Menu

Premium

Leger

Op de eerste pagina van zijn historische roman Iskander, gewijd aan het leven van Alexander de Grote, beschrijft Louis Couperus het oprukkende leger van de vorst uit Macedonië op een wijze die getuigt van zijn verbeeldingskracht: ‘De stralende hemel scheen onverzoenbaar van gloed, dadelijk al, in de eerste ure des daags. De achterhoede van het Macedonische leger bewoog over de zanden heen als een slang, fabelmonster, met dof glanzende schubben van ijzer en brons, die waren de schilden, met de kam der oppiekende lansen, die schenen de steile rugharen van de voortschuivende draak, terwijl de vooraf gaande ruiterij er de duizendvoudige kop van scheen’.

Op hun weg – heen en terug! – naar Egypte zijn de Macedonische legers ook door het land Israël getrokken. Het is niet ondenkbaar dat de eindeloze rijen soldaten, paarden en wagens bij de joden die met vrees en beven dit gebeuren gadesloegen soortgelijke beelden hebben opgeroepen. Een gigantische slang kronkelde door het land. Het beest was gevaarlijk, maar toonde voor Israël betrekkelijk weinig belangstelling. Met de inzet van al zijn energie streed Alexander tegen de grootmachten van die tijd: Egypte en Perzië. Legers hebben een onuitwisbaar stempel gedrukt op de geschiedenis van de mensheid. Alexander was niet de eerste en ook niet de laatste die het bevel voerde over vele duizenden manschappen. In de loop der eeuwen werden de legers steeds omvangrijker. In de beide wereldoorlogen van de twintigste eeuw streden miljoenen tegen miljoenen. Dankzij de technische vooruitgang was de bewapening inmiddels zo ver geperfectioneerd en zoveel moorddadiger geworden dat veldslagen uitgroeiden tot ongekende massaslachtingen.

Grondtekst

In de oud-oosterse wereld werd in de loop der eeuwen veelvuldig strijd geleverd. Met als gevolg dat de Hebreeuwse taal voor ‘leger’ een rijke verscheidenheid aan woorden bezit: het meest komt het woord tsava’ voor: in totaal 479x (o.a. Ex. 12:17; Num. 2:6; 2 Sam. 3:23); 279x in het meervoud tseva’ot (‘Sebaot’) in verbinding met de Godsnaam; eenmaal komt matstsavah voor: ‘garnizoen’ of ‘wachtpost’ (1 Sam. 14:12); gedoed -meestal in ongunstige zin: roversbende (o.a. 1 Sam. 30:8,15,23; 2 Kon. 6:23; 13:20-21; 1 Kron. 12:19,22; 2 Kron. 22:1) – ook minder ongunstig: krijgsbende (1 Kron. 7:4; 2 Kron. 25:9,10,13; Job19:12; 25:3); chajil – in totaal 245x, meestal in de betekenis van ‘sterkte’, ‘kracht’, ‘bezit’ of ‘vermogen’; 68x heeft het woord chajil betrekking op ‘strijdmacht’ of ‘leger’ (o.a. Ex. 14:4; Deut. 11:4; 1 Kron. 20:1; 26:13; Jer. 32:2); machanèh –in totaal 214x; een van de betekenissen is ‘legerkamp’ (o.a. Ex. 29:14; Num. 13:19; Deut. 23:10; Richt. 7:10); ma’arakah betekent ‘slagorde’ (1 Sam. 4:2,12,16; 17:20-22,48; 1 Kron. 12:39). In het Nieuwe Testament is er een aanzienlijk geringer aantal woorden dat betrekking heeft op het krijgsbedrijf: strateia, ‘veldtocht’ (2 Kor. 10:4; 1 Tim. 1:18); strateuma, ‘leger, legerschaar’ (Mat. 22:7; Luc. 23:11; Hand. 23:10,27; Op. 9:16;19:14,19); strateuomai, ‘in krijgsdienst zijn, ten strijde trekken’ (Luc. 3:14; 1 Kor. 9:7; 2 Kor. 10:3; 1 Tim. 1:18; 2 Tim. 2:4; Jak. 4:1; 1 Petr. 2:11).

Letterlijk en concreet

a.De geschiedenis van het volk Israël wordt in hoge mate bepaald door de strategische ligging van het beloofde land. Wie een kaart van het Midden-Oosten raadpleegt, verbaast zich er niet meer over dat het vruchtbare gebied aan de oostelijke oevers van de Middellandse Zee vrijwel voortdurend fel betwist werd door omringende grootmachten: Egypte in het zuiden; Syrië in het noorden en Mesopotamië verderweg in het oosten. Israël was regelmatig het strijdtoneel van legers die hoopten het gebied binnen hun invloedssfeer te kunnen trekken. Als de heuvels en bergen van Israël konden spreken dan zouden zij verhalen over de legers die zij in de loop der tijden voorbij hadden zien trekken: Egyptenaren, Assyriërs, Babyloniërs, Macedoniërs, Syriërs, Romeinen…

b.De patriarchen waren nomaden. Zij hadden niet de beschikking over legers. Voor de verzorging en bescherming van hun have en goed droegen zij zorg samen met hun mannelijke familieleden en de knechten die zij in dienst hadden. Tegen die achtergrond moet de volgende tekst worden gelezen: ‘Toen Abram hoorde dat zijn broer (Lot) gevangen was genomen, riep hij de geoefende mannen die in zijn huis waren geboren op om zich te wapenen – het waren er driehonderdachttien – en hij ging de vijanden achterna tot bij Dan’ (Gen. 14:14).

c.Van een beroepsleger is ook na de uittocht uit Egypte en de verovering van het beloofde land nog geruime tijd geen sprake. Dat geldt ook voor de periode waarin de richters in tijden van nood leiding gaven aan het verzet tegen onvrijheid en onderdrukking. Zo riep Gideon ‘vervuld van de geest van de Heer’ mannen op hem te volgen in de strijd (Richt. 6:34). Hetzelfde gebeurde ook in de beginfase van het koningschap van Saul (1 Sam. 11:7).

d.In die situatie kwam eerst langzamerhand verandering: ‘Tijdens heel de regering van Saul moest er hevig worden gevochten tegen de Filistijnen; daarom keek hij steeds uit naar flinke en dappere mannen, om die in zijn dienst te nemen’ (1 Sam. 14:52). Deze groep mannen kan als een lijfwacht beschouwd worden en vormdede kern van een permanent leger bestaande uit beroepssoldaten. Ten tijde van de dynastie van David zet deze ontwikkeling zich verder door (2 Sam. 15:17-18; 23:8-39).

e.In de laatste fase van het bestaan van een zelfstandig koninkrijk Juda was zijn macht al zover getaand dat van een geregeld beroepsleger geen sprake meer kon zijn. In die situatie kwam na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap geen verandering. In het boek Nehemia wordt echter wel verteld dat de tegenwerking die de Joden bij de herbouw van de muren van Jeruzalem ondervonden zo groot was dat zij zich genoodzaakt zagen zich te bewapenen (Neh. 4:723). Van een joods leger kon echter geen sprake zijn. Het land Israël was bezet gebied. Een opmerkelijke uitzondering op die regel ontstond ten tijde van de opstand der Makkabeeën en de daarop volgende regeringsperiode van de dynastie der Hasmoneeën. Aan dit joodse koninkrijk kwam in 63 v.Chr. een einde. De onderlinge twisten waren inmiddels zo hoog opgelopen dat de Romeinse generaal Pompeius met zijn troepen te hulp werd geroepen. Zij kwamen en het joodse land bleef vanaf dat moment vele eeuwen een onderdeel van het Romeinse Imperium. In de tijd van Jezus en het ontstaan van de nieuwtestamentische geschriften is een leger altijd een vijandelijk en onderdrukkend leger.

Beeldspraak en symboliek

a.De uitdrukking JHWH/Elohiem Sebaot (o.a. Ps. 59:6; 80:5,8,15,20; 89:9) wordt verschillend vertaald: ‘God van de machten’ (Willibrord) of ‘God der heerscharen’ (NBG-1951). Het is niet precies te zeggen wat bedoeld wordt: engelen? sterren die hemelse machten symboliseren? Beide mogelijkheden zijn verdedigbaar. In zowel het Oude als het Nieuwe Testament kan gesproken worden over de sterren als ‘het heir van de hemel’ (Ps. 33:6; Jes. 40:26; Jer. 33:22; Hand. 7:42).

b.Volgens het evangelie van Lucas verscheen in de nacht van de geboorte van Jezus in het veld waar herders de wacht hielden over hun kudden ‘een heel leger uit de hemel’ (Luc. 2:13). Het lijdt geen twijfel dat daarbij aan een leger van engelen gedacht moet worden. Dergelijke voorstellingen zijn ook in de Psalmen te vinden: ‘Prijs nu de Heer, al zijn legioenen, dienaren die aan zijn wensen voldoen. Prijs nu de Heer, al zijn schepselen, overal waar Hij regeert’ (Ps. 103:21-22); ‘Loof de Heer, al zijn herauten, loof Hem, heel zijn legermacht’ (Ps. 148:2).

c.In de apocalyptische literatuur krijgt dit hemelse engelenleger een belangrijke functie. De strijd begint in de hemel: ‘Toen brak er in de hemel een oorlog uit. Michaël en zijn engelen vochten tegen de draak, en de draak en zijn engelen vochten terug. Maar zij hielden geen stand en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden’ (Op. 12:7-8). Het gevecht wordt in alle hevigheid op aarde voortgezet. Uiteindelijk zal het hemelse engelenleger de machten van het kwaad definitief overwinnen (Op. 19:14,19).

Praxis

a Liederen:

Liedboek: Psalm 18; 24; 33; 68; 89; Gezang 37; 45; 69; 197; 241; 285; 295; 399; Eerste: 10; 25; Alles III: 3; IV: 12; Bijbel II: 77; III: 85; Gezegend: 208; Liturgie: 649; 650; Zingend IV: 70; Zolang: 53 (= Gezangen: 831; Liturgie: 484).

b.Poëzie:

Armando, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1999, blz. 481-490: ‘De gevangen vijand’. Pé Hawinkels, Verzamelde gedichten, Nijmegen 1988, blz. 81: ‘De kindermoord te Bethlehem’. Judith Herzberg, Doen en laten, Amsterdam 19977, blz. 38: ‘4 mei’. A. Roland Holst, In ballingschap, Den Haag 1957, blz. 115, ‘Zwaar weer op til’. Muus Jacobse, Het oneindige verlangen,Nijkerk 1982, blz. 79: ’10 mei 1940′; 147: ‘In ballingschap’. Wim Ramakers, Dichterbij kan ik niet komen, Kampen 1993, blz. 39: ‘Monument Kamp Westerbork’.

b.Verwerking:

Welke associaties roept het woord leger bij ons op?, kunnen we ter inleiding vragen. Denkbare antwoorden zijn: geweld, angst, dictatuur, staatsgreep, vijandschap, verwoesting, dood, verkrachtingen, huilende kinderen op straat, vrouwen die hun man kwijt zijn. Maar ook bescherming, vrede, veiligheid. Om bij die laatste associaties aan te knopen: aan het begin van de 21e eeuw is het begrip ‘vredesleger’ ingeburgerd. Het doelt op legers die door de internationale gemeenschap worden ingezet om te midden van brandhaarden ergens in de wereld rust en vrede te bewaren. Welke invloed hebben de legers in de bijbel, inclusief het hemelse leger, op mensen en volken? De thema’s rondom het woord leger kwamen al min of meer naar voren bij de opsomming van associaties.

Verwijzing

De woorden die raakvlakken hebben met leger, zijn onder meer: ‘engel‘ (hemelse leger), ‘sprinkhaan‘ (legers sprinkhanen als beeld van oordeel en geweld), ‘leeuw‘, ‘paard‘ en ‘oorlog‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken