. 1 Kon. 8:46b; Rom. 3: 3). Hoe kan Job dan denken dat hij rechtvaardig is? Elifaz bedenkt niet dat Job in een bepaald geval, in zijn speciale geval zijn zaakgerechtigheid kan hebben. Bovendien heeft God het van hem betuigd (1:8). Maar dat wist Elifaz niet en Job ook niet.

Vanaf vs 18 gaat Elifaz zijn openbaring verder verklaren en zegt dat zelfs engelen niet onfeilbaar zijn (zie ook 15: 14) – hoe zouden mensen dat dan zijn?! Gewoonlijk wordt in de H.Schr. over de engelen anders gesproken (Ps. 103:20; Mat. 6:10; Luc. 9:26)! Voorts ziet Elifaz de oorzaak van ‘s mensen zondigheid in zijn zwakheid, broosheid en geringheid (zo ook in 15:14; 25:6). Dit is toch ook niet geheel juist! Waar blijven dan de gekrook-te rieten en de rokende vlaswieken? Zijn openbaring kan wel echt geweest zijn, maar de nadere verklaring daarvan product van zijn eigen gedachtengang.

Over de geringheid van de mensen weidt Elifaz nog verder uit door te zeggen dat hun geroep toch tevergeefs is. (5:1). Met roepen doelt hij op de manier waarop Job zich in zijn ellende uitgelaten heeft (hst. 3). Dat is een stoutmoedigheid {wrevel) die ten dode leidt. Elifaz heeft daar voorbeelden van gezien. Gods vloek treft zo iemand zelfen zijn kinderen en zijn goederen. De lijn van zijn ge-dachtengang pessimistisch doortrekkend merkt hij op dat moeite niet van buitenaf komt maar noodwendig in de mens zelf zit, als vonken in het vuur!

In 5:8 brengt Elifaz een wending in zijn gesprek. Naar God vragen staat in tegenstelling met het vermetele roepen (vs 1). Want God is groot in macht en goedheid. God tuchtigt, kastijdt en daarover moet een mens zich gelukkig voelen. Tot de dood toe zal zijn leven mooi zijn. Maar Job kon niet aanvaarden dat hij kastijding nodig had; daarom heeft hij niets aan Elifaz’ betoog.

(Vs 13 bevat de enige uitspraak uit het boek Job die in het N.T. wordt aangehaald (1 Kor. 3:19) en deze uitspraak is van Elifaz (zie inleiding).

Job antwoordt 6:1-7:21

Hij zegt dat zijn verdriet niet goed begrepen wordt. Hij beschrijft zijn leed en herhaalt zijn wens dat zijn leven maar afgesneden werd. Ook herhaalt hij (vs lOd) de betuiging van zijn rechtvaardigheid. De kracht ontbreekt hem om in zijn tegenwoordige toestand voort te leven (vs 11, 12). Het antwoord van Elifaz heeft hem teleurgesteld zoals zomerbeken in de woestijn reizigers teleurstellen. Vs 14-20 (De auteur toont hier weer zijn dichterlijk talent). Hij vroeg toch geen moeilijke dingen van zijn vrienden, alleen maar begrip. Als zijn vrienden menen dat hij gedwaald heeft dan moeten ze ook zeggen waarin die dwaling bestond. Maar zijn recht staat vast (vs 29).

Het vervolg van Jobs antwoord is een klacht over het menselijk bestaan en zijn eigen bitter lot. Maar, 7:11, hij wil zich niet inhouden. Hij wil zich uitspreken. Hij is toch geen gevaarlijk zeemonster of draak (vs 74:13; Jes. 27:1, 51:9), dat God zo tegen hem optreedt? Hij noemt weer (ook reeds in vs 5) verschijnselen, ook zielkundige, van zijn ziekte op. Hij verwijt God dat Hij hem gedurig kwelt zodat hij niet op adem kan komen (vs 19). Het moest toch voor God de moeite niet waard zijn om een gering schepsel als de mens te plagen. Met bewaker der mensen misprijst hij de bemoeienissen Gods met de mensen. Hij bedoelt dat God toch te groot is om zo kleinlijk met mensen te handelen. De zonde der mensen hindert hem toch niet? God moet voorzichtig zijn met Job, want – zo vertrouwt hij – de goede verhouding zal eens door God hersteld worden, maar dan is het te laat! Dan is Job er niet meer, maar is hij ondergegaan in zijn ellende (vss 8,21). In deze verzuchting spreekt Job ook van zijn overtreding en ongerechtigheid, in tegenstelling tot 6:29. In de diepte van zijn leed spreekt hij niet meer over zijn zaaksgerechtigheid.

Eerste rede van Bildad 8:1-22

Jobs bewogen klacht wordt door Bidad winderige woorden genoemd. Hij zegt met grote nadruk dat God recht doet. Dat is ook zo (Ps. 145:17). Job weet dit ook wel, maar omdat Job zich zo heftig heeft uitgelaten, meent hij hem daaraan toch weer te moeten herinneren. Hij brengt zijn stelling in verband met de dood van Jobs kinderen. Dat is erg pijnlijk voor Job.

Bildads raad aan Job is dat hij zich tot God moet wenden. Zo heeft Elifaz ook gesproken. God zal Job dan verlossen uit zijn ellende. Hij beroept zich voor de waarheid van zijn woorden op de ervaring van het voorgeslacht. En wat leert het voorgeslacht? Dat zij die God vergeten, zonder God raken, omkomen als gras dat verdort als het zonder water raakt. Zij vertrouwen op hun huis dwz. hun bezit en bedrijf. Hij lijkt sterk maar God rukt hem uit en dan weet men zijn plaats van hem niet meer. Dat is de vreugde (dit klinkt sarcastisch) van zijn levensweg. Tot troost voor Job voegt Bildad aan zijn woorden nog toe: God verwerpt de oprechte niet. Zo heeft Elihu ook gesproken.

Job antwoordt 9:1-10:22

Job is door Bildads uitspraak over het recht Gods diep geraakt. Hij weet dat ook wel en in de bitterheid van zijn gemoed vat hij dit fatalistisch op: daar is niets aan te doen! Want God is ook zo sterk. Niemand kan tegen hem op. Nu is recht en macht niet hetzelfde maar dat men door macht zijn recht laat zegevieren – dat heeft Job toch wel goed gezien. Hij beschrijft dan Gods macht in natuur en schepping (sterrebeelden, vs 9). Met vs 11 bedoelt Job: voordat ik het wist was ik al door Hem geslagen (zie ook vs 5). Een ander bewijs van Gods macht is de verplettering van Rahab (zie ook 26:12; verder Jes. 51:9; Ps. 89:11). Dit is een heenwijzing naar oud-oosterse mythologie (ook reeds 3:8 en 7:12). Wat Job bedoelt is ‘het recht van de sterkste’ (vs 14). Tegen God moet een mens het altijd afleggen, vs 20. En toch legt Job zich er niet bij neer. Hij komt in verzet tegen die God die hem, al was hij onschuldig, toch schuldig zou verklaren. Hij poneert met grote beslistheid: ik ben onschuldig. Ik tel mijzelf niet, er kome van wat wil. (zie vss 17 en 18). En omdat hij wel weet wat er van komt, vervalt hij in bittere verwijten aan het adres van God (vss 22-24). Dit zijn uitspraken die hij later herroept (42:6). Maar na die verwijten vervalt hij weer in klachten: zijn dagen snellen voorbij zonder iets goeds, vs 25 (vgl. 7:6). Hij gevoelt weer zijn machteloosheid (vs 29-31; zie ook vs 4). Langs deze opstandige redeneringen komt Job tot een conclusie die intussen heel juist is: Hij is niet zoals ik (9:32). Inderdaad, God is de gans Andere!

Zit Job nu in een slop zonder uitkomst? Hij heeft geen uitkomst maar weet wel wat een uitkomst zou zijn: Was er maar een scheidsrechter tussen ons, tussen hem en God, vs 33. Hier ontwaakt de profeet in Job. Dit is de eerste schemering van licht in zijn donker lot. Hij gevoelt behoefte aan de Middelaar, aan iemand die zijn hand op ons beiden, op God en Job zou leggen. Dit is een gedachte die bij de vrienden niet opkomt maar Job brengt daarmee de oplossing van zijn probleem verder dan zij. De Middelaar die gekomen is heeft in zijn verzoeningswerk de voorstelling die Job van hem had ver overtroffen.

Na die schemering die spoedig verdoft, zinkt Job weer terug in klachten (hst. 10). Hij is in gevecht met God en wil weten waarom God zich tegen hem keert. Jobs strijd is dat hij met God te doen heeft. Hij wil ook met God te doen hebben. Hij wil met Hem in het reine komen. Dat is bewijs van zijn vroomheid. Hij beschuldigt God van kleinmenselijk gedoe. Wat heeft God daar nu aan? Hij beschuldigt God van foutzoekerij. En Job is toch zijn schepsel? Fel keert Job zich tegen God en zegt: maar dit waart Gij van plan (vs 13). Al was ik onschuldig Gij zoudt als een leeuw op mij jagen. Machteloos voelt Job zich tegenover die sterke God en in hopeloosheid herhaalt hij (vss 18vv) zijn wens uit hst. 3 (en 6:8) om maar dood te zijn en zegt weer hoe hij zich het dodenrijk voorstelt (zie 3:17, 19).

Eerste rede van Sof ar 11:1-20

Ook Sof ar acht de zielekreten van Job als ijdel gezwets. Hij zegt dat God niet eens al Jobs ongerechtigheid in rekening brengt. Dat zou blijken als God zelf eens sprak. Dan zou er wat loskomen over Job! Het is te uwen gunste zegt Sofar dat God niet erger tegen u, Job, optreedt. Waarom niet? Dat is zijn geheim, want Hij is machtig genoeg en kent de valse lieden. Daarmede heeft Sofar het oog op Job! Als God begint met zijn oordelen is er geen keren aan (10). Maar Job verstaat dat niet, leeghoofd als hij is. Hij kan het niet verstaan, zo min als een ezelsveulen mens kan worden.

Zo hard zijn de twee andere vrienden nog niet tegen Job uitgevaren.

Elifaz heeft zich beroepen op een openbaring, Bildad op de traditie der voorgeslachten, Sofar beroept zich op zijn eigen wijsheid en zegt dat hij weet wat God zou zeggen als Hij sprak. Maar daarin vergist hij zich. Ook wij kunnen vandaag niet argumenteren met: ‘Jezus zou zeggen…’, want Jezus heeft in de Evangeliën altijd iets anders gezegd dan wij gedacht hadden.

In vs 13 enz. wordt Sofar wat vriendelijker. Als Job breekt met zijn ongerechtigheid kan hij nog een schone toekomst verwachten. Zo heeft Elifaz ook gesproken.

Job antwoordt 12:1-14:22

Sarcastisch zegt Job dat zijn vrienden de wijsheid in pacht hebben, maar ze vertellen hem niets nieuws. Het klinkt hem als een bespotting in de oren. Maar zo gaat het in het leven – als je in het ongeluk zit dan word je uitgelachen, maar als je rijk en machtig bent dan staat je tent veilig] (vs 6). Hoe komt dit? Wel, dit doet de HERE!, vs 9. (Dit is de enige keer dat in de gesprekken deze godsnaam gebruikt wordt, anders altijd ‘God’. Komt dit omdat we hier te doen hebben met een aanhaling uit Jesaja 41:20, waar ook HERE staat?)

