Laat hen allen één zijn
7e zondag van Pasen (Exodus 19,1-11, Psalm 68,1-14, Psalm 1, 1 Johannes 5,9-15 en Johannes 17,14-26)
In Exodus 19 lezen we hoe de Israëlieten zich moeten heiligen om de Eeuwige te ontmoeten bij de heilige berg. Psalm 68,1-14 bezingt hoe de Eeuwige in al zijn macht en grootheid zijn vijanden verplettert, maar met een milde regen nieuwe kracht schenkt aan zwakken. Wie uit die kracht put is als een boom aan stromend water, zegt Psalm 1. In twaalf woorden vat 1 Johannes 5,11 het evangelie samen: ‘God heeft ons eeuwig leven geschonken en dat leven is in zijn Zoon.’
Ook al heeft Jezus beloofd dat Hij zijn leerlingen niet als wezen zal achterlaten (Joh. 14,18), toch noemen we deze zondag wat weemoedig ‘weeskind’. Sinds de veertigste paasdag is Hij écht weg van ons, ten hemel gevaren. De Geest der waarheid (Joh. 14,17) laat nog op zich wachten: diens komst vieren we op de vijftigste paasdag, Pinksteren, het joodse feest van de Verbondssluiting op de Sinai.
Gebed voor de leerlingen
Na alle diepgaande en indrukwekkende gesprekken van Jezus met zijn leerlingen tijdens hun laatste gezamenlijke maaltijd richt Jezus zich in Johannes 17 in gebed tot de Vader in de hemel. In kort bestek komt alles aan de orde wat besproken was, gericht tot de Vader, in de vorm van een gebed om de leerlingen – en de leerlingen van de leerlingen – tot in de verre toekomst bij te staan met kracht, hulp, bescherming en waarheid. Tot de Heer zelf komt, moeten ze leven in de wereld (Gr.: kosmos), een wereld die niet weet van eeuwig leven en die vijandig staat tegenover de waarheid. Het woord kosmos staat centraal: het komt negentienmaal voor in Johannes 13–16, en vijftienmaal in Johannes 17. Midden in deze wereld weten Jezus’ leerlingen en hun volgelingen wél van het eeuwige leven.
Tot nu toe sprak het evangelie over ‘het eeuwige leven’ zonder nadere uitleg. Het bleef een raadsel. Pas in Johannes 17,3 geeft Jezus uitleg: ‘Het eeuwige leven, dat is dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus.’ Bij Johannes betekent het eeuwige leven niet dat je na je biologische sterven verder leeft buiten de tijd. Eerder is het eeuwige leven een ruimte, een koepel over je hele leven, niet onderbroken door het moment van je biologische dood. De leerlingen leven dus in twee werelden tegelijk: deze wereld en het eeuwige leven. Ze krioelen rond in de wereld, tezamen met alle andere mensen. Zoals alle mensen zijn ze blootgesteld aan de macht en de verleidingen van de heer van de wereld die het kwaad zelf is.
Maar tegelijk is het eeuwige leven overal in de wereld zichtbaar voor wie het zien kan, voor wie geheiligd is door Gods Woord (17,17), door de liefde. Die liefde heeft haar grond niet in wat mensen uit zichzelf kunnen doen of niet kunnen doen. Ze heeft haar grond in de liefde van de Vader die ons in het leven roept.
Liefde leren kennen
De leerlingen mogen doen als Jezus. Jezus is niet gekomen om een oordeel te vellen over de wereld, maar om haar te redden (Joh. 3,17). Daarvan moeten de leerlingen na zijn vertrek getuigen. Door hen moet de wereld de liefde van de Vader en de Zoon leren kennen! Met de liefde kan de wereld ook de vreugde leren kennen en nieuw leven vinden dat niet door bederf kan worden aangetast. De liefde waarvan Jezus spreekt is niet een gevoel in mensen; liefde doe je als je de weg volgt achter Jezus aan. Ons is die liefde immers bewezen in de weg die de Heer voor ons gegaan is.
In zijn gebed beperkt Jezus zich niet tot zijn eigen leerlingen, het gebed geldt allen die door de verkondiging van de leerlingen in Hem geloven (17,20). Ook zij – en dus ook wij – worden uitgezonden opdat de wereld gelooft dat de Vader Hem heeft gezonden. Maar dan volgt er in het gebed een nieuw element: ‘Laat allen (nl. de gelovigen na de apostelen) één zijn’ en wel zoals de Vader in Jezus is en de Zoon in de Vader (17,21). Ook de gelovigen delen in de grootheid van Jezus. De wereld zal het zien en geloven.
Eenheid
Naast de eenheid van de gelovigen met de Vader en de Zoon bidt Jezus ten slotte om eenheid onder de gelovigen. Wie ook maar iets van kerkgeschiedenis weet, begrijpt dat pogingen tot eenheid telkens zijn stukgelopen op menselijke factoren. Maar de eenheid waarvoor Jezus bidt gaat niet over de kerken als instituties, hoe mooi het ook is als scheidingen van vroeger ongedaan worden gemaakt. De Heer bidt dat zij zélf één zijn, niet dat ze een verenigde kerk organiseren. De eenheid waarvoor Jezus bidt, heeft haar grond niet in wat mensen wel of niet tot stand kunnen brengen. Die eenheid is overal waar mensen geloven dat Jezus door de Vader gezonden is om de wereld te redden, en om de wereld te laten delen in de liefde van de hemel die leven en vreugde geeft op aarde.
We zijn één door Hem, en met Hem verbonden, ook al geloven we dat op net zoveel verschillende manieren als er mensen zijn, ook al organiseren we dat in nog zoveel verschillende gemeenschappen. In Hem zijn we één, verbonden met elkaar, in al onze verscheidenheid, en ingeschakeld in de opdracht die Hij van de Vader ontvangen heeft: de wereld redden. Jezus besluit zijn gebed met: ‘… zodat de liefde waarmee U Mij liefhad in hen zal zijn en Ik in hen’ (17,26). Het zijn de laatste woorden waar de leerlingen bij zijn en waarbij wij mogen meekijken en -luisteren.
Deze exegese is opgesteld door Hans Fortuin.