Klein Pasen
Bij Jozua 4:19-5:1.10-12, Efeziërs 2:4-10 en Johannes 6:1-15
De oude naam van deze zondag is ontleend aan de oude introitustekst van vandaag: Laetare Jerusalem (Jes. 66,10-11). ‘Verheug je Jeruzalem en komt bijeen, gij allen die haar bemint; verheugt u en rueest blij, gij die in droefheid ruaart, opdat ge u moogt verzadigen aan de overvloed van uru vertroosting.’ De tekst gaat verder met de intochtpsalm 121,1: ‘Wat ruas ik blij toen men mij zeide, rue gaan op naar het huis van de Heer.’ Het verhaal van de thuiskomst uit de ballingschap is verleden en toekomst tegelijk.
De Jozualezing meldt ons een heel bijzonder ritueel. Na de doortocht door de Jordaan (Joz. 3) worden stenen die uit de Jordaan genomen waren, opgericht tot een gedenkteken bij Gilgal. De koningen die het volk willen hinderen, worden angstig en daarna is het goed Pasen vieren. Het Pasen in Gilgal is een van de drie Paasfeesten die we in de eerste zes Bijbelboeken vermeld horen.
Nieuw brood van de gersteoogst
Het evangelie vertelt over een andere Jozua die met de zijnen Pasen zal gaan vieren. Ze zijn hongerig naar een goede herder. In Marcus’ verslag van de broodvermenigvuldiging begint Jezus met ‘te leren’ (Mar. 6,34). Dat is de belangrijkste voeding voor de mensen die Hem volgen. Jezus geeft de woorden van de Tora door, brood van eeuwig leven! Waarom zouden de mensen wegge stuurd moeten worden om elders ‘brood’ te kopen (Mar. 6,36)? Het is hier in overvloed aanwezig. Marcus vermeldt twee spijzigingsverhalen. Ook Matteüs doet dat. Lucas vermeldt (Luc. 9,10-17) slechts één spijzigingsverhaal dat in grote trekken neerkomt op het eerste verhaal van Matteüs en Marcus. Johannes echter vermeldt één groots verhaal over de spijziging van vijfduizend mannen met een uitgebreide nabeschouwing.
Ik lees: ‘Het was kort voor Pasen, het feest van de joden’ (Joh. 6,4). Pasen, dat was het begin. Toen begon de uittocht uit het slavenhuis van Egypte. In die nacht was het oude zuurdeeg weggedaan; met nieuw en ongedesemd brood begon een nieuw tijdperk in de geschiedenis van het joodse volk. Nieuw brood is nieuw leven. Het is kort voor Pasen en dat wijst erop dat er nieuw brood in aantocht is. Dan verschijnt die jongen met zijn vijf gerstebroden en twee vissen. Het is niet zomaar een jongen die van zijn moeder wat heeft meegekregen voor onderweg. Hij wordt de sleutelfi guur in het verhaal: hij vertoont de trekken van een engel die door de hemel gezonden is. Want hij heeft al het nieuwe brood van de gersteoogst. Dat brood moet beschikbaar komen voor allen, want de wereld staat op de drempel van een nieuw tijdperk. De grote uit tocht gaat beginnen. Jezus zal niet breken met Mozes en de profeten, integendeel. Hij zal de boodschap die het joodse volk alle eeuwen door heeft meegedragen, in zich opnemen en brengen naar de overzijde, de hele wereld over.
Verzameld rond de tafel van de Heer
Jezus spreekt een dankgebed, een berachah. Hij zal dat ook doen op de laatste avond in de zaal, weer met brood in zijn handen. En wanneer wij het doen in navolging en in opdracht van Hem, dan zeggen we: ‘eucharistie’: dankbaarheid.
Het zou eigenlijk nooit meer zo mogen zijn dat, wan neer wij eucharistie vieren, wij alleen de verzadiging zouden beogen van de kleine kudde die verzameld is. Er is nog zoveel honger naar dit brood; er moeten alleen wel mensenhanden zijn die het uitdragen en brengen naar de velen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, naar Hem die niets anders wilde zijn dan brood voor de wereld. Dat wordt in het hele zesde hoofdstuk van Johannes verder uitgewerkt.
De volgelingen die brood gekregen hadden toen zij Hem volgden in de eenzaamheid, waren een beetje brooddronken geworden. Maar heel voorzichtig begint de Heer afstand te nemen van de wonderbare spijziging. Daar ging Hij niet mee door. Hij wil zelf brood zijn, het beginsel van ons leven van iedere dag voor de totaliteit van ons bestaan. Alles van het goede leven is ons gegund, de weelde van het geluk samen met anderen, de veiligheid en geborgen heid in een wereld die uiteen is gevallen. Maar als Hij het brood is en nadrukkelijk wil zijn, dan betekent dat voor ieder van ons, dat er een nieuw fundament geko men is waarop de menselijke samenleving moet wor den gebouwd.
In het boek van de Openbaring van Johannes wordt in het tweede hoofdstuk een brief vermeld aan de Klein-Aziatische gemeente Pergamon. In die brief wordt gesproken over het verborgen manna waarvan degenen die overwinnen, mogen eten. De ‘overwinnaars’ die in deze brieven telkens aangesproken worden, zijn de mensen die delen in het lijden en in de overwinning van Christus. Verzameld rond de tafel van de Heer ervaart de kerk dat zij door de verschrikkingen van de woestijntocht heen door Gods trouwe zorg opgejaagd en geleid wordt naar het Rijk dat komt.