Dat de HERE dit doet is algemeen bekend (vs 7,8). Zelfs in de dierenwereld weten ze het: het recht van de sterkste geldt.

Maar zijn er geen wijze, oude mensen die deze opvatting weerleggen? (vss 11 en 12). Neen, zegt Job, vs 13, en hij gaat onverdroten voort met te beweren dat bij God de wijsheid en de sterkte is en dat Hij het is die alles bewerkt en bestuurt. Maar hoe?! Hoe vreemd lijkt alles wat hij doet. In een reeks van voorbeelden toont hij dit aan (vss 16-25). In al die voorbeelden treedt de grilligheid van Gods daden aan het licht. In Jobs erkenning van Gods grootheid schuilt een angeltje van kritiek. Dit vloeit voort uit de bitterheid van zijn gemoed; dit moet later herroepen worden. In hst. 13 verdedigt Job zich (evenals in 9:21; 10:12) tegen God. Hij heeft een zaak tegen God nl. dat rampen hem treffen in een onberispelijk leven. Wat zijn vrienden zeggen is kwakzalverspraat. Ze deden beter te zwijgen. Ze kiezen Gods partij om bij Hem in een goed blaadje te komen. Ze zijn niet onpartijdig voor de waarheid, maar daar is God niet mee gediend. Job wil dit niet gelaten verdragen maar zich verzetten; hij neemt zijn vlees tussen zijn tanden dwz. hij zet zijn leven op het spel (Ri. 12:3; 1 Sam. 19:5, 28:21), want tegen God kan een mens niet op (9:32). Zou een mens zo’n God de rug niet toekeren? Job niet! Hij blijft op Hem hopen (vs 15). Dit is Jobs vroomheid! Hij klemt zich aan zijn God vast ondanks alles. Als hij een godvergetene (een goddeloze) was, zou hij dit niet aandurven, maar hij weet dat hij in zijn recht is. Als God maar niet zo verschrikkelijk hard optrad! (vs 20,21). Als Hij maar gewoon zou zeggen wat Jobs overtreding is. Hij denkt zich dat in en vraagt: wie zal beginnen? God (vs 22a) of ik? (vs 22b). Uit het vervolg blijkt dat op die wijze de oplossing toch niet gevonden wordt. Zo laat de Almachtige Zich niet oproepen. Dat beseft Job ook. Na deze stoutmoedige oproep zinkt hij weer weg in mismoedigheid. God verbergt zijn aangezicht en beschouwt hem als een vijand. Tegenover Job, een ziek mens, vermolmd oud hout, staat God die hem een bitter lot beschikt.

Met 14:1 begint wel een nieuw hoofdstuk maar de redenering gaat gewoon door. De mens is zwak, immers uit een vrouw geboren. Hij verwelkt als een bloem. Als een schaduw vliedt hij heen. Maar toch houdt God hem scherp in het oog (vs 3). Met deze gedachte eindigde ook hst. 13. Tegen deze kwellende bemoeienissen van God met de kortstondige mens maakt Job bezwaar. God moest de mens na al die moeite rust gunnen (vs 6).

Tussen vs 3 en 5 valt vs 4 wel wat uit de toon. Daar staat de gedachte van de openbaring aan Elifaz (4:17, 15:14). Job moet de algemene waarheid daarvan toestemmen. Een omgehouwen boom kan weer nieuwe scheuten maken (vs 7). Maar wanneer een man sterft staat hij niet weer op. Daarom moest een mens door God ten slotte met rust gelaten worden zoals een dagloner in de avond. Bij de gedachte aan ‘s mensen dood komt bij Job toch een vraag op: hij staat wel niet weer op maar waar is hij gebleven? Zou hij herleven! (vs 14). Deze vragen zijn als een schemerlicht in zijn troosteloos gemoed. Het is een profetische gedachte die hem hoop geeft, deze dat zijn aflossing zal komen na het verblijf in het dodenrijk; dat God dan weer aan hem zou denken, naar hem verlangen en zijn ongerechtigheid (!) vergeten. Maar dit schemerlicht van hoop verdwijnt ook weer terstond. Zelfs bergen vallen in puin, hoe zou dan zijn zwakke hoop bestaan? Hij ziet geen andere toekomst dan het kleurloos verblijf in de onderwereld.

In zijn vorige rede drong zijn benarde positie tot het profetisch besef van de behoefte aan een Middelaar. In deze rede zoekt hij een andere uitweg namelijk of er dan misschien na zijn aardse leven nog een kans is op Gods gunst. Nü heeft hij daar nog geen houvast aan. Toch is zijn profetisch vermoeden in wezen juist.

Tweede rede van Elifaz 15:1-35

Hiermee begint de tweede ronde der gesprekken. Wat Job gezegd heeft acht hij nutteloze woorden en krachteloze beweringen. Van Jobs strijd en diepe gedachten heeft hij dus niets begrepen. Hij vond Jobs woorden schokkend voor de gangbare opvattingen: Job breekt de godsdienst af en spreekt oneerbiedig over God, vs 4. De vrienden hebben niet de minste aanvoeling van Jobs positie omdat zij zijn leed toeschrijven aan begane zonde. Er komen dan ook geen echte troostwoorden uit hun mond. Integendeel. Elifaz zegt dat Jobs eigen woorden tegen hem getuigen (vs 6; zie hierbij Luc. 22:71). Spottend vraagt Elifaz of Job als eerste der mensen geboren is of eerder dan de heuvelen is voortgebracht (Spr. 8:25). Bij de ouderdom is wijsheid. Is Job dan zo oud dat hij zó kon spreken? Nog erger maakt Elifaz het: heeft Job toegeluisterd in de raad Gods’! Onwillekeurig legt Elifaz in deze vraag de erkenning dat wat Job zei toch nog niet zo gek was!

Job heeft zijn vrienden verweten dat ze spreken alsof ze de wijsheid in pacht hadden. Elifaz kaatst terug met de vraag: hebt gij de wijsheid aan u getrokken (vs 8). De toon wordt steeds onvriendelijker en hatelijker. Bij de ouderdom is wijsheid en Job moet niet vergeten dat zijn vrienden veel ouder zijn dan hij (vs 10). Met de vertroostingen Gods bedoelt Elifaz wat de vrienden gezegd hebben (Hij denkt dus niet min van zichzelf). In vs 12 zinspeelt hij op de vurigheid waarmee Job blijkbaar gesproken heeft. Daarna vervalt hij in herhaling. God is zo groot dat Hij zelfs in zijn heiligen geen vertrouwen stelt (4:18). Deze bewering van hem klopt niet met de schriftopenbaring in haar geheel (zie Mat. 25:31).

Vs 17. Elifaz zal nu tegenover Jobs ijdele kennis (vs 2) uiteenzetten wat de ware werkelijkheid is. Hij beroept zich daarbij op oude overleveringen uit tijden toen vreemde invloeden de beschouwingen der mensen nog niet hadden bedorven. Die werkelijkheid is het angstige leven van de goddelozen (vss 18-24). Hij beschrijft hun psychologische nood. In Jobs klachten heeft hij ook psychologische nood opgemerkt. Die verklaart hij als gevolg van goddeloosheid, van opstandigheid tegenover God (vss 25-28). Daartoe behoort ook het herbouwen van puinhopen, door Job zelf genoemd als kenmerkend voor de groten der aarde (3:14). Elifaz vindt dit een onwettige daad (vs 28) want het geschiedt uit gebrek aan respect voor de oordelen Gods (vgl. Deut. 13:17; Joz. 6:26; 1 Kon. 16:34). Ten slotte: het levenslot van de goddeloze is ondergang (vs 29-35).

In deze rede wekt Elifaz Job niet meer op tot verootmoediging. Dit vindt toch geen ingang bij hem. Hij houdt hem slechts het donkere beeld voor van de toestand van de goddelozen en van de straffen die hen treffen.

Job antwoordt 16:1-17:16

Hij vindt op zijn beurt ook dat wat de vrienden zeggen ij-dele woorden zijn. En toch praten ze telkens weer! Wat is hun drijfveer, wat prikkelt u? Bovendien hebben ze gemakkelijk praten als welvarende mensen. Als de rollen omgekeerd waren kon Job ook wel zo spreken. Maar de rollen zijn niet omgekeerd en Job klaagt zijn leed uit. Hij noemt God zijn Tegenstander. En als God zo tegen hem optreedt dan durven de mensen ook (vss 10,11). Zijn Tegenstander valt met wreed geweld op hem aan (10-14). Daardoor zit Job in rouw met zijn horen (zinnebeeld van kracht) niet fier opgeheven maar in het stof gestoken -en dat terwijl hij onschuldig is (vs 17). In die overtuiging roept hij uit: O aarde! bedek mijn bloed niet! Wat hem zo onrechtvaardig aangedaan wordt moet gewroken worden. Vergoten bloed roept om wraak (Gen. 4:10). En die roep moge niet gehinderd, gesmoord worden doordat het bloed met aarde bedekt wordt. Die roep moet vrijelijk opgaan. De gedachte achter deze uitroep is die van de bloedwraak. Job heeft echter meer te hopen dan de stem van zijn bloed. Hij heeft iets anders dat nu reeds geldt. Hij heeft een Getuige in den hemel, een Pleitbezorger in de hoge, vs 19. Dit is een nieuw lichtpunt in Jobs donker lijden, een hoogtepunt na 9:33. Daar wenst hij dat er een scheidsrechter zou zijn, hier weet hij dat hij een getuige, een pleitbezorger hééft. Een getuige is een belangrijke faktor in een rechtszaak en bijzonder belangrijk is het wie die getuige is. Hier is het een hemelse getuige. Job bedoelt God zelf!

Wel heeft Job God zijn Tegenstander genoemd (16:9) maar tot diezelfde God wendt hij zich om recht. Zo ontwikkelden zich in Job zijn beschouwingen over zijn toestand: zijn Tegenstander is zijn Pleitbezorger. Hier zien we iets van Jobs innerlijke worsteling met zijn God. Hij zoekt niet ergens elders iets of iemand tegen God, hij zoekt het bij God. Hij laat God niet los,’ maar klampt zich aan Hem vast. Hij verwacht de oplossing van zijn probleem van zijn God – ondanks alles. Dat is het wonder van het geloof: de verbondenheid van de gelovige aan God. Dat is religie!

Jobs oog richt zich schreiend tot God, vs zijn sterk vertrouwen is niets van hoogmoed, alleen ootmoed en gebrokenheid. Wat een spanning in het leven en strijden van Job: God zelf moet de mens recht doen tegenover God. En ook spoedig, want hij is het einde nabij, hij gaat het pad waarlangs hij niet zal wederkeren. Hij weet nog niet van wederkeer uit de dood.

