Kus
De omstandigheden zijn zelden gelijk. Daarom zijn de verschillen groot. De ene kus is de andere niet. De intense kus van een geliefde roept aanzienlijk meer emoties op dan de vluchtige kussen die de handdruk vergezellen bij de begroeting van een goede bekende. Bij feestelijke gelegenheden wordt gekust, maar ook bij droevige plechtigheden. De kus kan zowel vergezeld gaan van een lach als van een traan. Op stations en vliegvelden vallen mensen elkaar in de armen en wordt het weerzien bezegeld met een of meerdere kussen. Enkele stappen verder wisselen geliefden in een vloed van tranen de laatste kussen ten afscheid.
In het Jodendom zijn er verschillende momenten waarop gelovigen een voorwerp kussen. De vrome Jood geeft bij het betreden en verlaten van een huis de Mezoezah (aan de deurpost bevestigd) een handkus. Ook zien we Joden de kwasten van hun gebedsmantel en de Torarol als deze de synagoge wordt binnengebracht kussen. In sommige gemeenschappen kussen de kinderen bij het begin van de sabbat de hand van hun vader, net voor hij de zegen geeft. Chassidische Joden kussen de hand van hun rabbi. En bij de Klaagmuur zien we herhaaldelijk het schouwspel van het kussen van de muur. Wat betekent dit kusgebaar? Het kussen van godsdienstige voorwerpen is voor orthodoxe Joden een teken van grote eerbied en van sterke betrokkenheid bij hetgeen het voorwerp uitdraagt.
Kent de bijbel ook zulke gebruiken? Welke plaats neemt de kus in het Oude en Nieuwe Testament in? Weldra zullen we daar inzicht in krijgen.
Grondtekst
Tweemaal treffen we in het Oude Testament, ‘kus’, nesjieqah, aan (Spr. 27:6; Hoogl. 1:2), door de Septuaginta weergegeven met filèma (zie beneden). Ruim dertig teksten vermelden het werkwoord nasjaq, ‘kussen’, waarvan llx in de verhalen van de aartsvaders en -moeders (Gen. 27:26-27; 29:11; 33:4 enz.) en 8x in de boeken Samuël-Koningen (1 Sam. 10:1; 20:41; 1 Kon. 19:18-20 enz.). De etymologie is onzeker. Mogelijk ligt er een lijn met ‘aan iets ruiken’ of ‘het opslurpen van iemands adem’ of ‘het verzegelen van lippen’.
Het nieuwtestamentische filèma, ‘kus’, verschijnt in de evangeliën alleen in Lucas (7:45; 22:48;vgl. Josefus, Joodse Oorlog, VII, 391) en verder aan het slot van enkele brieven, alwaar het verbonden is met het bijvoeglijke hagios, ‘heilig’, en samen de uitdrukking ‘heilige kus’ vormt (Rom. 16:16; 1 Kor. 16:20; 2 Kor. 13:1:2; 1 Tess. 5:26). Petrus heeft nog de samenstelling, ‘kus van liefde’; 1 Petr. 5:14). Het verwante werkwoord voor ‘kussen’ is katafileoo, het betreft een ritueel of handeling bij begroeting of afscheid (Mat. 26:49; Mar. 14:45; Luc. 15:20; Hand. 20:37), of bij een aanhankelijkheidsritueel (Luc. 7:38,45).
Letterlijk en concreet
a.De momenten waarop de bijbelse mens zich met een kus tot de ander wendt, concentreren zich ruwweg op: afscheid van levenden en doden (Ruth 1:9; 1:14; Gen. 27:26; 48:10); begroeting en weerzien (Ex. 4:27; 18:7; Gen. 33:4; 45:15; 1 Petr. 5:14), intimiteit tussen geliefden (Hoogl. 1:2; 8:1) en eerbetoon (1 Sam. 10:1; Luc. 7:38, 45). Steeds spreekt in deze teksten een sterke verbondenheid tussen de kussende personen.
b.Gaan we in de teksten na wie welke persoon een kus geeft, dan ontstaat het volgende overzicht: geliefde aan geliefde, zoon aan vader, vader aan dochter, vader aan zoon, zoon aan moeder, broer aan broer, grootouder aan kleinkind, schoonzoon aan schoonvader, schoondochter aan schoonmoeder, neef aan nicht, leerling aan leraar, profeet aan aanstaande koning, onderdaan aan koning, gemeentelid aan gemeentelid.
c.De commentaren van de rabbijnen roepen naar aanleiding van Jakobs kus aan Rachel (Gen. 29:11) mannen en vrouwen op tot terughoudendheid in het kussen. De reden tot deze oproep is de ervaring dat kussen kan leiden tot onzedelijkheid. Er zijn echter drie uitzonderingen: afscheidskus, begroetingskus en de kus uit eerbetoon; sommigen voegen daar nog aan toe de kus tussen familieleden (Midrasj Rabbah Gen. LXX, 12). Dat laatste komt op ontroerende wijze naar voren bij het afscheid van de joodse mannen van hun kinderen en vrouwen net voor zij hen en zichzelf doden om de Romeinse vijand schrik aan te jagen: ‘Ze omhelsden hun vrouwen en drukten hen aan hun hart, ze namen hun kinderen in hun armen en gaven hun in tranen voor het laatste een lange kus’ (Joodse Oorlog, VII, 391).
Beeldspraak en symboliek
a.Zojuist hebben we een opsomming gegeven van momenten waarop wie wie kust. Hoewel het doorgaans om het letterlijke kussen van elkaar gaat, schuilt in de kus zelf beeldspraak en symboliek. Neem bijvoorbeeld de liefdeslyriek van Hooglied. We horen van het verlangen van de bruid naar een kus van de bruidegom en haar verlangen hem te kussen (1:2 en 8:1). Dat doelt op het concrete kussen. Toch is daarmee niet alles ontvouwd. Het meisje verlangt zeer sterk naar haar lief. Haar passie voor hem is ongekend groot. Door de kus op te voeren, is de dichter in staat die passie onder woorden tebrengen. De kus is een poëtische vormgeving van heftig verlangen naar die ene. De joodse traditie gaat met haar allegorische uitleg van Hooglied nog verder. In deze uitleg symboliseert de relatie bruid en bruidegom de relatie Israël en God. Het verlangen naar een kus wijst op het verlangen van Israël naar God. Israël verkeert in ballingschap, vervreemd van het beloofde land en vervreemd van God. Het volk hunkert naar goddelijke aanraking en naar herstel van communicatie met de Eeuwige. Een kus van God symboliseert Gods intensieve liefde. De Talmoed vertelt dat Mozes, Aäron en Mirjam zijn gestorven door een kus van God. De traditie ziet dit als het hoogste voorrecht dat de mens kan overkomen.
b.In de oud-oosterse wereld speelde de kus een rol binnen het kader van de cultus. Het kussen van een godenbeeld werd gezien als een bewijs van de verering van de godheid. In welke mate dat ook in Israël het geval was, is op z’n minst twijfelachtig. In de tempel te Jeruzalem stond immers geen godenbeeld. Uit de volgende profetische tekst kan zelfs worden afgeleid dat de ‘cultische kus’ een bewijs vormt van het feit dat men zich bezighoudt met afgodendienst: ‘Toch blijven zij maar zondigen; zij hebben gegoten beelden gemaakt, van hun zilver maakten zij afgodsbeelden naar hun eigen smaak, allemaal werk van ambachtsvolk. Daaraan wijden zij mijn offers, zij, mensen die stierenbeelden kussen’ (Hos. 13:2).
c.Vier apostolische brieven eindigen met de aansporing: ‘Groet elkaar met de heilige kus’ (Rom. 16:16; 1 Kor. 16:20; 2 Kor. 13:12; 1 Tess. 5:26). In Justinus’ Eerste Apologie (65:2), uit de tweede eeuw, lezen we: ‘Wij begroeten elkaar met de kus na de beëindiging van het gebed.’ Deze liturgische handeling vindt hier plaats net voor de communie. De oude kerk kent dus het liturgische gebaar van de heilige kus. Welke diepere zin zou Paulus in die kus hebben gezien? Wat wil de kus verbeelden? Het eerste dat we zeggen, is: het gaat om een heilige kus. De kus heeft een bijzonder karakter. Zijn context is de heilige gemeenschap die zich gedragen weet door de Heilige Geest. De heilige kus symboliseert de nauwe verbondenheid van de gelovigen; de gelovigen in de Heer zijn bij elkaar gebracht, ze vormen een eenheid, ze hoeden zich voor onderlinge vervreemding, ze willen elkaar trouw blijven en elkaar liefde bewijzen.Dit alles brengt de kus in beeld. Ongeveer hetzelfde zal Petrus bedoelen met de oproep ‘Groet elkaar met de liefdeskus’ aan het eind van zijn eerste brief (5:14). Mogelijk betreft het hier een kus tijdens de agapèviering; in dat geval brengt de kus de onderlinge liefdesband tot uitdrukking.
d.De kus is ook een teken van eerbetoon. Psalm 2 spreekt daarvan. Aan het slot klinkt de oproep tot de koningen der volken de Heereer te betonen en zijn zoon te eren door diens voeten te kussen. Hoewel dit vers tekstkritisch gezien veel moeilijkheden in zich draagt, komt het element van eerbetoon door de voeten te kussen (van de Heer, van de zoon, van de grond waar de koning op zit?) zonneklaar naar voren. Degenen die de kus geven, kunnen dat enkel door te buigen. Dat houdt in dat zij hun macht afleggen en de ander macht toekennen. In het evangelie zien we ook een eerbetoon door het kussen van voeten. Lucas (7:36-50) vertelt dat, terwijl Jezus in het huis van een zekere Simon aan tafel zit, een vrouw met een bedenkelijk verleden ongevraagd en ongemanierd zich neerbuigt voor Jezus. Zij wast met de tranen van haar ogen zijn voeten, droogt ze vervolgens met haar hoofdhaar af en kust de voeten van de Heer. Gastheer Simon is hoogst verontwaardigd over dit gedrag. Jezus neemt het voor de vrouw op. Hij prijst haar. Haar daad, waaronder het kussen van de voeten, is een teken van diepe eerbied en groot ontzag voor Jezus. Dät maakt haar groot in Jezus’ ogen en maakt van haar een voorbeeld voor gastheer Simon en de zijnen.
e.Niet alleen letterlijk kussen personen elkaar, ook aspecten van het heil doen dat met elkaar. Zo laat Psalm 85 zien, een profetisch gebed. De dichter droomt van een toekomst vol heil. Hij stelt het verlangde heil voor als personages: Goedertierenheid, Gerechtigheid, Trouw, Oprechtheid, Vrede. Zij zullen heersen in een land waar het leven volmaakt is. In een prachtige beeldspraak bevestigt de dichter dat: Goedertierenheid en Trouw ontmoeten elkaar, Gerechtigheid en Vrede kussen elkaar (vs. 11). Ontmoeten en kussen – activiteiten die dicht in elkaars buurt liggen. Twee kussen elkaar. Zij komen samen, vormen een eenheid, gaan als geliefden met elkaar om, vullen elkaar aan. Dät is het kenmerk van het volle heil. Nu drijven zoveel dingen Gerechtigheid en Vrede uit elkaar. Hun lippen weten elkaar maar moeilijk te bereiken. Zo vaak staat een mens of volk op om die twee uit elkaar te houden, met alle gevolgen van dien. De dichter ziet een andere wereld: Gerechtigheid en Vrede liggen verstrengeld in elkaars armen.
f.De bijbel geeft echter bovendien enkele voorbeelden van het tragische gegeven dat een kus ook misbruikt kan worden. Joab, een van de generaals van koning David, maakt een beweging die doet vermoeden dat hij bereid is vrede te sluiten en daarom zijn tegenstander wil kussen. Met als gevolg dat deze niet meer waakzaam is en die onoplettendheid stelt Joab in staat hem neer te steken (2 Sam. 20:9-10). De Judaskus is in onze taal spreekwoordelijk geworden. We bedoelen ermee dat iemand naar de vorm heel aardig doet, maar van binnen vol weerzin zit. De uitdrukking hebben we ontleend aan de kus die Judas aan Jezus geeft om Hem te identificeren, zodat de soldaten Hem in de boeien kunnen slaan (Luc. 22:47-48). De kus als gebaar van betoon van nabijheid en betrokkenheid is schijn. Het teken wordt misbruikt en doelt op duistere praktijken. Het teken wordt als het ware totaal van richting veranderd, in de richting van vervreemding en haat. Eerder, in 2 Samuël, zien we Joab een soortgelijke kus geven aan Amasa (20:9-10). Ook hier leidt de kus tot de dood, de ernstigste vorm van vervreemding. Deze verhalen ontmaskeren schijn van echtheid (vgl. Spr. 27:6).
Praxis
a.Liederen:
Liedboek: Psalm 2; 85; Gezang 107; 116; 127; 185; 198; 430; 452; Bijbel II: 77; Evangelie I: 15; Liturgie: 159; Zingend I-II: 50; VI: 55.
b.Poëzie:
Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, Amsterdam 19848, blz. 585: ‘Kus’. Hans Bouma, Mijn God, Kampen 1997, blz. 100: ‘Mens van Gods dromen’. Michel Coune, Bruidszang bij het Hooglied, Averbode/Kampen 1992, blz. 21: ‘Overstelp mij met de kussen van mijn mond’. Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 411: ‘De gestorvene’. Judith Herzberg, 27 liefdesliedjes, Amsterdam 19867, blz. 5: ‘Je zoenen zijn zoeter…’. Anton Korteweg, Eeuwig heimwee drijft hem voort, Amsterdam 1973, blz. 40: ‘De verloren zoon’.
c.Verwerking:
Om het woord te verduidelijken, kunnen we aansluiten bij de gelegenheden waarbij wij in onze cultuur kussen. Ook kunnen we verwijzen naar het synonieme woord zoen. Zoen hangt samen met het woord verzoenen. Zouden we zoenen en kussen kunnen omschrijven als een handeling die verzoening bewerkstelligt en vervreemding afbreekt? De thema’s die we signaleren, zijn onder andere: begroeting, weerzien, verlangen of heimwee, afscheid, liefde, bedrog,vervreemding en nabijheid, eerbied voor het heilige en bijzondere.
Verwijzing
Vanwege het aspect van begroeting verwijzen we naar ‘rug‘ (nek, hals). Verder ligt er een raakvlak met ‘mond‘ (lippen).