Kiezen tussen sterven of leven
Bij Ezechiël 3:16-21
Het is een spannende combinatie: Aswoensdag en deze perikoop uit de profetie van Ezechiël, waaruit dit jaar een alternatief spoor is uitgezet dat loopt van zondag Septuagesima tot Paasmorgen. Motieven die onlosmakelijk met de viering van Aswoensdag verbonden zijn, zoals de oproep tot bekering (omkeer), besef van onze vergankelijkheid, maar ook van een belofte die daarbovenuit reikt – de woorden van de priester-profeet lijken ze ons in een andere gedaante als nieuw aan te reiken.
De volgorde van lezen – Ezechiël 3,16-21 op Aswoensdag en pas daarna, op de eerste zondag van de Veertigdagen, Ezechiël 3,4-15 – kan vragen oproepen, maar met de afbakening van de perikoop als zodanig (3,16-21) is weinig mis. Die stemt overeen met de wijze waarop de masoreten de Hebreeuwse tekst al indeelden, door het plaatsen van de letters pe en samekh in de tekst, die respectievelijk staan voor een sterkere en een zwakkere cesuur. Let wel: in het roepingsvisioen, dat de eerste hoofdstukken van het boek omvat, zijn sterkere cesuren te vinden na 2,2; 2,5; 2,7; 3,3; 3,9; middenin 3,16 en na 4,17; zwakkere cesuren bijvoorbeeld na 3,19; 3,21; 3,27; 4,3; 4,12 en 4,14. Anders gezegd: na een paar korte perikopen (2,3-5; 2,6-7; 2,8-3,3; 3,4-9 en 3,10-15) vormen de verzen voor vandaag dus de eerste twee sequenzen van de langere perikoop 3,16-4,17.
Ezechiël blijft zielzorger
De aansluiting met de voorafgaande perikoop (3,10-15) roept overigens wel vragen op, zowel technisch als inhoudelijk. Om te beginnen staat de petucha niet na vers 15, maar halverwege vers 16: ‘Het geschiedde aan het eind van zeven dagen // het woord van JHWH geschiedde tot mij’. Vers 16a geeft als afsluiting van de voorafgaande perikoop weinig zin en maakt bijna de indruk van een in de tekst geraakte glosse bij vers 16b, die aangeeft dat het godswoord dat nu volgt, gesitueerd moet worden aan het einde van de zeven dagen waarop Ezechiël ‘huiveringwekkend’ in het midden van de ballingen aan de rivier de Kebar zit (3,15). Ook wordt wel de opvatting verdedigd dat de verzen 16b- een latere redactiefase wat ongelukkig ingevoegd zijn en vers 16a oorspronkelijk verbonden was met vers 22: ‘Aan het eind van zeven dagen geschiedde daar over mij de hand van JHWH.’ Daarbij wordt dan weer verondersteld dat 3,16-21 een samenvatting is van 33,1-20 en de beschrijving van de tweede roeping daar het bericht aan de ballingen over de val van Jeruzalem (33,21-22) als historische achtergrond heeft. De thematische overeenkomsten van 3,16-21 met 18,21-32 en 33,1-20 zijn inderdaad opmerkelijk en de compositie van het boek lijkt niet enkel chronologisch bepaald. Willekeurig lijkt de aanleg evenmin. Die lijkt te benadrukken dat de man die een late roeping als profeet ontving, tegelijkertijd ook priester en daarmee zielzorger bleef. Of anders gezegd: de boodschap van gericht – hoe confronterend ook – was vanaf het begin af aan verbonden met het geven van leiding aan de levenswandel van de ballingen en het openleggen van een nieuwe toekomst. Een eerste raakpunt met de thematiek van Aswoensdag.
Aanstelling tot wachter
Het beeld waarin de roeping van de priester (1,3) tot profeet wordt gevat, is dat van de wachter: ‘Mensenzoon, (toren) wachter maak Ik je voor het huis van Israël’ (3,17). Een associatie met bijvoorbeeld de verspieders die Jozua uitzendt (Joz. 2), is onjuist; daarvoor gebruikt de grondtaal een ander woord. Voor de functie van wachter wordt hier het participium gebruikt van het werkwoord tsafah met de betekenis: de wacht houden tussen (Gen. 31,49), turen, speuren, uitkijken naar (Ps. 66,7; Spr. 15,3; 31,27); ook: loeren, opwachten (Ps. 37,32; 10,8; 56,7; Spr. 1,11). Het deelwoord fungeert als technische term voor een fysieke taak in de sfeer van de toenmalige beveiliging: iemand die op de uitkijk staat, veelal op een toren (2 Sam. 13,34; 18,24-27; 2 Kon. 9,17-20; zie ook 1 Sam. 14,16; Jes. 52,8; 56,10; Jer. 6,17) en alarm slaat (waarschuwt) wanneer zich onheil aandient (2 Kon. 6,10; Ez. 3,17-21; 33,3.7-9; 2 Kron. 19,10). De functieaanduiding wordt hier een metafoor voor de signalerende rol van de profeet (Ez. 3,16; 33,6-7; Hos. 9,8). Deze specifieke taak brengt een eigen verantwoordelijkheid met zich mee: bij nalatigheid kan de veiligheid van vele anderen in gevaar gebracht worden. Wordt dus hun bloed vergoten, dan zal het uit de hand van de wachter gevorderd worden (3,18.20); hij zal er mede voor aansprakelijk gesteld worden. Het beeld van de wachter heeft als inzet een onderscheid in verantwoordelijkheid. Het betekent niet het einde van de persoonlijke verantwoordelijkheid: de ballingen zijn en blijven elk verantwoordelijk voor het eigen handelen. Het markeert wel de eigen specifieke verantwoordelijkheid die met een specifieke taak gegeven is: in dit geval de taak van de profeet of van het pastorale ambacht. De wachter is aansprakelijk wanneer hij faalt te signaleren en ter sprake te brengen.
Rotzak of rechtvaardige
De uitwerking kenmerkt zich door opposities. Tegenover de tsaddiek of rechtvaardige (3,20-21) staat de rasja: nogal eens vertaald met goddeloze (NV), maar beter getypeerd als boosaardige, schoft of rotzak (3,18-19). Het zijn geen van beide statische begrippen of onvervreemdbare eigenschappen. Een boosaardige kan omkeren van zijn boosaardige weg (3,19) en omgekeerd kan een rechtvaardige zich afkeren van zijn gerechtigheid (3,20). De persoonlijke verantwoordelijkheid wordt hier volstrekt serieus genomen: de keuze tussen goed en kwaad, leven en dood kan ieder moment opnieuw gemaakt worden (Deut. 30,15-20).
Een andere tegenstelling betreft specifiek de als wachter aangestelde profeet: in geval van nalatigheid wordt hij aansprakelijk gehouden (3,18.20), maar kwijt hij zich van zijn taak, dan redt hij zijn leven (3,19.21). En misschien nog opvallender: tegenover de bekende echo uit Genesis 2 – ‘sterven zul je, ja sterven’ (3,18; Gen. 2,17) – klinkt ook en vol belofte: ‘leven, ja leven zal hij’ (3,21). Liggen beide ook niet besloten in de rite van het opleggen van de as? Uit de verschillende begeleidende bewoordingen die daarbij wel gebruikt worden, denk ik dan vooral aan deze: ‘Mens ben je, stof van de aarde; wees gezegend!’