Hst. deze hopeloze toestand van machteloosheid wendt Job zich weer tot God en dit nog wel met een stoutmoedig verzoek: Stel Uzelf als mijn borg bij U (17: 3). Hij kan zelf niets bereiken. Iemand moet het voor hem opnemen. En wie zal dat doen? Niemand wil het doen, zijn vrienden ook niet. Dat is wel gebleken. Maar hij heeft toch een God in de hemel! Een God die hem kwelt! Maar Job laat Hem niet los. Hij vraagt zelfs borgstelling van Hem. Een borg is borg vóór iemand, wiens schuld hij op zich neemt. Maar hij is ook borg bij iemand nl. de schuldeiser. Dat zijn twee personen: de schuldeiser en de borg. Dat kan nooit dezelfde persoon zijn! En toch vraagt Job dat! Omdat hij anders niet heeft! Zal God dat doen?

Job spreekt hier een gedachte uit die ook andere vromen hebben uitgesproken: Hizkia, Jes. 38:14 en de dichter vanPs. 119:22.

Borg voor iemand worden is een gevaarlijke zaak. De spreukendichter waarschuwt ertegen (6:1, 11:15, 17:18). Zal God het dan doen? Job doet hier een profetisch beroep op de wonderlijke genade van God die inderdaad Zichzelf als borg gegeven heeft in zijn Zoon.

De begeerte naar een borg is met 16:9 en 9:33 een reeks lichtpunten in Jobs zieleduister. Job heeft ook geen andere uitweg. Iedereen spreekt smadelijk van hem (vs 6). Met nochtans… verklaart Job dat hij zich onder die druk niet van zijn stuk zal laten brengen: als rechtvaardige zal hij volharden (vs 9). Toch heeft hij momenteel geen ander uitzicht dan de dood. Zijn familie zijn de groeve en de wormerii (Dezelfde beeldspraak, hoewel in ander verband, in Spr. 7:4). Opleving en inzinking staan in deze rede van Job scherp tegenover elkaar. De bewogenheid en wisselvalligheid van zijn gemoed komen hier duidelijk uit.

Tweede rede van Bildad 18:1-21

Van die bewogenheid in Jobs gemoed (hst. 17) heeft Bildad niets gemerkt. Hij vindt dat Job niet zo doordraven moet. Het gesprek kan niet voortgezet worden voordat Job verstandig wordt. Bildad ergert zich aan Jobs bewering dat de vrienden geen inzicht hebben (17:4) en dat er onder hen geen wijze te vinden is (17:10). Hij vraagt waarom zij in Jobs ogen zo stompzinnig zijn en, met overdrijving, waarom zij als vee beschouwd worden (vs 3, zie Ps. 73:22). De dwaasheid is immers bij Job die in toorn zichzelf verscheurt. Job heeft geklaagd dat Gods toorn hem verscheurde (16:9), maar, zegt Bildad, dat doe je zelf! In uw woede verzet gij u tegen alle vaststaande werkelijkheden. Moet ter wille van Jobs mening de wereld op haar kop gaan staan? (vs 4). Hij doelt op Jobs ontkenning van de vergeldingsleer van de vrienden (12:6 enz.). Daarom gaat Bildad maar weer eens met grote nadruk zeggen hoe slecht het met de goddelozen afloopt (vss 5-21). Hij sluit hier aan bij Elifaz (hst. 15). Hij drukt zich wel in het algemeen uit maar als hij zegt: de eerstgeborene van de dood, dwz. een dodelijke ziekte, vreet stukken van zijn huid weg (vs 13) – zie Jobs eigen woorden, 7:5 – dan wordt hij persoonlijk en doelt hij op Job: het is het lot der goddelozen dat over hem gekomen is. Bildad eindigt hard, harder dan de vorige keer (8:21). Daar liet hij doorschemeren dat Job misschien niet tot de goddelozen behoorde. Nu schijnt hij Job geen kans meer te geven.

Wat hij zegt is op zichzelf genomen wel waar – men zie Ps. 37:9; Mal. 4:1. Maar het lost Jobs probleem niet op, gaat daaraan voorbij. Moet er niet iets anders zijn dat ook waar is en Job wèl vertroost? Daarnaar zoekt Job.

Job antwoordt 19:1-29

Ontroerend klinkt de klacht van Job over het gedrag van zijn vrienden. Ze grieven zijn ziel. Onder hun harde woorden voelt hij zich innerlijk gebroken. Tien maal behoeft niet letterlijk genomen te worden (Gen. 31:7; Num. 14:22) maar betekent: dikwijls. Hij wordt zelfs in de overtuiging van zijn onschuld geschokt en vraagt: Heb ik dan werkelijk gedwaald? (vs 3; zie 7:21). Maar dan moeten ze zeggen wat zijn zonde was (13:23). Maar Job kan dat niet aanvaarden: zijn rampen komen niet als straf op zonde. Dus: God heeft mij onrecht aangedaan (vs 6). Dit mocht Job niet zeggen. Dit behoort tot de woorden die hij later herroept (42:6). Eerst heeft Job niet gezocht naar een oorzaak van zijn rampen. God is imr mers souverein. Maar als de vrienden een verkeerde oorzaak noemen, moet hij zich daartegen toch verzetten. Hij roept: ‘GeweldV, (vgl. Hab. 1:2). Dat is het wat God hem aandoet. Hij beschrijft nu dat geweld dat God hem aandoet, vss 8-12. En wat de mensen betreft – die laten hem in de steek, allemaal, tot zijn vrouw toe, vss 13-19. Verder klaagt Job over zijn ziekte, vs 20. Die verlatenheid is ook een trek van het lijden van Christus. Hartroerend klinkt zijn smeekbede om ontferming (vs 21). Hoe kunnen de mensen hem toch zo vervolgen – net als God. Daarin ligt zijdelings een verwijt aan God. Maar ook aan de mensen die menen een door God geplaagde te mogen verachten (Jes. 53:4). Zij krijgen van zijn vlees niet genoeg, vs 22. Iemands vlees eten betekent hem belasteren (Dan. 3:8; 6:25). Hun beschuldigingen overstemmen zijn onschuldbetuigingen. Ook later als hij dood is zal hij nog bekend staan als een gestrafte overtreder. Die gedachte is hem onverdraaglijk. Daarom wenst hij dat zijn onschuldbetuigingen worden opgeschreven op duurzaam materiaal. Als hij voortgaat met ‘Maar… (vs 25) laat hij die gedachte weer los, omdat hij iets beters heeft! Hij weet dat zijn Losser leeft. De losser heeft in Israels wetgeving een brede taak (Lev. 25). Hij moet de verarmde, de verkochte, de ontrechte vrijkopen, verlossen. Zo krijgt ‘losser’ de betekenis van ‘verlosser’ (zie Jes. 59:20; Jer. 50:34).

Job zelf heeft de dood voor ogen maar hij weet dat zijn Verlosser leeft.

Deze uitspraak van Job is erg bekend en wordt dikwijls aangehaald. Het is jammer dat de tekst van het vervolg zo onduidelijk is, eigenlijk onvertaalbaar. Maar in een bijbelvertaling wil men geen … zetten. Daarom vinden we in onze bijbel (NBG) een van de vele pogingen om tot een redelijke vertaling te komen. Vs 25b: de Losser, dezelfde als de Getuige en de Pleitbezorger (16:19) en de borg (17:3), zal ten laatste op het stof optreden. De worstelende Job ziet hier weer profetisch, nog vaag, wat later tot volle klaarheid zal komen – Dan. 12:2! (Het boek Job is geschreven vóór het boek Daniël, zie de inl.). De woorden uit mijn vlees (of ‘zonder mijn vlees’ of ‘buiten mijn vlees’) kunnen betrekking hebben op Jobs aardse leven, na zijn genezing (of op het leven na de dood, in dit geval heeft Jobs profetische inzicht een forse sprong gemaakt!) Hoe onzeker hier de verklaring is, de woorden God aanschouwen spreken een duidelijke taal; ze betekenen: Gods gunst ervaren (Ps. 11:7, 17:15). Job ondervindt God nü als Tegenstander (16:9), maar dan zal hij Hem ten goede aanschouwen. Daarnaar verlangt hij zeer. Vs 27: nieren zijn de zetel van het gemoedsleven (Ps. 16:7; 73;21; 139:13; Spr. 23:16; Jes. 11:20).

Op dit hoogtepunt van zijn verzekerdheid ziet Job tegelijk in welk gevaar zijn vrienden verkeren door zo hardnekkig een onschuldige te veroordelen. Hij waarschuwt hen (vs 29) voor de gevolgen daarvan: op vals getuigenis staat de doodstraf (Deut. 19:16-21).

Dat hij onschuldig veroordeeld wordt is ook een trek uit het lijden van Christus.

Tweede rede van Sofar 20:1-29

Het stormt in hem, zegt Sofar. Hij wordt kwaad. Vooral omdat Job spreekt van zekerheden die helemaal niet passen in de beschouwingen der vrienden (over de Losser). Waar haalt Job dit vandaan? Van oudsher! (vs 4; zie ook Elifaz in 15:7-9). Sofar weet dit niet maar in Job werkt de geest der openbaring, der profetie. Hieraan zijn de vrienden vreemd. Zij blijven staan op het standpunt der vergeldingstheorie. Maar Job komt verder.

Sofar begint dan ook maar weer over het lot der goddelozen, eerst over zijn ondergang (vss 5-18), daarna over zijn misdaden: hij heeft geringen verbrijzeld, vs deze opsomming van misdaden ligt een verholen heenwijzing naar Job. Hij wil zijn buik vullen met lekkernijen maar God heeft iets anders om zijn buik mee te vullen namelijk zijn gloeiende toorn. Hij vlucht dan voor het ene en vervalt in het andere (vs 24; zie Arnos 5:19). Dit oordeel komt van God! Niet door mensen. Hemel en aarde getuigen tegen hem, vs 27; zie Deut. 4:26; 30:19;31:28, 32:1. Sofar insinueert dat Job zich ook aan afpersing en uitbuiting heeft schuldig gemaakt en daardoor zo rijk is geworden. Maar de rijkdom is weg, door ramp en vuur.

Job heeft gevraagd wat dan zijn zonde was (19:5). Hier krijgt hij het antwoord van Sofar.

Sofar eindigt zoals Bildad, 18:21.

Job antwoordt 21:1-34

Job weerlegt de theorie der vrienden over de ondergang der goddelozen. Hij vraagt hem geduldig aan te horen en wat hij zegt niet terstond als bespottelijk te verwerpen (zie 19:3). Zijn moeilijkheid is tenslotte niet gelegen in wat mensen doen maar wat God doet (vs 4). Daarom wordt hij ‘ongeduldig’ dwz. ten einde raad. In vs 7 begint hij het mooie leven van de goddelozen te beschrijven. Met waarom blijven de goddelozen in leven stelt hij dit feit vast en geeft met ‘waarom’ zijn kritiek hierop. Hij beschrijft hun voorspoed in hun gezinsleven (vss 912), in hun veebedrijf (vss 9-10); zelfs hun uiteinde is vrede (vs 13). Intussen zijn ze echt goddeloos (vss 14, 15). Vss 16-19a kan opgevat worden als een interruptie van een der vrienden: er komt toch wel verderf over hen, in elk geval over hun kinderen. Maar dat is verkeerd in Jobs ogen; de goddeloze moet de straf zelf aan den lijve ondervinden (vss 19b-21). Vs 22 is weer een interruptie van een der vrienden: men mag geen kritiek op God hebben. Maar Job gaat ongestoord voort met de beschrijving van Gods daden en wijst weer (zie 12:14 enz.) op het grillige daarvan.

Job weet wel wat zijn vrienden denken: het huis van de goddelozen is toch verdwenen (vss 27, 28)! Maar dat is niet zo, zegt Job. Vraag het maar aan bereisde mensen die iets van de wereld gezien hebben. Zij kunnen getuigen dat in dagen van ramp en oordeel de bozen er goed afkomen (vs 30). En als toch eenmaal hun einde komt dan krijgen ze een eervolle begrafenis (vs 32). Vs 33 beschrijft de begrafenisstoet. Jobs ervaring is dus tegengesteld aan die van de dichter van Ps. 37 (vss 9-11, 25, 26). Job besluit met te zeggen dat de vrienden hem vertroosten met ij dele woorden.

Hier eindigt de tweede ronde der gesprekken.

Derde rede van Elifaz 22:1-30

Elifaz pakt de zaak nu van een andere kant aan. Hij zegt: wij, mensen, bewijzen God geen dienst met vroom te zijn maar het is tot ons eigen voordeel. Deze opvatting is niet vreemd voor Job. Hij heeft zelf ook zo gesproken (7:20) en later Elihu ook (35:6-8). In zekere zin is dit wel waar. God is volmaakt in Zichzelf; Hij heeft niets van ons nodig (Hand. 17:25). Hij is de Algenoegzame. Toch is God niet onaandoenlijk voor het gedrag van de mensen (1 Sam. 15:22); Hij wil dat wij Hem eren, prijzen, zijn naam groot maken (Ps. 34:4). Elifaz heeft dus niet helemaal gelijk. Trouwens, hij spreekt zichzelf tegen als hij vraagt: Zou Hij u soms om uw godsvrucht bestraffen? (vs 4). God reageert dus wel op het gedrag van de mensen! Op grond van deze inconsequente redenering beschuldigt hij Job van zonde. Eerst in vragende vorm (vs 5), dan verder positief (vss 6-9). Later in hst. 31 ontkent Job plechtig aan deze zonden schuldig te zijn.

De zonden die Elifaz opnoemt liggen op sociaal terrein.

Wat hij opnoemt is inderdaad zondig (Jes. 1:17). Invs 10 wijst Elifaz op de gevolgen van Jobs boosheid; ze zijn zielkundig van aard. Zo oordeelde ook Bildad (18:8-10). Verder wijst hij op de hoogheid Gods. Daaruit zou Job dan afleiden dat God de dingen op de aarde niet ziet. Elifaz vraagt aan Job of hij net zo denkt als de boosdoeners die hij zelf beschreven heeft (21:14,15). Elifaz zelf denkt niet zo (vs 18b). Die boosdoeners zijn vernietigd tot vreugde der rechtvaardigen (vss 19, 20).

Elifaz eindigt met vriendelijke vermaning. Gewen u toch aan God, vs 21. Dit klinkt mystiek. Het is ook inderdaad een goede raad: zich schikken naar Gods weg. Hij verzekert Job dat hij dan vrede zal hebben. Maar dan moet hij zich bekeren. Vs 29 moet wel vertaald worden: Want Hij vernedert wie hoogmoedig spreekt maar helpt de nederigen.

Het zijn werkelijk goede vermaningen die Elifaz ten beste geeft. Menig zondaar kan daar zijn winst mee doen. Maar Job is niet zo’n zondaar. Wat de vrienden zeggen raakt zijn probleem niet.

Job antwoordt 23:1-24:25

Steeds heftiger protesteert Job tegen de behandeling die hij van Gods kant ondervindt. Maar hij probeert zich in te houden. Elifaz gaf wel wijze raad: zich tot God wenden. Liet God zich maar vinden!, vs 3. Dan zou hij zijn rechtszaak met God uiteenzetten, vragen naar de reden van zijn rampen. Hij is toch onschuldig. Hij heeft bewijzen genoeg (vs 4). Intussen bekruipt hem toch weer de oude vrees voor Gods overmacht (9:34, 13:20, 21). Maar God laat Zich niet vinden (vss 8, 9). En waarom niet? Omdat Hij weet dat Job onschuldig is. God ontwijkt een rechtsgeding met Job! Hiertegen kan Job niets beginnen (vs 13). God blijft Zichzelf gelijk, onkeerbaar. Wat Hij over Job beschikt heeft voert Hij uit. Wie weet wat Hij nog meer met Job van plan is (vs 14b). Daarom is hij voor Hem verschrikt. Jobs ergste verschrikking is niet zijn lijden maar Gods houding jegens hem.

Job ondervindt godverlatenheid. Daarmee beproeft God hem. Maar Job blijft God zoeken. Hij vloekt God niet, laat Hem niet los. Hierin is hij type van Christus (zie Mark. 15:34).

Hst. 24. Job ondervindt geen recht maar daarin staat hij niet alleen; dat is een algemeen verschijnsel en een bittere teleurstelling voor hen die Hem kennen. Zij zien uit naar gericht (Op. 6:10). In vss 2-4 geeft Job een opsomming van mensen over wie toch nodig gericht moest gehouden worden. Het zijn mensen die zich schuldig maken aan sociale misdaden. Daardoor ontstaat in de bevolking een groep ellendigen die zich verbergen dwz. een goed heenkomen moeten zoeken. In de vss 5-8 volgt nu een beschrijving van die ellendigen, die armen en berooiden. Ze leiden een leven als wilde ezels (zebra’s). Ze zwerven rond om voedsel te zoeken, ook voor hun kinderen. Maar de steppe levert niet veel op. Dit dwingt hen over te gaan tot diefstal. Daartoe gaan ze naar het cultuurgebied. Daar wonen de rijken die hen uitgemergeld hebben. Daar ‘oogsten’ zij nu, niet als dienstknechten van die rijken zoals vroeger, maar als dieven die des nachts stelen van korenhoop en wijngaard. Zodoende wreken ze zich tegelijk op hun onderdrukkers.

Met hun kleding en behuizing staat het er al even slechtvoor.

Vs 9 sluit aan bij vss 2-4; daarna gaat vs 10 weer voort na 5-8.

De wees van de moederborst roven is een onbarmhartig optreden van schuldeisers. Het kind wordt genomen om het (later) als slaaf te verkopen ter vergoeding van de onbetaalde schulden van de gestorven vader.

Als die ellendigen dienst aanvaarden bij hun onderdrukkers dan mogen ze onder het werk niet eten van het graan dat ze dorsen of drinken van de wijn die ze persen, vs 11. Wat het dier vergund moet worden (Deut. 25:4) wordt hun ontzegd. Wie in de stad terecht komen kermen het uit, maar God slaat geen acht op hun gebed. Dit is Jobs klacht: er zijn geen gerichtsdagen.

Job beschrijft hier vreselijke sociale misstanden, misstanden waartegen de profeten ook geprofeteerd hebben. Vs 13. Met anderen noemt Job een andere groep van goddelozen. Dit zijn geen goddelozen die de schijn van recht weten te bewaren maar echte boeven. Job noemt drie groepen op: moordenaars, vs 14, overspelers, echtbrekers, vs 15, dieven, vs 14; overtreders van het zesde, zevende en achtste gebod. In deze volgorde worden ze ook opgenoemd. Job noemt ze vijanden van het licht. Wat ze doen zijn werken der duisternis.

Vss 18- deze verzen lezen we een beschrijving van het lot, dit is de ondergang der goddelozen. Dit is geen gewoon onderwerp voor Job, wel voor de vrienden. Ook heeft Job geklaagd dat er geen gericht is en nu schrijft hij toch over gericht. Omdat er in dit hoofdstuk meer niet op zijn plaats lijkt te staan (zie vs 9) wagen we de veronderstelling dat dit ook met vss 18-25 het geval is. De rede van Bildad (hst. 25) is heel kort; misschien horen deze verzen daar bij?

Met snel drijven zij voort op het watervlak, vs 18, wordt een schielijke ondergang beschreven (zie Hos. 10:7). Tekenend wordt van de goddelozen gezegd dat men hen niet meer ziet op pad naar hun wijnberg om daar genoeglijk te vertoeven (Mi. 4:4), terwijl hun arbeiders uitgemergeld werden (vs 11). De moederschoot vergeet hen. Deze gedachte van vergeten worden ook in 8:8 door Bildad (!) uitgesproken. Job heeft juist het tegendeel beweerd (21:32). Ook de uitdrukking de ongerechtigheid wordt gebroken als een boom, vs 20, spreekt van gericht. Een boom is anders niet zo breekbaar maar de ongerechtigheid kan te zwaar worden. Het op ongerechtigheid gebouwde leven, hoe sterk ook, stort in elkaar. Vs 21 spreekt weer van de telkens genoemde sociale misstanden. De vrouw zonder man of zoons wordt uitgeplunderd. Voor het geval dat God zo’n schraper in veiligheid stelt, leunt hij daar wel op maar het is slechts van korte duur (vs 24). Uitdagend eindigt deze spreker met: Spreek mij eens tegen!

Derde rede van Bildad 25:1-6

Bildad tekent God in zijn verschrikkelijke hoogheid, waarmee Hij de vrede handhaaft in zijn hoge hemel. Dit wekt de gedachte dat daar onvrede dreigt. De woorden van Elifaz dat God geen vertrouwen stelt in zijn knechten (4:18) en heiligen (15:15) wijzen ook in die richting. God heeft dan ook ontelbaar vele legerscharen (vs 3). Het licht dat God zelf is gaat over allen op (Heb. 4:13). Tegen deze achtergrond van Gods grootheid en macht als overwinnaar en heerser wordt de rechtvaardigheid van de zwakke {uit een vrouw geboren) mens onmogelijk geacht. Dat heeft Elifaz ook gezegd: 4:17; zie aldaar.

De laatste spreker (want Sofar heeft niet weer gesproken) komt dus uit bij het uitgangspunt van de eerste. Zij zijn niets verder gekomen. En Job handhaaft zijn zaakge-rechtigheid. Hij ontkent niet alle zondigheid in hem (13: 26, 7:21) maar in het geding, dat nu aan de orde is staat hij in zijn recht (9:21, 10:2, 13:18, 19).

Evenals Elifaz (15:15) beweert ook Bildad dat de hemellichamen en hemelbewoners niet zuiver zijn voor God. Hoeveel te minder dan het mensenkind dat een sterveling is, een made, een worm (Jes. 41:14; Ps. 22:7).

Natuurlijk vallen de vrienden zelf ook onder deze beoordeling, maar uit woorden van Job zoals in 12:1 en 19:5 vermeld worden, blijkt dat ze zelf niet zo nederig zijn als ze Job proberen te maken. Dit is een verschijnsel dat vandaag nog in sommige kringen voorkomt.

Job antwoordt 26:1-27:23

26:1-4. Sarcastisch merkt Job op dat de vrienden hem zo ‘prachtig'(!) geholpen hebben (zie ook 12:1). Wat een wijsheid hebben ze ten toon gespreid! Waar haalden ze het vandaan?!

Vss 5- dit gedeelte wordt de inhoud geheel anders. Het gaat in zeer verheven bewoordingen over de grootheid Gods. Job heeft daar eerder ook van gewaagd (9:3 enz.; 12:13 enz.). Hier zegt Job dat God niet alleen op de aarde en in de hemel machtig is maar ook in de onderwereld, het dodenrijk, waar het verderf is. De schimmen die daar verkeren krimpen van angst voor Hem. Ook in die huiveringwekkende plekken als het Verderf (zie Op. 9: 11, Apollyon) heerst Hij. Zie ook Ps. 139:8; Arnos 9:2. In vs 7 kijkt Job naar hogere streken: Hij, God, spant het Noorden uit over de baaierd. Het noorden is de noorder hemel. In oude oosterse voorstellingen is dat de woonplaats der goden (Jes. 14:13). Baaierd is een oud nederlands woord voor de aarde in haar oorspronkelijke toestand (chaos). Als een tent wordt de hemel uitgespannen (Ps. 104:2; Jes. 40:22). De aarde wordt opgehangen aan het niet. Dit klinkt vreemd. De vertaling is trouwens ook onzeker. De gewone voorstelling is dat de aarde gegrond is, drijft op de wateren (Ps. 24:2, 136:6) en in 9:6 sprak Job van de zuilen der aarde. Deze uitspraken hebben geen wetenschappelijke bedoeling. Wat ‘geleerdheid’ betreft blijft de Bijbel op het niveau van zijn tijd. Vs 8 beschrijft werk van God dat Hij gedurig doet. Daarom kan ook de inhoud van de voorafgaande verzen betrekking hebben niet speciaal op het scheppen maar op zijn onderhouding van de schepping.

Vs 9 wordt meestal anders vertaald namelijk met ‘maanschijf ipv. ‘troon’: de maan verdwijnt soms achter wolken en komt daarna weer te voorschijn. Ook dit is in al zijn eenvoud toch een verheven schouwspel en een bewijs van de grootheid Gods en ook niet zo zeer bij de schepping maar gedurig weer. De beschrijving in vs 10 vinden we ook in Spr. 8:27. Daar kan ze een scheppingsdaad betekenen. De kring over het watervlak is de horizon. Daar schijnen de wateren op te houden. Op de horizon rust het hemelgewelf. Daarbinnen is het licht, daarbuiten heerst de duisternis. Dit zijn elkander vijandige machten. De zuilen des hemels zijn de bergen aan de horizon. Daarrust de hemel op. Ze zijn hoog en sterk maar ze wankelen en schrikken als God dreigt dwz. woedt in storm en on-weder. In deze vermelding van Gods grootheid kan wel aan het scheppingswerk gedacht worden maar ook aan natuurverschijnselen in de tijd.

In vs 12 wordt weer melding gemaakt van Rahab (zie 9: 13). Zijn verplettering – zie ook Ps. 89:10,11 – brengt de zee, die een vijandige macht is, tot rust en de hemel wordt helder als de snelle slang gedood is. Dit is de Leviathan (Jes. 27:1), ook door Job genoemd in 3:8. Blijkbaar maakt hij de dagen donker. Dit past geheel in het tekstverband: als de snelle slang verslagen is, wordt de lucht helder.

Job beschrijft hier weer de grootheid Gods in beelden ontleend aan oude babylonische mythologische verhalen. Hij heeft deze dus gekend, evenals Jesaja (27) en Ethan de Ezrahiet (Ps. 89). Ook in geschriften van Oega-rit vinden we sporen van deze verhalen. Ze waren dus wijd verbreid. We kunnen ze vandaag nog lezen in gevonden spijkerschriftteksten. In de eerste opwinding over deze vondsten is wel beweerd dat het scheppingsverhaal van Gen. 1 aan deze babylonische voorstellingen is ontleend; thans wordt daarover bezadigder geoordeeld.. We hebben bovendien gezien dat dit gedeelte niet beslist over het scheppingswerk handelt maar over Gods voortdurende machtsbetoning. Dit is ook duidelijk het geval met het slotvers.

Hst. 26:5-14 is een prachtig dichtwerk in verheven stijl over de grootheid Gods. Job kan dit zeker zo uitgesproken hebben. Of is het van de schrijver van het boek Job die dit gedicht Job in de mond legt? In het tekstverband staat het ietwat onverwacht, zoals meer stukken in deze omgeving. Het eigenlijke antwoord aan Bildad komt -na 26:1-4 – in hst. 27.

Hst. 27. Met bijzondere nadruk wordt, vs 1, gezegd dat Job nu weer het woord neemt. De spreuk is niet alleen het korte kernachtige spreekwoord maar ook de langere redevoering (vgl. Bileam, Num. 23 en 24; Ps. 78:2). Er volgt nu een zeer nadrukkelijke onschuldbetuiging van Job, onder ede afgelegd (Zo waar God leeft), bovendien met verzekering dat hij de waarheid zal spreken (vss 3, 4). Tegelijkertijd verwijt hij God dat Hij hem geen recht doet en hem bitter heeft gegriefd. Toch blijft God voor hem zijn God! Reeds dikwijls heeft Job gezegd dat hij rechtvaardig is (6:29; 9:21; 13:18; 16:19; 19:6, 25, 23:7, 10), maar nog nooit zo nadrukkelijk als nu onder ede. Hij bedoelt niet dat hij zonder zonde is (7:21; 13:26) maar hij bedoelt zijn ‘zaaksgerechtigheid’, zijn gerechtigheid in het onderhavige geval. De vrienden begaan met hun schuldigverklaring een grote vergissing, die zelfs zonde genoemd kan worden, 6:29, 13:7-11. Hij noemt hen (vs 7) vijand en tegenstander, en spreekt een verwensing tegen hen uit, namelijk dat het hun verga als de goddelozen en verkeerden. Maar het gaat hun immers goed -zo heeft Job herhaaldelijk verklaard? Ja, maar dat was in de bitterheid van zijn gemoed! In vs 8 ziet hij de eeuwige werkelijkheid: de godvergetene (beter: godvergeter) heeft als God zijn leven afsnijdt geen verwachting. Maar Job wèl, zo heeft hij reeds eerder verklaard (13:16; 19: 25).

De godvergetene krijgt geen gehoor op zijn hulpgeroep in benauwdheid. Hij kan zich niet in de Almachtige verlustigen. Job heeft de goddelozen wel beschreven als gelukkige mensen, maar hier zegt hij dat hun ongeluk op geestelijk terrein ligt. Zie 12:4b. In vs 11 gaat Job nog in deze trant voort met Ik zal u onderrichten… dwz. ge kunt aan mij zien wat God doet. En wat zien ze dan? Een man in lijden die aan zijn God vasthoudt! Hij bewijst zijn onschuld met zijn innerlijke vroomheid (zie ook 13: 16). En toch houden de vrienden vol dat hij schuldig is. Deze mening wordt hun tot een waandenkbeeld (vs 12). Zijn vroomheid is zijn gods verwachting, zijn verlustiging in de Almachtige. En dat terwijl hij die nu mist! Toch blijft hij die beschouwen als zijn geestelijk bezit. De herinnering daaraan sterkt hem. De verwachte terugkeer daarvan houdt hem staande. Deze innerlijke vroomheid is het terrein waarop de satan zijn aanval richtte. Zo ergens de nederlaag van de satan aan het licht treedt dan is het hier en zo ergens verklaarbaar wordt dat God straks zegt dat Job goed van Hem gesproken heeft, dan is het hier (42:7).

In de verzen 13-23 wordt weer het lot der goddelozen beschreven maar niet zó als Job dat deed in vss 7-10 maar in de toonaard der vrienden. Deze verzen zeggen dat het gericht aan de goddelozen voltrokken wordt op verschillende levensterreinen: zijn gezin (vss 14, 15), zijn rijkdom (vss 16,17), zijn huis en goed (vss 18, 19). Dat het gericht hen treft in hun kinderen hebben de vrienden reeds eerder gezegd (5:4; 18:19; 20:10). Dit moet voor Job zeer pijnlijk geweest zijn. Hoe zou hij zelf zo iets kunnen zeggen? Deze verzen zijn door een der vrienden gesproken en van hun oorspronkelijke plaats geraakt.

De wijsheid is alleen bij God 28:1-28

Dit hoofdstuk is een schoon dichtwerk dat zegt dat de wijsheid alleen bij God is. Het past niet zo goed in de dialoogvorm maar wel in de wijsheidssfeer van dit boek. Trouwens – de sprekers hebben elkaar over en weer verweten de echte wijsheid te missen (Elifaz, 15:2; Bildad, 8:2,18:1; Sofar, 11:2, 3; Job, 12:1). Mogelijk hebben we hier te doen met een zelfstandig gedicht dat in dit boek is ingelast. In elk geval is het een waardevol schriftgedeelte dat gelezen kan worden naast Spreuken 8.

Om tot zijn doel te geraken noemt de dichter eerst allerlei kostbare dingen die de mens wèl, hoewel met grote inspanning, kan bereiken. Zo noemt hij zilver en goud dat uit mijnen gehaald wordt (vss 1-4). Blijkbaar worden de (dwang)arbeiders aan koorden in de schachten neergelaten (vs 4b). In Palestina kwam dit niet voor. De dichter droeg kennis van wat elders gebeurde. Na een ontboezeming over het vuur der begeerte waarmee de mens de aarde doorwoelt en over de voor roofdieren en roofvogels onbereikbare vindplaatsen van lazuursteen en goud (vss 5-8), gaat hij in vs 9 voort met de tekening van het mijnwerk dat met ondergronds water te kampen heeft (vs 11) en roept uit: hij brengt het verborgene aan het licht. Daartegenover stelt hij dan de vraag: Maar waar wordt de wijsheid gevonden? Hij antwoordt zelf: Niet in het land der levenden dwz. op de aarde waar de mensen wonen. Ook niet in de waterdiepte, de zee. Omdat zo dikwijls beweerd wordt dat Israel in zijn geestelijke voorstellingswereld van de babylonische afhankelijk was, moeten we er goed op letten dat de afgrond en de zee zeggen: niet bij mij! In de babylonische voorstellingswereldis de waterdiepte juist wèl de plaats van de wijsheid! Daarna gaat de dichter voort door de onbetaalbare waarde der wijsheid op te noemen (vss 15-19). Dan herhaalt hij bij wijze van refrein (vs 20): Vanwaar komt de wijsheid? Zij is onttrokken aan de ogen der levenden. Wat hoog vliegt ziet haar toch niet en wat laag huist, verderf en dood, hoort slechts geruchten. De wijsheid behoort bij het leven. De onderwereld weet er het fijne niet van. Dan komt de dichter tot zijn doel: God kent de weg tot haar, vs 23. Hij zag haar. En wanneer was dat? Dat staat in de vss 25 en 26. Men leze deze verzen naast Spr. 8:2430.

God is ook de enige die de ontmoeting met de wijsheid kan waarderen en haar plaatsen in zijn wereldbeleid. Hij vorst haar uit en gebruikt haar (vs 27).

