Menu

Basis

Jona en Assyrië

Jan Gerrit Dercksen is universitair docent Assyriologie aan de universiteit van Leiden.

Door de expansie van het Assyrische Rijk verliezen Israël en Juda hun politieke zelfstandigheid. Voor de profeten van Israël is dit het gevolg van ongehoorzaamheid aan God. In dit artikel wordt de geschiedenis van de relatie tussen Assyrië en Israël en Juda geschetst en wordt ingegaan op de vraag waarom de profeet Jona de ondergang van Nineve wenst. Verder wordt stilgestaan bij de betekenis van de stad Nineve voor de Assyrische cultuur.

De ervaringen van Israël en Juda met het machtige Assyrië waren bitter.

De oude stad Nineve (in het Assyrisch: Ninua) ligt in Noord-Irak aan de oostelijke oever van de rivier de Tigris en is nu, goed herkenbaar door de restanten van zijn imposante stadsmuur, een deel van de stad Mosul. Dit gebied vormde in de oudheid de kern van Assyrië, genoemd naar de zuidelijker gelegen stad Assur.

De eerste bloeiperiode van Assur was rond 1900 voor Christus, toen het als stadstaat de doorvoer van tin en wollen stoffen naar Anatolië beheerste en tientallen handelsnederzettingen onderhield in Anatolië, van waaruit zilver en goud naar Assur werden gestuurd. Een politieke supermacht werd Assur na het afschudden van het juk van Mittani in de veertiende eeuw voor Christus en het annexeren van vruchtbaar gebied ten westen van de Tigris.

Dit was het begin van het Assyrische Rijk, dat door expansie groeide tot het in de zevende eeuw het gehele gebied van West-Iran tot aan de Middellandse Zee-kust beheerste en onder Esarhaddon en Assurbanipal zelfs tot in Egypte oprukte. In 612 voor Christus werd de toenmalige hoofdstad Nineve veroverd door Assyrië’s vijanden, de Meden en Babyloniërs, en werd het Nieuwbabylonische Rijk de nieuwe supermacht.

Israël en Juda onder Assyrische invloed

De ervaringen van Israël en Juda met Assyrië waren bitter. Als kleine staatjes waren zij ingeklemd tussen de ambities van de toenmalige grootmachten Assyrië en Egypte en van regionale staten als Damascus (Aram).

Tijdens opgravingen in de oude Assyrische steden zijn teksten en monumenten gevonden die ons informeren over het contact met Israël en Juda. Op de in Kalach (nu Nimrud) gevonden Zwarte Obelisk, een monument van de Assyrische koning Salmanassar de Derde (regeerde 858-824), is Jehu van Israël of diens gezant afgebeeld, die knielend voor de koning tribuut overhandigt.

Hiermee erkende Jehu de macht van Assyrië. Dit gebeurde in 841 voor Christus, nadat Salmanassar Hazael van Damascus had verslagen en hij op Ras al-Naqura (nu op de grens van Israël met Libanon) een overwinningsmonument had laten oprichten. In 738 was er een volgend contact, toen Tiglatpileser de Derde (744-727) tribuut ontving van Menachem van Samaria. In de Bijbel wordt opgemerkt dat Menachem de 1000 talent zilver aan ‘Pul’ gaf om zo zijn troon te behouden (2 Koningen 15,19-20). Maar onder koning Pekach veroverde Tiglatpileser een groot deel van het koninkrijk Israël en vormde hij daarmee de nieuwe Assyrische provincie Megiddo, terwijl de rest van Israël als vazal jaarlijks een kostbaar tribuut moest afdragen. Ook Juda werd vazal toen Achaz tevergeefs probeerde Assyrische militaire bijstand te krijgen in zijn strijd tegen de Edomieten en Filistijnen; hij betaalde een zwaar tribuut, samengesteld uit de schatten van de tempel, paleis en de huizen van hoogwaardigheidsbekleders (2 Kronieken 28,16-21). Tiglatpilesers zoon en opvolger Salmanassar de Vijfde, ontevreden met zijn vazal Hosea, veroverde en verwoestte Samaria in 722 voor Christus, en maakte dit restant van Israël tot de Assyrische provincie Samerina. Salmanassar voerde de Israëlieten als ballingen mee naar Assyrië (2 Koningen 17,6).

Als Assyrische provincie werden de gebieden bestuurd door een Assyrische gouverneur en dienden allerlei goederen en diensten te worden geleverd. Zo moesten de provincies bijvoorbeeld bijdragen in de bouw van Sargon de Tweede’s (721-705) nieuwe hoofdstad, Dur-Sjarruken (Chorsabad). De vazallen waren verplicht om regelmatig tribuut af te dragen, maar behielden hun economische vrijheid. Zo wordt in een brief aan koning Sargon, opgegraven in Kalach, bericht over de aankomst van tribuutbrengende boodschappers uit Gaza, Juda, Moab en Ammon.

Terwijl Israël onder direct Assyrisch gezag was geplaatst en was opgedeeld in twee Assyrische provincies, was Juda nog een tribuutbetalende vazal geregeerd door een lokale dynastie. Maar kort na de dood van Sargon de Tweede brak in het westelijk deel van het Assyrische Rijk omstreeks 703 een grote opstand uit, waaraan Juda meedeed. In 701 voerde Sanherib (704-681) tijdens zijn derde veldtocht een oorlog tegen de Levant om het Assyrisch gezag te herstellen en Egyptische invloed terug te dringen. Onder de opstandelingen bevond zich Hizkia van Juda. Koning Padi van Ekron, die trouw was gebleven aan Assyrië, werd door zijn bevolking uitgeleverd aan Hizkia. Nadat Sanherib wraak had genomen op de verantwoordelijken in Ekron, zorgde hij ervoor dat Padi Jeruzalem kon verlaten en werd deze vazal weer tot koning in Ekron aangesteld. Vervolgens sloeg Sanherib zijn hoofdkwartier op bij de stad Lachis en strafte hij Juda. Volgens zijn eigen inscripties belegerde hij Jeruzalem zodat Hizkia werd opgesloten ‘als een vogeltje in een kooi’ en veroverde hij 46 versterkte steden en een groot aantal nederzettingen in hun omgeving en voerde hij behalve vee ook 200.150 mensen weg. Sanherib deelde Judees grondgebied toe aan zijn vazallen, de koningen van Asjdod, Ekron en Gaza. De bijbelse versie van de belegering is te vinden in 2 Koningen 18–19, 2 Kronieken 32, en Jesaja 36–37. Jeruzalem zelf werd niet veroverd en volgens de Bijbel vertrokken de Assyrische belegeraars halsoverkop nadat een engel van de Heer in het legerkamp 185.000 man had gedood. Toch was Sanherib succesvol want Hizkia stuurde kort na de Assyrische aftocht troepen naar Nineve met 30 talent goud, 800 talent zilver, vele andere kostbaarheden en zijn dochters en paleisvrouwen, zangers en zangeressen. Bovendien zond hij een gezant naar Nineve om zich aan Sanherib te onderwerpen – hij werd weer vazal van Assyrië en voorkwam zo dat Juda werd ingelijfd in het Assyrische Rijk.

Van deze veldtocht liet Sanherib diverse afbeeldingen graveren op stenen platen die werden aangebracht in zijn Zuidwestpaleis in Nineve. De muren van Kamer 36 waren gedecoreerd met scènes van de belegering en verovering van de stad Lachis. Twaalf van de platen zijn bewaard gebleven en bevinden zich nu in het Brits Museum in Londen.

De ‘Assyrische vrede’

Uit archeologisch onderzoek blijkt dat Sanheribs oorlog verschillende economische gevolgen had voor de nieuwe Assyrische provincies en de vazalstaten. In het kort kan men stellen dat in de zevende eeuw de Assyrische provincies verarmden, terwijl Juda en andere vazalstaten bloeiden. Zo werd de voormalige hoofdstad Samaria een provinciehoofdstad en verloor aan betekenis. Andere verwoeste plaatsen werden niet meer opgebouwd of slechts op kleinere schaal. Ook de nieuwe provincie Megiddo leed onder de gevolgen van de Assyrische verwoestingen, hoewel daar vruchtbare landbouwgrond was. De stad Megiddo werd door de Assyriërs herbouwd om als bestuurscentrum te dienen. Daar staat tegenover dat Juda als vazal wel tribuut moest afdragen, maar dat veel van de door Sanherib verwoeste steden werden herbouwd en dat Jeruzalem en omgeving groei en bloei kenden. De oorzaak is vermoedelijk dat Juda, net als de Filistijnse steden en Tyrus, kon profiteren van internationale handel, maar het voormalige noordelijk koninkrijk niet.

Assyrië als werktuig en vijand van God

Binnen enkele decennia was Israël gereduceerd tot een Assyrische provincie en Juda tot een vazal. Nederzettingen en steden waren geplunderd en verwoest en een deel van de bevolking was gedeporteerd. De bijbelse profeten verkondigden de Assyrische overheersing als Gods straf voor de politiek van de koningen in Samaria en Jeruzalem, die bondgenoot werden van Damascus of Egypte in plaats van hun vertrouwen helemaal in God te stellen. De koning van Assyrië en zijn legermacht waren een werktuig in deze bestraffing, maar zullen op hun beurt eens rekenschap moeten afleggen. Een van deze profeten, Jona genaamd, had daarom voldoende reden om Assyrië te beschouwen als vijand en voor hem vertegenwoordigt de hoofdstad Nineve de arrogante en wrede macht van het Assyrische Rijk, dat zich verrijkt heeft door roof.

Op weg naar Nineve

Jona geeft uiteindelijk gehoor aan het bevel van God naar Nineve te vertrekken om daar de oproep tot bekering te doen. Maar hoe reisde iemand uit Juda of Israël in de zevende eeuw voor Christus naar Nineve en in welke taal kon hij daar – maar ook onderweg – met anderen spreken?

Men reisde te voet of per ezel en voor de veiligheid bij voorkeur samen met anderen, bijvoorbeeld met een handelskaravaan die dezelfde richting ging. Onderweg werd overnacht in dorpen. Reizigers die in een officiële Assyrische capaciteit reisden, konden gebruik maken van het Assyrische verzorgingssysteem met stopplaatsen en andere voorzieningen. De gebruikelijke weg om van Israël en Juda naar Nineve te gaan, was de hoofdroute die van Egypte naar Assyrië leidde. Deze liep eerst in noordelijke richting langs de kust, langs de Phoenicische steden Tyrus en Sidon, en dan naar Aleppo en vandaar in oostelijke richting over de Eufraat (bij Til-Barsib, nu Tall Ahmar) en door de zogeheten Habur-driehoek naar Nineve. De rivier de Eufraat werd overgestoken per boot of vlot. Voedsel, onderdak en oversteek kostten geld, tenzij men gebruik kon maken van de diensten van bevriende mensen. Hoewel de officiële taal van Assyrië een dialect van het Akkadisch was, was het gebruik van Aramees wijdverbreid in heel Assyrië (inclusief Syrië) en Babylonië. Het bijbelboek impliceert dat Jona Aramees kon spreken.

De stad Nineve

Volgens het bijbelboek is Nineve een enorme stad van wel drie dagreizen groot, waar de koning en zijn edelen verblijven. Ook wonen er meer dan 120.000 mensen ‘die het verschil tussen links en rechts niet kennen’, dat wil zeggen, kleine kinderen. Nineve was inderdaad een imposante stad en dit was vooral te danken aan de bouwactiviteiten van koning Sanherib. Na de plotselinge dood van zijn vader Sargon de Tweede, die sneuvelde tijdens een veldtocht in het huidige Zuid-Turkije, besloot Sanherib zijn residentie in Nineve te vestigen in plaats van in zijn vaders hoofdstad Dur-Sjarruken te blijven. Voor het werk gebruikte hij op grote schaal dwangarbeiders uit alle delen van het rijk, onder andere uit Juda. Zo werd Nineve kort na 704 de hoofdresidentie van de koning van Assyrië, totdat de stad in 612 werd verwoest.

Sanherib als bouwmeester

Sanherib breidde Nineve uit en omringde de stad met een formidabele dubbele muur van 12 kilometer lengte. De binnenmuur was zo’n 15 meter dik en 25 meter hoog, terwijl de stenen buitenmuur ongeveer 11 meter dik en 4,5 meter hoog was. In de stadsmuur waren aanvankelijk 14 poorten, en in 691 voor Christus was dat aantal uitgebreid tot 18. De muren en de poorten droegen indrukwekkende namen, die ons informeren over hun ligging. Sanheribs zoon en kleinzoon, Esarhaddon en Assurbanipal, vermelden in enkele van hun inscripties hoe gevangengenomen tegenstanders ten toon werden gesteld door hen naast de poort tot de citadel vast te binden samen met een beer en een hond.

De oppervlakte van het door de muren omsloten gebied is ongeveer 750 hectare, en in de stad woonden naar schatting 75.000 mensen. Het stadsgebied werd doorsneden door het riviertje Chosr. Aan de westzijde, tegenover de Tigris, bevonden zich twee hoger gelegen delen, de citadel en het arsenaal. De citadel of bovenstad (moderne naam Kuyunjik) is 45 hectare groot en hierop bevinden zich Sanheribs nieuwe Paleis-zonder-gelijke (vanwege zijn ligging nu bekend als Zuidwestpaleis), Assurbanipals Noordpaleis, en de voornaamste tempels, waaronder die van Isjtar-van-Nineve.

De citadel is waarschijnlijk het gebied van Nineve voordat Sanherib de stad uitbreidde. Iets zuidelijker ligt een 15 hectare groot terras waarop het Arsenaal was gebouwd; dit gebied heet nu Nebi Yunus (‘profeet Jona’) omdat zich daar het heiligdom bevindt met het veronderstelde graf van Jona. De citadel was beschermd door een hoge muur en aan de voet daarvan stroomde de Chosr en was een diepe geul. Een later reliëf toont de imposante stadsmuren.

Sanheribs trots was het grote paleis, dat deels op nieuwgewonnen land werd aangelegd. Een technische prestatie vormden de koperen figuren van dadelpalmen, twaalf leeuwen, twaalf stierkolossen en tweeëntwintig sfinxen die zo volmaakt in gietvormen gegoten waren alsof het voorwerpen waren ‘van slechts 4 gram’. Naast het paleis werd een botanische tuin aangelegd, een nabootsing van de Amanus-bergen, waarin geurende planten en fruitbomen werden geplant. Ook ontstond er een gebied waarin allerlei vogels en wilde dieren werden uitgezet. Om een groter gebied te kunnen irrigeren, liet Sanherib twee grote kanaalsystemen aanleggen waarmee water vanuit het bergland ten noorden van Nineve naar de stad werd geleid.

Na de moord op Sanherib werd kroonprins Esarhaddon koning over Assyrië van 680-669. Hij breidde het rijk uit tot in Egypte en bouwde in Nineve, waar een aanzienlijk groter arsenaal verrees op Nebi Yunus om onder andere oorlogsbuit en tribuut op te slaan.

De bibliotheek van Assurbanipa

Esarhaddons zoon Assurbanipal (668-627) werd koning in 668 voor Christus. Ook hij was actief als bouwmeester, herstelde het Zuidwestpaleis en arsenaal en herbouwde het Noordpaleis. Ondanks de gruwelijkheden die hij tegenstanders aandeed, is zijn naam toch het meest verbonden met de koninklijke bibliotheek, die onder zijn leiding sterk werd uitgebreid. Assurbanipal had zelf een schrijversopleiding genoten en hij stelt in enkele colofons op kleitabletten in zijn collectie dat hij spijkerschrift van vóór de zondvloed, heel oud, kon ontcijferen; op verschillende reliëfs is hij afgebeeld met griffels in de gordel, die voor houten was tafeltjes werden gebruikt. De collectie bevatte vrijwel alle wetenschappelijke en literaire werken, soms meer dan een exemplaar. De kleitabletten werden bewaard in het Zuidwestpaleis en in het Noordpaleis. Vanwege hun vindplaats op Kuyunjik worden ze samen met de in het midden van de 19e eeuw eveneens daar opgegraven koninklijke correspondentie, koningsinscripties, rechtsoorkonden en allerlei administratieve documenten de K-collectie genoemd, die in het Brits Museum wordt bewaard. In totaal zijn er bijna 31.000 teksten gevonden in Kuyunjik. Met name de geleerde lijsten met spijkerschrifttekens en woorden hebben een grote rol gespeeld bij het ontcijferen van Sumerische en Akkadische teksten in de 19e eeuw.

Sensationeel was de identificatie van de Babylonische versie van het uit Genesis bekende zondvloedverhaal op een tablet uit Kuyunjik, door George Smith in 1872. Het bleek te gaan om een deel van het Gilgamesj-epos. Deze ontdekking leidde tot grote publieke interesse en de eigenaars van de Daily Telegraph stelden geld beschikbaar voor een opgravingscampagne om meer fragmenten van het zondvloedverhaal te ontdekken. Smith vond in 1873 een ander fragment over de zondvloed op Kuyunjik, dat niet tot het Gilgamesj-epos bleek te behoren, maar afkomstig was van een ander werk, Atrahasis (de Babylonische Noach).

Het einde van Assyrisch Nineve

De laatste koning van Assyrië, Sîn-sjarru-isjkun (622-612), sneuvelde tijdens de aanval op Nineve door de Meden en Babyloniërs in 612. Opgravingen bij de Halzipoort (de Enlilpoort volgens J.E. Reade) brachten skeletresten aan het licht van personen die daarbij waren gedood. Nineve en de andere grote steden in Assyrië werden geplunderd en deels verwoest. Met de ondergang van de hoofdstad hield de Assyrische staat op te bestaan in zijn oude kerngebied. In 610 viel ook Harran, de laatste Assyrische stad, aan de babylonische koning Nabopolassar. Zo kwam de in bijbelse profetieën aangekondigde en ook door Jona gewenste bestraffing van Assyrië tot vervulling.

Literatuur

• Lucas P. Petit en Daniele Morandi Bonacossi (red.), Nineveh: Hoofdstad van een wereldrijk (Leiden: Sidestone Press, 2017).

• Klaas R. Veenhof, ‘De Atrachasis-mythe: Een Babylonische oergeschiedenis.’ Phoenix 64.2 (2018): 24-45.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken