Menu

Basis

Kom, dans voor onze God!

Een wandelaar op pad

Bewegen in de kerk

In de Middeleeuwen danste men in en rond de kerk – ook al mocht dat niet van hogerhand. De dans was symbool voor de hemelse heerlijkheid en tegelijk tekenend voor het vieren van gemeenschap tussen aardse mensen. Kerkgangers zijn inmiddels minder spontaan geworden, verlegener. Maar waar wél in de kerk gedanst wordt, is dat een intense, meditatieve of blije gebeurtenis. Een pleidooi: ‘Haal de kerkbanken eruit!’

Het is Pasen. De kapittelheren komen binnen in processie en stellen zich op in een cirkel rond het labyrint. Dat bestaat uit mooie marmerstenen, ingevlochten in de vloer in het hoofdschip van de kathedraal. Het is het symbool voor de opstanding. Men moet zich omdraaien in het midden om weer naar de uitgang te komen. De jongste van de kapittelheren, die juist benoemd is tot kanunnik, heeft een grote gouden bal bij zich. Die is zo groot dat hij niet met één hand vastgehouden kan worden. De kanunnik overhandigt de bal plechtig aan de oudste geestelijke, de deken, die dan begeleid door het orgel het paaslied Victimae paschali laudes aanheft. Dan begint hij het tripudium te dansen (de drie-stappendans) terwijl hij het labyrint ingaat. De andere kanunniken dansen op dezelfde manier als de beweging van de zon rond het labyrint. Ze houden hun handen ter hoogte van de schouders, pols tegen pols met open handpalmen, terwijl zij luid het blijde Victimae paschali laudes (prijs het geofferde paaslam) zingen.

Maar af en toe moeten ze elkaars handen loslaten om de bal te vangen en terug te werpen naar de deken, midden in het labyrint. De gouden bal weerspiegelt de zon, die een symbool is voor Christus die zijn stralen naar allen in de cirkel om zich heen zendt. Als de deken klaar is met het labyrint te dansen en het lied geheel gezongen is, haasten allen zich naar de feestmaaltijd!

Deze dans wordt de pilota of pelota genoemd, een Spaans woord voor balspel. Dit werd gevierd op de paasdag in onder andere de kathedralen van Chartres, Sens en Auxerre in Frankrijk, in de laatstgenoemde ook op de St. Stephanusdag (26 december).

De Middeleeuwen waren een grootse tijd voor dans in en rond de kerken. Dit ondanks de vele verboden van pausen, concilies, (aarts)bisschoppen, synodes, patriarchen en theologische faculteiten. De mensen beleefden de dans als symbool voor de hemelse heerlijkheid en als een viering van de gemeenschap tussen mensen hier op aarde in goede en slechte tijden. Ze dansten in plechtige processies binnen de kerkruimte, rond de kerk en bij feestelijke gelegenheden ook door de stad. Ze dansten in kloosters, op de grasvelden bij de kloosters of, als het regende, in het schip in de kerk. Ook op de kerkhoven werd gedanst en bij begrafenissen. Beroemd is het lied dat de jonge meisjes in die tijd zongen en dansten bij de begrafenis van hun vriendin Amelie:

In de hemel is eenen dans,
alleluia!
Daer dansen all’ die maeghdekens,
benedicamus Domino.
Alleluia, alleluia!
‘t Is voor Amelia,
alleluia!
Wij dansen naer de maeghdekens,
benedicamus Domino.
Alleluia, alleluia!

De reformator Maarten Luther (1483-1546) was in principe positief over dans. In een van zijn kerkpostilles, waar hij de tekst over de bruiloft in Kana in Galilea verklaart, zegt hij:

‘Men vraagt zich aangaande de dans, waar veel slechts uit voortkomt, of die te rekenen valt als een van de zonden? Of dat gebruikelijk was bij de joden, dat weet ik niet. Omdat het bij ons als we gasten uitnodigen gewoon is om zich te tooien met kleren, te eten, drinken en blij te zijn, zoals het hier gebruikelijk is, weet ik niet of ik dat kan verdoemen, wanneer het maar niet verkwistend is, ontuchtig en dat er te veel gebeurt.

Dat er toch zonden gebeuren is niet de schuld van de dans, maar is te wijten aan de onzedelijke begeerte van de dansers: omdat soortgelijke zaken ook gebeuren kunnen thuis en in de kerk. Zoals het niet de schuld is van het voedsel en de dranken dat iemand zich als een zwijn gedraagt als gevolg hiervan; daar waar het fatsoenlijk gebeurt, laat ik de bruiloft zijn rechten en gebruiken. En wat dans betreft: zo blijft iemand kuis en matig, geloof en liefde verdwijnen niet, zelfs als iemand danst. Kijk naar de kinderen, die dansen zonder zonde, als jij ook als een kind danst, dan zal de dans je niet krenken. Want als dans zonde was, dan moesten we ook kleine kinderen verbieden te dansen.’ (Dominica II post Epiphaniam fol. 207)

De andere reformatoren waren niet zo positief over de dans. Die wordt altijd met zonde verbonden. Johannes Hus (1371-1415) zegt van de preekstoel in de Bethlehemkerk in Praag:

“De huidige bisschoppen en priesters en bovenal de kanunniken en luie weglopers van de mis kunnen helaas bijna niet wachten tot het einde van de kerkdienst voordat ze uit de kerk rennen, de ene naar binnen in het gastenhuis, de andere hier en daarheen, om zich te amuseren op een voor priesters onwaardige manier, ja, zelfs om te dansen…”

Voor Johannes Calvijn (15091564) was het belangrijkste dat God geloofd werd ‘uit een zuivere en volkomen genegenheid en overgave van het hart’. Calvijn nam ook Davids dans voor de ark als voorbeeld voor de volmaakte manier om God te eren. Maar hij stelde zich niet voor dat zoiets in de kerk van Genève gedaan zou worden.

Af en toe laten ze elkaar los om de bal te vangen en te werpen

Zelfs niet wanneer wij zoals David ‘ons er geheel aan wijden en al onze zintuigen aanwenden, en onze voeten, en onze handen, en onze armen en al het overige, zodat alles in dienst van God gesteld wordt en Hem verheerlijkt’. Davids dans ‘paste toen, maar wij moeten altijd de ogen open houden voor de verschillen’. Dus: geen dans in de calvinistische kerkruimtes. Zelfs het orgel werd verwijderd, omdat de muziekinstrumenten ‘slechts mensen amuseren in hun lediggang’. Ja, de kinderen in Essen in Duitsland moesten zelfs openlijk afstand nemen van de dans vóór ze hun eerste communie konden krijgen, schrijft Gabriële Koch. En de puriteinen in Engeland in de zestiende en zeventiende eeuw waren totaal tegen het gebruik van dans in kerkelijk verband, in de kerkruimte of op een zondag in een wereldlijke context.

Protestantse banken

‘Het Woord is weer woord geworden’, zegt de theoloog Walter Hollenweger (1927-2016). Want wat is typisch voor het gedrag van de doorsnee protestantse gemeente in de kerkruimte? Dat wordt in ieder geval bepaald doordat de ruimte gevuld is met banken, onbeweeglijke voorwerpen die in de weg staan voor bewegingsvrijheid. En wij zitten. Wij zitten terwijl we zingen: ‘Sta op, Gods gemeente!’ En we houden het Liedboek stevig vast onder het gezang: ‘We strekken onze handen uit als lege schalen.’ Enkele malen staan we: bij inen uitgangsprocessies, onder de evangelielezing en bij de mededelingen van overlijdensberichten, tijdens de geloofsbelijdenis en de avondmaalliturgie.

Katholieke ruimte

Allereerst hebben we een werkelijk bewustzijn nodig van onze lichamelijke aanwezigheid in de kerk. Het gaan, het op weg zijn naar een doel, zijn we ons dat bewust als we in de kerkruimte komen? Is het altaar, als symbool voor de aanwezigheid van God / Christus / de Heilige Geest, datgene waar onze blik het eerst op gericht is? In de katholieke kerk is de gewoonte: bij het binnengaan kijk je naar het altaar, je doopt je vingers in het wijwater en tekent een kruis op jezelf, nogmaals met de blik gericht op het altaar. Een sterke herinnering komt op: die keer dat we een offertoriumprocessie dansten door een oneindig lange middengang in een prachtige middeleeuwse kerk in Leuven in België. Wij gebruikten de beroemde ‘pelgrimsstappen’: twee (of drie) stappen voorwaarts, één stap terug. Dat laatste gaf een intense en wat verschrikkende belevenis, die tot nadenken voerde. Het op weg zijn naar het altaar en dan toch met respect een stap terug doen! Het is door het lichaam en de zintuigen dat we beleven wat er gebeurt en wat we ons later herinneren. In de Middeleeuwen verstond het volk niet zo veel van de taal in de mis: Latijn. Daarom was het veel belangrijker dat ze de kerkdienst beleefden via zowel het lichaam als alle zintuigen: beweging, klank, geur, kleuren, lichteffecten. Toen werden de kerken zodanig gebouwd dat de ruimte actief bijdroeg aan de belevenis van het geheel.

Heel ons lichaam

Het lichaam en het lichamelijke hadden en hebben dat gedeeltelijk nog een zeer negatieve betekenis in de Griekse dualistische manier van denken, die de christelijke tradities beïnvloed heeft. Het tevreden zijn met zichzelf en hoe men er uitziet, wordt in ieder geval niet gezien als doel. De Nederlandse danseres Ida Kuijk schrijft:

“Als ik mij indenk dat ik een kleipoppetje maak en dat poppetje kan spreken, en het poppetje zegt vervolgens: ‘Oei, wat ben ik toch lelijk’, dan lijkt mij dat een nogal ondankbare reactie.’ Wat, geloof je, dat God denkt over die reacties van gelovigen?”

We leven en geloven met het hoofd in plaats van met heel onszelf. Het lichaam heeft eigenlijk slechte omstandigheden. We gebruiken mobiel of e-mail in plaats van op bezoek te gaan, tv, video en dvd in plaats van zelf aanwezig te zijn, cd’s en radiokanalen met onafgebroken vierentwintig-uur-muziek-uitzendingen in plaats van naar een concert te gaan of zelf muziek te spelen. Voor het scherm zijn we gereduceerd tot ogen en oren. Daarentegen wordt het lichamelijke meer en meer belicht via sport, erotiek en wellness-niveau. (In ieder geval hier in Noorwegen; ik weet niet hoe het op het ogenblik in Nederland is.) Waar vinden we het natuurlijke geheel, de samenhang, de bedoelingen? Zou niet juist de godsdienstviering in de kerkruimte dé plaats zijn waar we héle mensen kunnen zijn, als het lichaam van Christus? De voorwaarde moet dan zijn dat we ons op een natuurlijke manier kunnen bewegen, en dat is niet zo gemakkelijk als de ruimte vol is met zoveel vaste voorwerpen. Daarom: ‘Haal de kerkbanken eruit!’, roept dominee Jan Oskar Utnem.

‘Kijk naar de kinderen, die dansen zonder zonde’

Heilige dans

Iemand die een grote invloed op de dans heeft gehad, ook op dans-in-de-kerk, was Bernhard Wosien (1908-1986). Hij heeft een type meditatieve dans geschapen, die ook sacrale/ heilige dans genoemd wordt en zeer populair is in vele landen. Wosien was de zoon van een dominee en hij werd een ster als balletdanser en choreograaf. Naast dans studeerde hij theologie, kunstgeschiedenis en schilderkunst. Hij was bovendien een begaafd beeldend kunstenaar. Van 1952 tot 1954 onderzocht hij onder meer de volksdanstradities op de Balkan en in Griekenland. Hier ontdekte hij veel oude symboolvormen in de volksdansen. Die omvatten zowel cirkel, kruis, reien en spiralen als zon, maan, labyrint en wegen. Het woord ‘be-weg-ing’ omvat het woord ‘weg’. Wij zijn toch allen op weg in het leven, op weg naar een doel, maar deze weg gaat vaak niet rechtdoor. Er zijn bochten, hoogten en dieptes, omwegen en rustplaatsen, en af en toe moeten we zelfs een paar stappen rugwaarts doen!

Op weg zijn en toch een stap terugdoen

Al deze dingen beleven we versterkt in de dans. De basisgedachte is dat de levensweg gericht is naar God (als in processies) of in cirkels rond het goddelijke (zoals in de ringdans rond een centrum met een brandende kaars). De cirkel en het kruis zijn twee belangrijke, centrale symbolen in de heilige dans. De cirkel als symbool voor de eeuwigheid en de volkomen, kosmische heelheid geeft een fijne gemeenschapsbelevenis. We kunnen elkaar in de ogen zien, we hebben allen een hoewel een beetje verschillend, toch gelijkwaardig zicht op het midden en we steunen en dragen elkaar in de dans. Het midden is vaak fraai gevormd met sjaals in passende kleuren en symbolische voorwerpen, tezamen met een of meer kaarsen die het hoofdthema voor het samenzijn belichten en onderstrepen. Er wordt gedanst bij klassieke of volksmuziek, bij orthodox koorgezang en Taizéliederen. Het kruis symboliseert Gods incarnatie in de mens ofwel de mens die in Gods beeld geschapen is. Als de mens de beide armen uitstrekt op schouderhoogte, dan toont zich een verticale en horizontale as, teken voor de verbinding tussen hemel en aarde (verticaal) en tussen medemensen (horizontaal).

‘Ik speelde op de fluit en jullie dansten!’

Wosien veranderde wel iets in zijn choreografieën: de dansrichting werd omgekeerd van links naar rechts. Alle cirkeldansen in de Middeleeuwen en Renaissance begonnen met de linkervoet, gingen dus naar links met de zon in de rug. (Vandaag beginnen zowel de militairen als de korpsmusici nog steeds met de linkervoet!) Wosien begon zijn dansen met de rechtervoet naar rechts, de zon tegemoet. Ook in de Middeleeuwen was er een uitzondering in de traditionele dansrichting: in de kathedraal van Chartres danste men naar links het labyrint in, men werd ‘verlicht’ door Christus in het midden en danste dan naar rechts het labyrint weer uit.

Als we een van deze heilige dansen in een kerkdienst gebruiken, dan moeten we ervoor zorgen dat ofwel allen deelnemen of diegenen die dansen dit rond de gemeente doen, zodat allen erin betrokken zijn en niemand alleen maar de ruggen ziet van de groep die in het koor danst. Of kan de voordansergroep dansen in een cirkel met het gezicht naar buiten gekeerd?

Verlegenheid

Toen ik vijf jaar oud was, kon ik al lezen, schrijven en rekenen. In het weekblad Libelle las ik de levensgeschiedenis van de grote Russische ballerina Anna Pavlova, geïllustreerd met foto’s van haar voorstellingen. Ik werd daar totaal van begeesterd en erdoor geïnspireerd. Ik wilde ook danseres worden! En ik begon te dansen en stierf meermaals als zwaan op de vloer. Maar: moeder moest dat niet zien, want dans was zonde. Moeder wilde ook niet naar de Walburgkerk in Zutphen komen toen ik daar in 1994 danste in een kerkdienst… Ons laatste werkelijke gesprek voor ze enige maanden later overleed, ging echter over dans in de kerk.

Mijn ouders moesten toegeven dat ze nooit onderzocht hadden hoe en wat ik eigenlijk danste. Speciaal voor mijn moeder was het woord ‘dans’ altijd verbonden met seksuele uitspattingen. Mijn vorm van liturgische dans bestaat uit het tegelijk zingen van en dansen bij gezangen uit het Liedboek en/of liturgische delen van de mis/kerkdienst. De bedoeling is dat het zulke eenvoudige bewegingen en stappen zijn, dat allen kunnen meedoen. Als ze dat wagen, want het grootste probleem voor dans in de kerk is niet (meer) de theologie, maar de verlegenheid: wat zullen die anderen wel van mij denken en zeggen, als ze mij op deze manier zien bewegen… Dan kun je alleen maar citeren: ‘Looft Hem met paukenslag en reidans!’ (Psalm 150:4)

Bewegen in de kerk

Een kerk waar het lichaam bewust als heilige ruimte beleefd wordt, is de Døvekirke, de kerk voor dove mensen. In deze kerk in Oslo heeft een beroepsdanseres, Olga Papalexiou, een vaste baan als liturgisch medewerkster. Zij danst bij de inen uitgangsprocessies, vóór de preek en eventueel bij doop en avondmaal. ‘Beweging’ is een centraal woord in het verloop van de kerkdienst in deze gemeente. De liturgie is een verkorte, aangepaste vorm van de voorgeschreven rituelen in het altaarboek, met veel minder woorden dan gewoonlijk, maar des te meer beelden en bewegingen. De taal van de doven brengt levende mimiek en bewegingen mee, iets wat ook het ‘zingen’ van de liederen vormt. Bij een van mijn bezoeken aan de kerkdiensten daar, werd er gedanst bij ter plekke gespeelde muziek op een fluit. ‘Ik speelde op de fluit en jullie dansten! Hoera!’, zou Jezus hier gezegd hebben.

Elze-Emma Bongers was viool- en muziekgeschiedenispedagoog in Nederland en kerkmusicus in Noorwegen. Ze specialiseerde zich daar in liturgische dans en gaf liturgische-danscursussen in vele Europese landen.

Literatuur

Marian van Amsterdam, Hoe welkom zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode (Jes. 52,7) … Dans binnen de liturgie, Hees-wijk Dinther, 1995.

Bernhard Wosien, Der Weg des Tänzers. Selbsterfahrung durch Bewegung, 2008. In erweiterte Auflage Maria-Gabriele Wosien (Hrsg.), Bergdietikon, Schweiz.

Emma-Elze Bongers, Kom, dans for vår Gud!, Oslo, 2016.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken