‘Laat de kinderen tot mij komen’: de roeping van grootouders
‘Wie heeft jou geïnspireerd op jouw geloofsweg?’ Op deze vraag antwoorden mensen, is mijn ervaring, heel vaak: mijn opa of oma, die gelovig leefden en voor mij hebben gebeden. Ook als ouders andere wegen gingen, wisten kleinkinderen: opa en oma zijn gelovig en bidden. Ze zijn met hun leven een voorbeeld, een levende herinnering aan wie God zou kunnen zijn.
Een kleinzoon vertelde: ‘Toen mijn oma stierf, besefte ik opeens dat er nu niemand meer was die dagelijks voor mij bidt. Dat voelde leeg. Opeens begreep ik dat het kennelijk toch belangrijk voor me was, te weten dat oma voor mij bad. Nu moet ik zelf aan de bak. Ik heb me aangemeld voor een oriëntatiecursus over het christelijk geloof.’
Gelovig aanwezig
Opa’s en oma’s hebben een roeping voor hun kleinkinderen. Niet om ze te bepreken, wel om gelovig aanwezig te zijn. Gevoelig voor wat hun kleinkinderen bezighoudt, waarbij ze ook de tijd nemen om te luisteren en vanuit verzamelde wijsheid door te vragen en uitnodigend iets te delen over hun eigen visie en geloof. Grootouders hebben tijd en voldoende afstand om zo’n rol te kunnen spelen.
Let daarbij goed op het eigene van ieder kind. Wat houdt hen bezig? Waar stellen ze vragen, welke? Hoe kun je bij hen aansluiten?
Verhalen
Onze zoon was als vierjarige al zeer bewogen met mensen die in armoede leven. Op de kleuterschool organiseerde hij een actie: ‘heitje voor een karweitje’. De opbrengst werd door de hele klas met de juf naar de bank gebracht en gestort op de rekening van het Rode Kruis. Toen hij weer ‘arme mensen’ op TV zag riep hij: ‘Het brood is onderweg!’
Als tienjarige kreeg hij in de gaten dat het zo helaas niet werkt. We wandelden toen samen langs het strand. Hij constateerde: ‘Het helpt allemaal niks, hè mama, het goede doen, er verandert niks.’ Wat te zeggen?
Later liep ik met mijn schoondochter en kleindochter mee in de klimaatmars. (Ik wil niet dat mijn kleinkinderen later zeggen: die opa en beppe van mij, die deden niks. Dus ik liep mee.) We dronken na afloop chocolademelk in een cafeetje. Toen zei mijn tienjarige kleindochter droogjes: ‘Als ik vijftig ben, is de wereld vergaan.’ Dat meende ze oprecht. Wat te zeggen?
Ik heb geleerd dat je de vraag eerst maar eens moet laten staan. Wat denk je? Wat maakt dat je dit zegt? En vervolgens: het er niet bij laten zitten. Er zijn van die momenten dat je wat te zéggen hebt. Niet omdat je weet hoe het zit, niet omdat je sluitende oplossingen hebt, maar omdat je een verhaal kent. Het grote verhaal van God, die zich om mensen en om deze schepping bekommert. We weten van een toekomst, die vol recht en vrede zal zijn. We kennen verhalen die erover gaan.
Richting
Ik vertelde mijn zoon opnieuw het verhaal over Mozes. Een wanhopige moeder, die haar zoon in een mandje in de Nijl legt. Ja, hij overleeft. Maar hoe? Aan het hof van de onderdrukker. Hoe moeilijk moet dat zijn geweest. De moeder van Mozes heeft vermoedelijk nooit meegemaakt dat Mozes leider werd in dienst aan Gods bevrijdend handelen. Maar haar daad was van groot belang. En zo kennen we meer verhalen. Over Ruth en Boaz, in een tijd van chaos en dreiging. Over Jezus, ergens achteraf geboren, in een tijd van onderdrukking. We vertellen verhalen, omdat ze ons zelf richting geven. Geen naïef optimisme, geen zwaarmoedig pessimisme. We hebben hoop. Die hoop delen we, en daarbij bidden we dagelijks voor onze kleinkinderen.
Nynke Dijkstra-Algra is predikant in de Protestantse Kerk en missionair specialist.