Menu

Basis

‘Joden’ in de Bijbel – of ‘Judeeërs’?

Taal doet meer dan het overbrengen van informatie. Met de labels die we opplakken oefenen we macht uit, al zijn we ons daar zelden van bewust. Ook voor bijbelvertalingen geldt dat woorden niet neutraal zijn en dat het goed is je bewust te zijn van wat ze oproepen. Een levendig gesprek over de uitleg en toepassing van de bijbelse teksten blijft even belangrijk als een zorgvuldige vertaling.

Dit artikel gaat over de vertaling van het Grieks woord Ioudaios in het Nieuwe Testament. Wat is iemand die Ioudaios genoemd wordt: een Judeeër of een Jood? Het eerste creëert afstand tot onze tijd, het tweede slaat een brug. Als je in Johannes 4:22 leest ‘de redding komt immers van de Joden’, klinkt dat prachtig. Maar als Jezus in gesprek met ‘de Joden’ zegt: ‘jullie vader is de duivel’ (Johannes 8:44), klinkt dat ongemakkelijk. Zou je daar niet liever met ‘Judeeërs’ vertalen? Ik doe eerst de vertaalkwestie uit de doeken, en kom dan aan het eind terug op het ongemak dat met de vertaalkeuzes samenhangt.

Over Joden en Judeeërs

In het Oude Testament komt de aanduiding Jehoedîm voor. Het is afgeleid van de naam Juda (Jehoeda) en betekent ‘mensen van Juda’. De Aramese vorm is Jehoeda’iee. In het Grieks werd dat Ioudaioi, een term die voorkomt in de deuterocanonieke boeken en regelmatig in het Nieuwe Testament. In het Latijn werd het Iudaei. Van dat laatste zijn ‘onze’ woorden afgeleid.

Het woord Jood komt in het Nederlands al in de twaalfde eeuw voor, als jode, iuede, jude, et cetera, afgeleid van Iudaeus (Latijn). De Statenvertalers gebruikten consequent het woord ‘Joden’ voor de bijbelse benamingen Jehoedîm, Jehoeda’iee en Ioudaioi. Vanaf eind negentiende/begin twintigste eeuw kwam er een tweede Nederlandse term in gebruik: Judeeërs. Ook dit woord was afgeleid van het Latijnse Iudaeus. De nieuwe term werd gebruikt, bijvoorbeeld in de NBG-1951, om ten opzichte van de Statenvertaling twee veranderingen door te voeren:

– Waar de Statenvertaling in het Oude Testament spreekt over de ‘kinderen (= mensen) van Juda’, een hebraïsme, werd nu van ‘Judeeërs’ gesproken.

– Als er sprake is van Jehoedîm in teksten die spelen vóór de ballingschap worden die niet meer ‘Joden’ genoemd, maar ‘Judeeërs’.

Het Nederlands kent nu dus twee aanduidingen – Joden en Judeeërs – die allebei zijn afgeleid uit het Latijn en uiteindelijk natuurlijk allebei teruggaan op het Hebreeuwse Jehoedîm, ‘mensen van Juda’. In andere talen gebeurde hetzelfde. In het Engels: naast ‘Jews’ kwamen ‘Judaeans’; in het Duits: naast ‘Juden’ kwamen ‘Judäer’; in het Frans: naast ‘Juifs’ kwamen ‘Judéens’, et cetera. In alle gevallen speelde die hulpterm slechts een bijrol, als aanduiding van de inwoners van Juda vóór en tijdens de ballingschap. Vanaf de tijd van Ezra en Nehemia komen dan de ‘Joden’ op het bijbelse toneel. Zo doet de NBG-1951 het, en de meeste bijbelvertalingen volgen dit spoor.

De meeste onderzoekers, met name van een paar generaties geleden, ondersteunden dit beeld: in de tijd van Ezra en Nehemia werd het fundament gelegd voor de Joodse godsdienst en identiteit zoals die al eeuwenlang bestaat.

Recente discussie

Tegenwoordig menen sommige geleerden dat de overgang van Judeeërs naar Joden pas later kwam. Een belangrijke stem in het debat is Shaye Cohen. Hij meent dat de sleutel in de tijd van de Hasmoneeën ligt, in de tweede eeuw voor Christus.

Als gevolg van het politieke succes van de Hasmonese koningen werd Ioudaioi een overkoepelende term, waaronder niet meer alleen Judeeërs in de strikte zin van het woord vielen (= mensen van Juda/Judea), maar óók de inwoners van geannexeerde gebieden, zoals Galilea, Idumea, Iturea, die nu de Joodse levenswijze volgden. Het waren nu allemaal Ioudaioi.

Wie de Joodse levenswijze volgde werd als een ‘Ioudaios’ gezien

Die brede betekenis zie je terug in de diaspora: wie de Joodse levenswijze volgde werd als Ioudaios gezien, waar hij of zij ook geboren was. Cohen veronderstelt daarom dat Ioudaios in die tijd naast de geografisch-etnische betekenis ook een religieuze betekenis kreeg, en dat we daarom vanaf dit moment echt over ‘Joden’ kunnen spreken.

Een andere bekende auteur, Steve Mason, bestrijdt dat. Volgens hem blijft Ioudaios een etnische aanduiding. De Ioudaioi zijn een etnische groep, een volk met eigen wetten, eigen tradities, een eigen God, waarmee ze zich onderscheidden van andere volken. Wie Ioudaios werd, werd geen aanhanger van een godsdienst maar nam een nieuwe etnische identiteit aan. Volgens Mason werd Ioudaioi pas gebruikt als religieuze aanduiding in de derde en vierde eeuw, toen kerkvaders het ‘jodendom’ begonnen te typeren als een godsdienst met aanhangers, tegenover het ‘christendom’.

Etnische aanduiding

Over één ding lijkt men het aardig eens te zijn: de term Ioudaios was in de tijd van het Nieuwe Testament in de eerste plaats een etnische aanduiding. Er waren Parten, Syriërs, Egyptenaren, en zo waren er ook Ioudaioi. Een Ioudaios is iemand die behoort tot een bepaald volk. Een volk dat zich kenmerkt door een eigen levenswijze.

Natuurlijk kan Ioudaios in bepaalde contexten nog steeds in de strikte zin van het woord gebruikt worden als ‘inwoner van Judea’ (‘Judeeër’ in tegenstelling tot ‘Galileeër’), maar in de meeste gevallen fungeert Ioudaios als een overkoepelende etnische aanduiding. Een geboren Alexandriër wiens voorouders uit Galilea afkomstig waren, kon een Ioudaios zijn. Petrus, uit Galilea, was een Ioudaios, en ook Paulus, een Benjaminiet uit de diaspora, was een Ioudaios.

Ioudaios zijn. Petrus, uit Galilea, was een Ioudaios, en ook Paulus, een Benjaminiet uit de diaspora, was een Ioudaios.

Ioudaios was dus primair een etnische term. Wat er verder in meeklinkt, hangt sterk af van de context en de situatie. Dat kan een geografische connotatie zijn: dan kenmerken Ioudaioi zich door hun connectie met het land Ioudaia, of ze daar nu wonen of niet. (Dat leidt overigens tot een nieuw probleem, want ook Ioudaia werd op twee manieren gebruikt: als ‘Judea-in-enge-zin’, in onderscheid van Galilea en Samaria, en als Judea-in-brede-zin voor heel Israël, inclusief Galilea en Samaria.) In andere gevallen klinkt er niet een geografische maar eerder een culturele connotatie mee: een Ioudaios is dan iemand met een bepaalde levenswijze gebaseerd op de wet van Mozes en de voorvaderlijke tradities.

Vertaalkeuze

In het recente debat gaan soms stemmen op om Jehoedîm en Ioudaioi consequent met ‘Judeeërs’ te vertalen in plaats van met ‘Joden’. De term ‘Judeeërs’ heeft inderdaad als voordeel dat het direct herkenbaar is als etnische aanduiding. In het woord Joden horen waarschijnlijk slechts weinigen een connectie met Judea, in het woord Judeeërs des te meer. Bovendien menen sommigen dat de term Joden te religieus geladen is voor de antieke tijd.

De vraag is of dit klopt. Volgens Van Dale betekent Jood: ‘iemand die behoort tot het Joodse volk’ (daarnaast kent Van Dale het woord ‘jood’ met kleine letter, ‘iemand die het joodse geloof aanhangt’). Dat is precies de betekenis die we zoeken, al kun je je afvragen of in de praktijk het onderscheid tussen ‘Jood’ en ‘jood’ altijd goed functioneert.

Bovendien is het de vraag of het minder bekende woord Judeeër het veelzijdige begrip Ioudaios kan dekken. Dat wordt een probleem als Ioudaios functioneert als aanduiding die losstaat van het land Ioudaia, zoals bij Paulus. Als Paulus schrijft over Ioudaioi en Hellênes (‘Joden en Grieken’) is dat een typering van de hele volkerenwereld. Paulus wisselt dit tweetal af met Ioudaioi en ta ethnê (‘Joden en niet-Joden’). De Hellênes zijn dus niet ‘op Hellas (Griekenland) georiënteerde mensen’, maar: alle niet-Joden, vergelijkbaar met ta ethnê.

‘Ioudaioi’ kennen de ware God en Zijn wet

In Romeinen 1-3 zie je hoe Paulus deze begrippen oplaadt: Hellênes is de aanduiding voor alle mensen die verkeerde goden dienen, kortweg: de heidenen. En de Ioudaioi typeert hij als volgt: ze kennen de ware God, ze zijn besneden en ze hebben Gods wet. De Hellênes en Ioudaioi samen staan voor alle volken. De aanduiding ‘Judeeërs’ schiet tekort om dat over te brengen. Alles overwegend lijkt het beter om in het Nieuwe Testament de gebruikelijke weergave met Joden te handhaven.

Joden in het Johannes-evangelie

Het evangelie volgens Johannes neemt in deze discussie een bijzondere plek in. Zoals bekend spreekt dit evangelie op een aantal plaatsen erg negatief over de Ioudaioi. Voor sommigen een reden om dan maar liever met ‘de Judeeërs’ te vertalen dan met ‘de Joden’.

Er is door enkele onderzoekers betoogd dat Johannes met de Ioudaioi niet duidt op ‘de Joden’ in het algemeen, maar slechts op een specifieke groep. Het zou dan alleen gaan om de inwoners van Judea-in-enge zin, die zich vijandig opstelden tegenover Jezus en zijn succesvolle Galilese beweging. Deze exegese heeft echter maar weinigen overtuigd. Johannes gebruikt Ioudaioi als overkoepelende term, net als Paulus en de meeste andere auteurs van die tijd.

En ook de uitleg dat Ioudaioi bij Johannes een codewoord is voor ‘de Joodse leiders’, de werkelijke tegenstanders, is niet overtuigend. Dat klopt weliswaar voor een deel van de teksten, maar voor een groter deel niet: daar zien we de Ioudaioi in situaties waar we in de andere evangeliën ‘de menigte’ of ‘de massa’ tegenkomen.

Door steeds te spreken over ‘de Ioudaioi’ vermengt Johannes de rollen van de leiders en het volk die in de andere evangeliën duidelijk onderscheiden zijn. En ook al worden de Ioudaioi bij Johannes niet louter negatief beschreven, ze lijken toch collectief aan de verkeerde kant van de streep te staan. Degenen die momenten van waar geloof en inzicht tonen (zoals de Samaritaanse vrouw, de blinde man, de leerlingen) worden nooit als Ioudaios aangeduid (terwijl ze allemaal of bijna allemaal Joden zijn), degenen die aan de verkeerde kant staan worden juist wel regelmatig als Ioudaios aangeduid.

Rol van de uitleg

De oplossing is niet om het vierde evangelie bij te werken. De oplossing ligt erin om dit evangelie goed uit te leggen in het licht van zijn tijd. Het is geschreven in een conflictsituatie. En het is op zo’n manier geschreven dat het verhaal over Jezus de lezers en hoorders van het evangelie ook iets duidelijk maakt over hun éigen situatie. Wie de auteur precies op de korrel neemt met ‘de Ioudaioi’ kunnen we onmogelijk met zekerheid nagaan. Maar wat wél duidelijk is, is dat we het uit ons hoofd moeten laten om dit op de Joden in het algemeen te betrekken.

Dit evangelie goed uitleggen in het licht van zijn tijd

We kijken nu met afschuw terug op de manier waarop de bijbelse teksten misbruikt werden in alle eeuwen dat Jodenhaat in christelijk Europa de gewoonste zaak van de wereld leek. Maar betekent dit dat we voortaan in het Nieuwe Testament beter over ‘Judeeërs’ kunnen spreken dan over ‘Joden’? Sommigen zijn die mening toegedaan.

Als de Bijbel niet meer spreekt van Joden, maar alleen nog van Judeeërs, snijden we iedereen de pas af die zijn foute, anti-Joodse denkbeelden op de Bijbel terug probeert te voeren. Anderen brengen echter in dat je, door Joden weg te schrijven uit de Bijbel een deel van hun geschiedenis ontneemt. Dat wat de meeste Ioudaioi kenmerkt – geloof in de God van de vaderen, de Tora, besnijdenis, kosjer eten, sabbat – associëren we met Joden, niet met Judeeërs. Je begeeft je op glad ijs als het Nieuwe Testament niet meer over Joden spreekt en Jezus en zijn eerste volgelingen geen Joden meer heten.

De oplossing is niet om de Joden voorzichtigheidshalve weg te schrijven uit de Bijbel. De oplossing is om eerlijk onder ogen te zien hoe in de loop van de geschiedenis deze teksten zijn misbruikt, daar openlijk afstand van te nemen, en ons open te stellen voor een betere uitleg en andere toepassing.

De ene tekst is de andere niet

Als de Samaritaanse vrouw in Johannes 4 uitroept dat de redding komt van de kant van de Joden, brengt ze een theologische waarheid onder woorden die gedragen wordt door de hele Bijbel. Dat is het Joodse volk, Israël, Gods eigen volk dat centraal staat in de Bijbel.

‘De redding komt van de kant van de Joden’

De Ioudaioi tot wie Jezus zegt: ‘jullie vader is de duivel’, in Johannes 8, vormen echter een heel andere groep. Dit is deel van de polemiek die in het vierde evangelie wordt gevoerd en Jezus’ gesprekspartners staan hier voor een verkeerde vorm van geloof. Bínnen het verhaal noemt Johannes hen Ioudaioi, maar daarbuiten kan dit evenzeer van toepassing zijn op elke Syriër, Egyptenaar, katholiek of protestant die, naar de maatstaven van het vierde evangelie, tekortschiet in geloof. Dit is, met andere woorden, eerder een spiegel om onszelf voor te houden dan een stok om een ander mee te slaan.

De ene tekst is de andere niet. Daarom blijft een levendig gesprek over de uitleg en toepassing van de bijbelse teksten even belangrijk als een zorgvuldige vertaling.

Dit artikel is een bewerking en inkorting van mijn researchartikel ‘Joden of Judeeërs? Over de vertaling van het woord ’Ioudaioi’ in het Johannes-evangelie en elders’ in: Met Andere Woorden 36,1 (2017), 6-19.

Literatuur

– Shaye J.D. Cohen, The Beginnings of Jewishness: Boundaries, Varieties, Uncertainties, Berkeley, 1999

– Steve Mason, ‘Jews, Judaeans, Judaizing, Judaism: Problems of Categorization in Ancient History’ Journal for the Study of Judaism 38 (2007), 457-512

– Zie marginalia.lareviewofbooks.org/jewjudean- forum/ voor een aantal uitgesproken visies op dit onderwerp.

– Matthijs (dr. M.J.) de Jong is hoofd vertalen bij het Nederlands Bijbelgenootschap.

Wellicht ook interessant

Basis

Van crisisjaar tot jubeljaar

Biddag 2021 biedt de gelegenheid om terug te blikken op de coronacrisis die zich aandiende in 2020. Op Biddag is daarbij de invalshoek vooral die van arbeid en economie. Iedereen ondergaat de effecten van deze crisis, maar mensen die zich vóór het uitbreken van de crisis al in onzeker flexibel werk bevonden, zijn onevenredig hard getroffen. Zij verloren vaak als eersten hun werk. Tegelijk is er juist op Biddag ook altijd alle aanleiding om vooruit te blikken. Immers ‘zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich’ (Psalmen 126:5).

Basis

Brood genoeg voor iedereen

In het Evangelie van Johannes heeft Pasen een belangrijke plek. ‘De inzichten van na Pasen zijn leidinggevend in dit Evangelie en hebben hun stempel gedrukt op het verhaal van Jezus vóór Pasen,’ schrijft professor Martin de Boer. Je moet dus niet alleen de gebeurtenissen rond Pasen, maar ook de rest van het Evangelie lezen in dat licht. Het teken van het brood in Johannes 6 kan dan ook gelezen worden als een opmaat naar Pasen. En zo is er in de uitleg ook een verbinding te maken naar het eten van het Pesachmaal in Jozua 5.

Nieuwe boeken