En de mens dan? Moet hij zonder de hoogste wijsheid klaar komen? Zeker, God is de alleen wijze God, Rom. 16:27. De wijsheid is Godes! Maar Hij laat de mensen niet hun domme gang gaan; Hij zegt tot hen: de vreze des Heren, dat is wijsheid; en daarbij: wijken van het kwade. Zie ook Spr. 1:7, 9:10. Door de HERE te vrezen zal de mens ook wijs zijn, zó als het voor hem als schepsel Gods mogelijk is. Zie ook Pred. 12:13.

God vrezen en wijken van het kwade – dat is het juist wat Job gedaan heeft (1:1). Zo is vers 28 een schakel tussen dit hoofdstuk en het gehele boek.

Jobs alleenspraak hst. 29-31

In deze hoofdstukken is Job aan het woord. Ze zijn echter geen voortzetting van de dialoog; hij houdt een monoloog waarin hij eerst zijn schoon verleden overdenkt (hst. 29), dan het bittere heden beschrijft (hst. 30) en ten slotte zijn onschuldbetuigingen krachtig herhaalt (hst. 31).

Hst. 29. Job beschrijft zijn vroegere welstand eerst van de geestelijke kant: zijn vertrouwelijke omgang met God. Voor lamp (vs 3) – zie 18:6, 21:17 en Ps. 18:29. Daarna zijn gezinsleven en huiselijke welvaart. Olijven groeien tussen de rotsen, vandaar vs 6b. Hij was aanzienlijk en geëerd (vss 7-11). Tot het mooie van zijn leven behoorde ook zijn sociale weldadigheid (vss 12-17). Zie bij vs 12 ook Ps. 72:12. Wat zijn toekomstverwachting betreft, vergelijkt hij zich met de fenix, vs 18, de vogel, waarvan verteld werd, dat hij steeds weer uit zijn as herrees, maar hier kan beter vertaald worden met ‘zand’; zo veel zouden zijn dagen zijn. In vs 20 is boog het beeld van kracht; dat deze zich verjongt betekent dat hij buigzaam en dus bruikbaar blijft. Voorts ging van hem grote invloed uit op zijn omgeving. Vs 24b betekent dat mensen die Jobs hulp inriepen, het nooit zo benauwd konden hebben, dat Job zelf ook moedeloos begon te kijken. Hij wist altijd raad. De slotwoorden doen denken aan Jes. 61:2!

Hst. 30. Met maar nu gaat Job over tot de beschrijving van het bittere heden. Hij wordt bespot door mensen van het laagste allooi (19:18), door eerloze lieden (vs 8). Zie ook 24:5-8. Dit gebeurt omdat God zijn tentkoord heeft losgemaakt (vs 11), dwz. zijn positie in het leven ondermijnd. Altijd weer betrekt Job God in zijn ellende! Nu treedt dat volkje teugelloos tegen hem op (vss 11-15). Jobs ziel stort zich uit in hem; hij smelt weg in tranen. In vs 20 wendt Job zich met hulpgeroep rechtstreeks totGod. Maar hij krijgt geen antwoord. In plaats van hulp ervaart hij Gods gewelddadig optreden (vgl. 16:9). In de woorden Ja, ik weet… (vs 23) ligt hetzelfde verwijt als in 9:28 en 10:13. Hij meent dat een neergestorte dwz. iemand die ondergaat in zijn ellende toch moet geholpen worden (vss 24,25). Zelf hielp hij altijd ellendigen, vs 25, (29:12). Maar hij wordt niet geholpen. Daardoor is zijn gemoed in beroering, het kookt; zelfs in het publiek (in de gemeente) kan hij zich niet goed houden. Hij schreeuwt het uit. Al jammerend lijkt hij op de jakhals die ook zo jammeren kan (Mi. 1:8). In vs 30 noemt Job ziekteverschijnselen op. Alle vrolijkheid (zie 21:2) is uit zijn leven verdwenen.

Hst. 31. Dit is het hoofdstuk van zijn onschuldbetuigingen in de vorm van eedzweringen, het hoofdstuk dus van de reinigingseden. De eedsformule bestaat uit twee zinnen. De eerste zegt: indien ik dit of dat gedaan heb; de tweede bevat een verwensing; zie vss 7 en 8. Niet op elke indien-zin volgt een verwensing; die volgt dan op een aaneenschakeling van indien-zinnen; zo volgt de verwensing van vs 22 op de voorwaardelijke zinnen van vss 1621. Ook kan de verwensing achterwege blijven, zie vss 33 en 34, omdat de lezer weet dat een verwensing bedoeld wordt. Wil men iets niet ontkennen maar bevestigen dan wordt de indien-zin ontkennend, zie vs 31.

De verzen 1-4 beginnen nog niet met deze eedsvormen. Job zegt dat hij met zijn ogen een verbond gesloten heeft. Een verbond is soms een overeenkomst tussen gelijkwaardige partijen (1 Kon. 5:12), maar dikwijls is het ook de manier waarmee een sterkere aan een zwakkere voorwaarden oplegt (1 Sam. 11:1,2). Dit is in vss 1-4 het geval. De ogen worden als personen voorgesteld waaraan Job zijn wil oplegt namelijk om nooit een maagd aan te zien. Hieruit blijkt hoe hij op hoog zedelijk peil staat. Hij heeft het hier niet over overspel – dat komt later (vs 9), maar over een maagd. Een maagd is niemands vrouw en kan door iedere man genomen worden, ook al heeft hij reeds een vrouw. Deze polygame gewoonte moet echter wel, evenals echtscheiding, gerekend worden tot wat God toelaat vanwege de hardigheid des harten (Mat. 19: 8). ‘Van den beginne is het zo niet geweest’. Heeft de vrome Job van Gods wil in den beginne besef gehad? Alleen op zuiver monogaam standpunt zijn zijn woorden begrijpelijk. In vss 3 en 4 rekent hij deze gewoonte tot het werk van de verkeerde en tot de ongerechtigheid.

Vs 5. Nu beginnen de reinigingseden. De eerste, over leugen en bedrog, is nog niet in de boven omschreven vorm gesteld maar Job waagt zich aan beoordeling door God zelf. De volgende (vss 7, 8) is wel in de boven omschreven vorm. Deze handelt over afwijking van de goede weg waarbij hij zich door ‘de begeerlijkheid der ogen’ (1 Joh. 2:16) zou hebben laten leiden (zie vs 1). De volgende (vss 9, 10) handelt over overspel. De verwensing is dat zijn vrouw zal malen voor een ander. Dat is slavenarbeid (Simson). De maalmeid heeft de allerslechtste positie (Ex. 11:5; Jes. 47:2). Mogelijk is ‘malen’ hier term voor sexueel verkeer, wat dikwijls in oude talen het geval is. In elk geval wordt dit in vs 10b bedoeld. Het schijnt alsof de straf dan neerkomt op de vrouw, maar wanneer de vrouw dit moet verduren dan is dat ook een grote smaad voor haar man. Na de verwensing weidt Job nog verder uit over de verschrikkelijkheidvan deze zonde: ze is als een vuur (Spr. 6:26-29, 7:26, 27).

In de vierde eed ontkent Job dat hij zijn ondergeschikten ooit onrechtvaardig behandeld heeft. Deze eed is zonder verwensing maar met een uitweiding over de ernst van rechtsonthouding aan minderen. Heer en knecht hebben immers dezelfde Maker! Job geeft hier een fijne sociologische les (vss 13-15).

In de vijfde onschuldbetuiging (vss 16-18) verklaart Job dat hij nooit onbarmhartig was jegens weduwen en wezen; en in de zesde (19-20) hetzelfde jegens zwervers. In vs 20 is ‘lendenen’ een personificatie: de man zelf heeft Job gezegend, omdat zijn lendenen weer warm geworden waren door kleren van de wol van Jobs schapen.

De zevende betuiging (vss 21, 22) heeft wel een verwensing. Deze is ook toepasselijk op de vorige. Bijstand in de poort betekent dat als een aanzienlijk man in de poort, dwz. bij ambtelijke rechtsspraak, in geval hij niet rechtvaardig oordeelde, hij geen tegenspraak maar bijval zou vinden. De verwensing houdt in dat zijn arm zou breken. Vs 23 is een uitweiding: zijn diepste motief is vrees voor straf van God.

De achtste en negende liggen op materieel gebied (vss 24, 25): hij stelde zijn vertrouwen niet op rijkdom. De tiende (vss 26-28) handelt over aanbidding van de hemellichamen. Hij heeft zon en maan nooit handkussen ter verering toegeworpen. Hun stralende schoonheid mag niet tot aanbidding verleiden, Deut. 4:19. Zie 2 Kon. 23:5. Deze zonde zou gerechtelijk gestraft worden (Deut. 17: 3); ze is verloochening van God die als Schepper boven alle schepsel te prijzen is.

De elfde verklaart dat Job vreemd is aan leedvermaak (vs 29). In de twaalfde wordt iets bevestigd (vs 31, ‘indien niet’) nl. zijn gastvrijheid.

In de dertiende betuigt Job dat hij in geval van overtreding dit niet bedekt heeft als Adam (vss 33, 34). Hier kan ook vertaald worden: ‘als een mens’ dwz. zoals mensen graag doen (zie Ps. 82:7 en Hos. 6:7). De beschrijving die Job geeft van dat bedekken past beter op het algemeen menselijk optreden dan op Adams optreden. Hij was bang voor God. In Jobs beschrijving is het meer de vrees voor mensen. Daarvan kan bij Adam geen sprake zijn. De verzen 35-37 zijn van andere inhoud, terwijl vss 38-40 weer een complete reinigingseed is. Dit is de veertiende. Dit getal (2 keer 7) zal wel niet toevallig zijn. Deze eed heeft betrekking op de landbouw. Dat de akkers jammeren is weer een personificatie. Ze kunnen mishandeld worden door wetsovertreding (Ex. 23:10; Lev. 19:19; 25: 2; 26:34, 35; Deut. 22:9). Ook kon Job vruchten van anderen nemen zonder betaling; hij ontkent dit. De verwensing ligt ook op agrarisch terrein.

De verzen 35-37 zijn het slot van de woorden van Job. De verzen 38-40 zullen wel na vs 34 te plaatsen zijn.

Het slot van Jobs woorden is een wens – Ach, dat toch… en handelt over geschreven documenten. De zin ervan sluit aan bij 19:23. Het is twijfelachtig of deze daar op de ashoop ter tafel zijn! Deze uitroep zal wel zinnebeeldig moeten verstaan worden. Bij ‘luisteren’ moeten we denken aan een rechter die zijn zaak berecht (2 Sam. 15:3). Bij die rechter denkt Job aan God (13:3; 16:18, 21; 19:7: 23:3). Genoemd wordt het stuk dat zijn tegenpartij geschreven heeft. Dit stuk bevat zijn beschuldigingen. Het stuk van Job moet zijn onschuldbetuigingen bevat hebben. Hij zet daar zijn ondertekening onder waarmee hij betuigt dat ze waar zijn. Het stuk met zijn beschuldigingen verwerpt hij met beslistheid. Op mijn schouder nemen en als een diadeem ombinden, vs 36, zijn uitdrukkingen om aan te duiden dat ze hem niets aandoen en dat hij ze triomfantelijk verwerpt. Hij zal al zijn schreden, zijn hele leven van stap tot stap, voor God blootleggen en als een vorst frank en fier tot Hem naderen.

Zo eindigen de woorden van Job niet in een schuldbelijdenis. De vrienden winnen het niet. Hij zal tot God naderen. De satan wint het ook niet.

Het optreden van Elihu hst. 32-37

Hst. 32. Een nieuwe spreker treedt op, Elihu, waarschijnlijk een Arameeër (Gen. 22:21). Hij is ontevreden over het verloop van de dialoog maar heeft als jongste lang gezwegen (32:1-6). Na deze inleiding in proza gaat het verhaal weer voort in gebonden stijl.

De verontwaardiging brandt in hem en hij zal zijn mening onomwonden zeggen.

Hst. 33. Hij zegt eerst nog dat Job niet bang voor hem hoeft te zijn. Hij is ook maar een mens, uit leem afgeknepen (vss 6, 7). Op deze wijze wordt nergens elders in de Bijbel over de ‘formering’ (Gen. 2:8) van de mens gesproken (wel in buitenbijbelse literatuur); zie ook Gen. 3:19.

Vs dit vers komt Elihu eindelijk ter zake. Hij pakt de zaak aan bij uitlatingen van Job over zijn onschuld en over Gods houding jegens hem. Inderdaad heeft Job zo gesproken (9:21, 10:7, 12:4, 13:18, 23, 16:17, 23:10, 27: 5; 31:1-40; 13:24, 27; 19:11; 30:21). Elihu heeft het duidelijk gehoord en goed onthouden.

Elihu zegt (vs 12) dat Job ongelijk heeft. En waarom? Omdat God meer is dan een sterveling. De mens mag zich tegen de hoge God niet verzetten. Omdat Job dat toch deed was Elihu’s toorn ontbrand (32:2).

Job heeft geklaagd dat God hem niet antwoordt – zo moet vs 13 vertaald worden (zie 19:7; 13:20). Maar, zegt Elihu, dat is onoplettendheid van de mensen (vs 14). God spreekt op verschillende wijzen tot ons, door dromen (vss 14-18) of door ziekte (vss 19-22). Job heeft ook dromen gehad (7:14). God verzegelt dwz. benadrukt daarmee de reeds gedane vermaningen. Het doel is de mens op zijn weg van hoogmoed tot stilstand te brengen.

Ook door ziekte spreekt God. Dat heeft Job toch ook ondervonden, wil Elihu zeggen. Zo’n ziekte kan de dood nabij brengen. Bij zo’n ziekte kan echter ook iets bijzonders gebeuren: een engel kan aan hem ter hulpe verschijnen. Dit is een zeldzaam geval: een uit duizend, vs tegenstelling met de vrienden beschuldigt die engel de zieke niet maar geeft hij hem zijn onschuld te kennen. Hier opent Elihu een troostvol perspectief. Elihu zegt nog meer: Die engel zal zich over hem erbarmen en zijn bevrijding bevelen, want hij heeft de losprijs verkregen. Deze ‘hij’ kan niemand anders zijn dan God zelf want Hij is het alleen die hierover de beschikking heeft. De behoefte aan een middelaar waarvan Job gesproken heeft (9:33, 16:19) kan dus vervuld worden. Elihu spreekt hier van een zaak waarvan we bij al wat gezegd is nog niet gehoord hebben nl. van een losprijs. Dit woord betekent eigenlijk bedekking nl. van de zonde (lees hierbij de Heidelb. Cat. vr. en antw. 36 en 81). Dat heeft de zondaar nodig – bedekking! Maar wat is de bedekking? Vijgebladeren? (Gen. 3:7) of bergen en heuvelen? (Hos. 10:8; Luk. 23:30). De enige reddende bedekking is de zoenverdienste van Jesus Christus. Het bevel bevrijd hem, vs 24, is gericht tot de engel, de voorspraak, één uit duizend. Dit moet een machtige engel zijn die op Gods bevel verlost van de dood. Hij is de Engel des HEREN.

Elihu blijkt een profetisch inzicht te hebben waardoor hij ver boven de vrienden uitsteekt. Zij hebben nooit van een losprijs gesproken.

Na de vergeving komt het herstel van de ziekte en herstel van de gemeenschap met God (vss 25-28). Dan zingt de verloste zijn danklied.

,Hst. 34. Elihu gaat nu wat Job gezegd heeft eens kritisch bekijken (vss 1-4). Hij noemt Jobs onschuldbetuigingen godslasterlijke taal (vss 5-7). Zo heeft Elifaz ook geoordeeld (15:16).

In vs 9 zegt Elihu dat Job gezegd heeft dat het de mens niet baat om omgang met God te hebben. Maar dat heeft Job niet gezegd. Hij heeft gezegd dat de goddelozen zo spreken (21:15). Wel heeft Job in de bitterheid van zijn gemoed dingen gezegd waarop Elihu nu kan doelen (7: 20; 9:22; 10:15). Elihu gaat nu God verdedigen: Hij is niet onrechtvaardig (vss 10-12). De Almachtige buigt het recht niet! Dan weidt Elihu verder uit over die almacht van God (vss 13-15). Is dan macht bewijs van recht? Nog sterker dringt deze vraag zich aan ons op als hij aldus verder redeneert: wie het recht haat kan niet regeren. Maar God regeert. Dus is Hij rechtvaardig. Is dit geen vreemde logica? Voor aardse vorsten gaat het ten minste niet op. Maar Elihu spreekt van de almacht van de sou-vereine God! (vss 17-28). En een kenmerk van zijn regeren is dat Hij vorsten niet naar de ogen ziet. Hij ziet ook alle schreden van de mensen en de goddelozen kunnen zich voor zijn oog niet verbergen. Onderzoek hoeft Hij niet te doen (vs 24). Hij tuchtigt op heterdaad (vs 26). Hiermede wijst Elihu ook op de alwetendheid van God als een grondslag van zijn rechtspraak.

Uit dezelfde almacht en vrijmacht van God vloeit voort dat Hij zich stilhoudt in plaats van recht te spreken (zie Jobs klacht, 24:1). Dan verhindert Hij niet dat een godvergeten man door wie het volk ten ondergang gevoerd wordt, koning zij. Maar dan kunnen wij daar geen aanmerking op maken! (vs 29). Job houde zich dat voor gezegd! Vooral met het oog op het bijzondere geval dat Elihu nu stelt en waarover Job afkeuring heeft uitgesproken, vs 33. Dit is het geval dat iemand berouw toont (vs32) .

Moet God dan volgens Job toch vergelden? Dit is een nieuw probleem! Hij daagt Job uit hierop in te gaan (vs

33) . Dit is een sarcastische uitdaging want hij zegt er bij dat van Job geen verstandig antwoord te verwachten is (vs 35). In vs 36 geeft Elihu zijn conclusie over Job: hij is nog lang niet waar hij wezen moet; hij moet er nog dieper door! Bij zijn zonde (Elihu denkt dus ook dat Job om zijn zonde met rampen gestraft wordt) voegt hij nog een overtreding namelijk tegen God een grote mond op te zetten (vs 37).

Hst. 35. Evenals in 34:9 beweert Elihu weer (vs 3) dat Job gezegd heeft dat hij geen baat vindt bij gerechtigheid voor God. Elihu vindt dit een ongepaste uitdrukking in de mond van Job. (Zie intussen wat Elifaz gezegd heeft, 22: 1, 2). Elihu beschouwt de zaak in tegenovergestelde richting. Job zei: Ik heb er niets aan als ik God dien. Elihu zegt: God heeft er niets aan dat jij Hem dient (zie 7: 20; Jer. 7:19). Hij bedoelt: dan heb je ook niets te verwachten, vss 1-8.

Elihu komt nu op Jobs verwijt dat er geen gericht door God geoefend wordt (24:1). God gaat op de jammerklachten der verdrukten niet in omdat in dat gejammer geen vertrouwen op God schuilt (vs 10). Het is ij del geroep (vs 13). Elihu doelt daarbij ook op Job. Omdat hij geen antwoord krijgt zet hij een grote mond op (vs 16). Zo eindigde het vorige hoofdstuk ook.

Hst. 36. Elihu heeft nog veel op zijn hart. God is geweldig, maar ziet de kleine dingen niet over het hoofd en doet recht. Als zondaren zich bekeren ervaren zij geluk; anders komen zij om. De aan ontucht gewijden (vs 14), SV ‘schandjongens’ hadden ten gevolge van hun levensgedrag een kort leven (vss 1-15).

In vs 16 begint Elihu dit toe te passen op Job. Hij rekent Job tot hen die niet horen (zie vs 12). Daarom heeft hij het oordeel over de goddelozen ten volle verdiend. Gods weg was hem te zwaar en de zware losprijs (vs 18) heeft hem van de goede weg afgebracht. De losprijs is in dit verband zijn lijden, hier genoemd zonder de profetische achtergrond van 33:34. Jobs voornaamheid, die hem in zeker opzicht toch bijgebleven is, kan hem niet redden (vs 19). In vs 20 is de nacht de gerichtsnacht (zie 34:25). Daarnaar moet Job niet verlangen! Verder prijst Elihu God als leermeester. Mensen moeten het niet beter weten dan Hij (vss 22-26). Hij roemt zijn grootheid in de natuur. De donder is zijn strijdkreet in zijn toorn tegen onrecht (vs 33). Elihu oordeelt ook hard over Job.

Hst. 37. Hier begint wel een nieuw hoofdstuk maar het is de ononderbroken voortzetting van het vorige. Het on-weder en andere verschrikkelijke natuurverschijnselen worden beschreven. Ze dienen soms ten goede soms ten gerichte (36:31). Job moet daar op letten (vs 14), letten op de wonderen Gods! Begrijpt hij iets van het zweven der wolken? Kan hij een uitspansel maken, hij wiens klederen heet worden in de warme zomer dwz. hij die last krijgt van zijn kleren? Dit is een bewijs van zijn beperktheid. Maar God wordt door niets gehinderd.

Elihu legt in het slot van zijn spreken grote nadruk op de verhevenheid van God. Hij hoort de donder reeds van de storm waaruit God zal spreken.

De HERE antwoordt 38:1-39:38

Hst. 38. Zo is dan eindelijk het ogenblik waarnaar Job zo verlangd heeft aangebroken: God antwoordt! Maar Hij antwoordt niet op Jobs vragen. Hij geeft geen verklaring van Jobs lijden. Hij zegt niet dat Hij wel weet hoe zwaar Job het gehad heeft maar dat het zo moest vanwege de aanval van de satan. God antwoordde uit een storm. Hij komt als de Verhevene, niet als zesde spreker na vijf vorige, maar als degene die uit de hoogte het beslissende woord spreekt. Hij komt zó als Job al gevreesd had dat Hij komen zou (9:14-20).

De HERE spreekt over het raadsbesluit, over Gods allesbepalende wilsbesluit. Dit is helder en licht. Maar het wordt verduisterd door woorden zonder verstand. Wie is het die dat aandurft? In deze vraag ligt een bestraffing.

Maar als Job dan meent als criticaster te kunnen optreden, laat hij zich dan schrap zetten, om op vragen van God te antwoorden opdat hij Hem onderricht. Dit is sarcastisch bedoeld. Job zal niets weten te antwoorden en dus zijn geringheid beseffen. De HERE stelt een reeks vragen over zijn werken. Job weet er immers alles van! (vss 4b, 5a, 21).

God begint bij het scheppingswerk. Waar was Job toen? God vraagt verder over de aarde (vss 4-7), de zee (vss 811), de dageraad (vss 12-15), de afgronden (vss 16-18), het licht en de duisternis (vss 19, 20) met weer ‘n sarcastische opmerking in vs 21, zie 15:7. Verder over sneeuw, over hagel dit een wapen van God is (vss 22, 23; vgl. Joz. 10:1), over de winden, regen, dauw, ijs, rijp; ook over sterrebeelden (vss 24-38). Heeft Job bevel over de wolken, de bliksemschichten?

Hst. dit hoofdstuk gaat de grote Vrager over naar een ander terrein, dat van de dierenwereld die ook vol wonderen is. In schone poëzie deelt de dichter ons Gods vragen mee over leeuw, raaf, gemzen, wilde ezels, woudos, struis, het paard, de valk, de gier. Treffend is de beschrijving van elk dier. Dit is hoogstaande hebreeuwse literatuur, zie vooral vss 22-28, de oudste en mooiste beschrijving van het paard als strijdros, een parel in de wereldliteratuur! Vss 34- deze verzen wordt het begin van het antwoord des HEREN uit 38:1 herhaald. De HERE noemt Job nu een bediller. Hij is immers een aanklager en moet zijn klachten staven (13:22) . Maar’Job kan geen bescheid geven. Hij is te gering, een nietig mens tegenover de grootheid Gods. Hij legt de hand op de mond dwz. hij zwijgt (21:5; 29:9). In 9:3 heeft Job reeds gezegd dat hij niets zal kunnen antwoorden. In deze erkenning lag iets sarcastisch. Nu zegt hij het deemoedig. God laat hem beseffen dat hij inderdaad niets te antwoorden heeft. En dat is pijnlijker dan het als een verwijt tegen God te zeggen.

De HERE antwoordt (vervolg) 40:1-41:25

Deze’tweede rede van de HERE begint op dezelfde wijze als de eerste (38:3). Verder is deze rede veel scherper dan de eerste. Daar sprak God van verduistering van zijn raad en van bedilzucht, nu zelfs van zijn recht te niet te doen. Want Job heeft als een aanklager God in het ongelijk gesteld om zelf gelijk te krijgen. Zo heeft de HERE de verwijtende aanmerkingen van Job op Gods wereldbestuur opgenomen. God kan het daarbij niet laten. Bovendien is God met Jobs reactie – de hand op de mond -niet tevreden. Het antwoord van de HERE komt hierop neer dat Hij zegt: doe ik het niet goed – doe jij het dan beter! Job moet dan zelf maar eens gaan rechtspreken. Maar dan moet Job sterk zijn. (Hier weer diezelfde gedachte dat recht en macht met elkaar gepaard gaan (34: 17). Daarom vraagt God of Job een arm (= kracht) als God heeft, of hij donderen kan als Hij, 40:4. Wanneer Job zal gaan rechtspreken dan moet hij er ook uitzien als een rechter dwz. als een koning, want de rechtspraak behoort aan de koning. Job moet dan prachtig uitgedost als een koning op de rechterstoel gaan zitten (vgl. Hand. 25:23) ; dan moet hij zijn ziedende toorn, vs 5, uitstorten. Hiermee duidt God aan dat Hij wel weet hoe Job het zou doen – als hij kon! In woede zou hij al wie hoogmoedig is neerwerpen. Alleen toorn zou zijn motief zijn. Als voorbeeld van strafwaardigheid noemt God trotsheid. Ga je gang maar, zegt God. Verpletter in uw ziedende toorn de goddelozen op staande voet. Daarna moet Job hen in het stof verbergen; dit betekent totale vernietiging. Dit alles is ironisch bedoeld. Maar het toppunt van de ironie is dat God zegt: dan zal Ik, de Almachtige God, u, de nietige mens loven, want dan hebt ge de overwinning behaald!

Hierin schuilt een scherpe bestraffing.

Wat zal Job hierop zeggen? Kan hij dit proberen? Voordat het antwoord van Job volgt komen er eerst nog beschrijvingen van grote dieren uit de schepping, nl. het nijlpaard (40:10-19) en de krokodil. Zulke beschrijvingen verwachten we hier niet meer. Ze sluiten aan bij die uit hst. 39, om de grootheid Gods uit de schepping te bewijzen. Het nijlpaard is een groot log dier dat tussen riet en lotus ligt. Zijn gebit is zijn zwaard. Hij is de eerste van Gods werken dwz. het meesterwerk. Voor de mens is hij ongenaakbaar.

Nog veel breder handelt de dichter over de krokodil, (40: 20-41:25). Hij leeft in de Nijl en daarom wordt gevraagd of je mét hem kunt doen als met een vis, hem met een bieze door zijn neus uit het water halen. Bij de smeekbeden van vs 22 merken we op dat overwinnaars in het oude Oosten overwonnen koningen met een koord door de neus voor zich lieten knielen (zie ook Jes. 37:29; Ez. 19:4). In zo’n positie smeekten de krijgsgevangenen koningen om genade. Bij vs 24 merken we op dat vogeltjes speelgoed van meisjes waren.

De drie korte zinnetjes van vs 27 zijn levendig van voorstelling en ironisch bedoeld. Bij de beschrijving van het nijlpaard was zo’n ironische vraag het slot van de beschrijving; in dit geval laat de HERE er nog een ‘toepassing’ op volgen (41:1, 2). Maar dan gaat in 41:3 de beschrijving weer verder.

De beschrijving van deze monsterachtige dieren dient om Job tot ootmoed te brengen en tot besef van eigen geringheid. Hij kan ze niet intomen. Hoe zal hij het dan wagen om tegen God, hun Schepper, in verzet te komen? Ten slotte zij opgemerkt dat de plaats waar deze beschrijvingen staan, bevreemdt. Weer een verschuiving in de volgorde?

Jobs laatste antwoord 42:1-6

Dit gedeelte past wel onmiddellijk op 40:9. Dit is het antwoord van Job op de ironische uitdaging van de HERE (40:1-9). Dit antwoord is kort, vooral als vss 3a en 4 uitgelaten worden; ze horen thuis in 38:1 en 2. Maar het is afdoende. Job erkent dat God alles vermag. Zijn plannen gaan door. Job erkent dat hij gesproken heeft over dingen die boven zijn begrip uitgingen (zie Ps. 131:1). In vs 5 getuigt hij van zijn verdieping van de kennis Gods. Hij kent God nu zo veel beter dan vroeger als zien horen overtreft. Dit is ook de gedachte bij de sacramenten, zie 1 Kon. 10:7. Over de aard van het zien Gods vergelijke men met elkaar Mat. 5:8; Joh. 3:2, 12:45; Ri. 13:22; Gen. 32:20. Door dit dieper inzicht komt Job er toe te herroepen wat hij gezegd heeft over dingen die te wonderbaar voor hem waren. Herroepen – dat is radicaal en meer dan stilzwijgen, wat hij in zijn eerste antwoord gedaan heeft. Dat was goed maar niet genoeg. Hij heeft ook berouw en doet boete. Ook daarvan was in zijn vorige antwoord geen sprake. Voor stof en as (rouwgebruiken) vergelijke men Jes. 47:1, 58:5; Jer. 6:26; Klaagl. 2: 10; 3:16; Ez. 27:30; Jona 3:16. Job buigt nu weer (1:21) voor de souvereiniteit Gods.

Jobs gezegend einde 42:1-17

Dit is de epiloog van dit bijbelboek.

De HERE spreekt tot Elifaz, de eerste en oudste van de vrienden. Hierin ligt een verbindingslijn tussen het dichtwerk (hst. 3-41) en de omraming daarvan door proloog en epiloog. (Zo ook in de vermelding van de vrienden in de proloog).

De HERE zegt tot Elifaz dat Hij toornig is op de drie vrienden, omdat ze niet recht van Hem gesproken hebben, vs 7. Ze hebben hier en daar wel goede ware dingen gezegd maar de strekking daarvan was onjuist; onjuist ten opzichte van Job. Dat zien wij wel in, maar de Here noemt dit niet. De strekking ervan was onjuist ten opzichte van Hèm, de HERE; dit noemt God! Hun conclusie volgens de vergeldingstheorie was een wit-zwart redenering zonder ruimte voor daar buiten liggende mogelijkheden. Ze hebben de handelwijze Gods vast gekneld tussen hun strakke kortzichtige consequenties. Dat was aantasting van de souvereiniteit Gods. (Over Elihu spreekt God niet!)

De woorden zoals mijn knecht Job betekenen niet: zoals mijn knecht Job ook niet gedaan heeft, maar: zoals mijn knecht Job wèl gedaan heeft. Job heeft zich soms zeer stoutmoedig uitgedrukt. Hij heeft herroepen en boete gedaan. Hoe kan God dan zeggen dat Job wel recht van God gesproken heeft? We kunnen hierop antwoorden dat God de harten der mensen kent en de gezindheid waaruit gedacht en gesproken wordt. Hij kende Jobs verlangen naar God, zoals dat onder meer bleek uit zijn profetische uitspraken over behoefte aan een middelaar en losser en borg (9:33, 16:19, 17:3, 19:25). Heel Jobs strijd was niets anders dan een zoeken naar God.

We hebben opgemerkt dat God uit de hoogte, als Souverein, tot Job gesproken heeft, zonder een woord te zeggen over zijn gelijk of ongelijk. God doet dit echter nü, terloops en zijdelings in zijn woorden tot Elifaz.

Job moet voor zijn vrienden offeren en bidden, vs 8. Dan zal God de vrienden genadig zijn ter wille van Job. Hierin is Job type van de Middelaar Jezus Christus zoals ook Abraham (Gen. 20:7, 17); Mozes (Ex. 32:11; Num. 14:2); Samuel (1 Sam. 12:19).

De vrienden vernemen dus dat Job door God in het gelijk gesteld wordt. Ook verdubbelt God al Jobs vroegere bezittingen (vs 10, zie 8:7). Ook genas hij van zijn zweren. Dit wordt niet opzettelijk vermeld maar blijkt uit de feiten. (Lees Jak. 5:11). Job kreeg ook bezoek van zijn broeders en zusters en al zijn vroegere bekenden. Wel wat laat (19:13-15)! Hij kreeg ook weer zeven zonen en drie dochters. Deze getallen worden niet verdubbeld. De omgekomen kinderen zijn niet gewoonweg als vee verloren. Zijn dochters erfden met de broeders. Job leefde nog twee maal 70 jaar (zie Ps. 90:10). Toen stierf hij, oud en van het leven verzadigd: Ook onder de gunstigste omstandigheden en in de beste zielsgesteldheid kon hij toch op aarde niet blijven leven.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken