Leven in een eindtijd
10e zondag van de Herfst (Daniël 12:1-4, Psalmen 97, 1 Tessalonicenzen 5:1-11 en Matteüs 24:14-35)
Alle teksten van deze zondag zijn apocalyptisch getint. Ze tonen eindtijdvisioenen die iets onthullen van wat de mensheid te wachten staat. Als die voorbij zijn, zal er een definitieve eindstrijd komen tussen goed en kwaad, maar altijd met het uitzicht dat er uiteindelijk redding zal zijn en het goede zal worden beloond. ‘Beschaamd zullen zij staan, die zich beroemen op goden van niets,’ zo vat Psalmen 97:7 het samen. Hoe actueel voor onze tijd! De lezingen van vandaag stellen aan ieder van ons de vraag: Wat staat mij te doen?
Volgens Jan-Willem Wesselius[1] is het boek Daniël een caleidoscopisch boek. In deze lezing uit dit boek krijgt Daniël in het derde regeringsjaar van Cyrus, koning van Meden en Perzen, in 562 v.Chr., een visioen aan de oever van de Tigris. Hij alleen ziet het. Zijn makkers vluchten weg in angst. De koning van Perzië zal worden verslagen door Alexander de Grote. Maar als je de caleidoscoop wat draait, kan dit visioen ook afkomstig zijn uit de tijd van de strijd van de Makkabeeën tegen de wrede koning Antiochus Epiphanes in de tweede eeuw v.Chr.. De opdracht om te strijden tegen het kwaad is van alle tijden, en altijd wordt hulp daarbij toegezegd en uiteindelijke redding voor de rechtvaardigen.
Wapens in de strijd tegen het kwaad
Strijd tegen kwaad kan met verschillende wapens worden gevoerd. Van pijl en boog tot kernwapens. Maar Paulus raadt de christengemeente in Tessaloniki een speciale uitrusting aan, die overigens niemand zou misstaan. Deze brief, de oudste van Paulus, heeft eigenlijk drie afzenders: Paulus, Silvanus en Timoteüs. Vandaar dat in de brief meestal de eerste persoon meervoud wordt gebruikt. De vele metaforen en tegenstellingen geven dit fragment een dringend karakter. Het is nu of nooit! Tessaloniki was een bloeiende Griekse havenstad met een zeer gevarieerde bevolking, onder wie een grote joodse kolonie. De jonge christengemeente moest zich daar zien te handhaven en zich weerbaar opstellen tegen allerlei vreemde invloeden. De uitrusting die Paulus hun daartoe aanreikt, moet hen op de been houden tot aan ‘de dag van de Eeuwige’. Die uitrusting bestaat uit vertrouwen op de Eeuwige, uit hoop, soms tegen beter weten in, en liefde, met Jezus als de voorbeeldige drager ervan. Later zal Paulus in zijn eerste Korintiërsbrief de liefde voor de Eeuwige en voor de naaste noemen als het sterkste ‘wapen’ (1 Korintiërs 13:13). Liefde als fundament voor elk menselijk streven naar een vorm van ‘vrede en veiligheid’ die de zwakte blootlegt van de Pax et Securitas van grootmacht Rome en van alle grootmachten door de eeuwen heen.
Bemoediging en troost
In Matteüs 24:14 is sprake van een ‘goede boodschap’, maar wat erna volgt is verre van geruststellend. Om met meer vertrouwen de toekomst in te kunnen gaan, is 24:13 van belang. Alle beproevingen waarover Jezus spreekt, zijn het definitieve einde niet. Het zijn de tekens van het menselijk kwaad. Na het einde van de strijd daartegen komt er een nieuwe tijd van herstel met de hulp van de Eeuwige. Die tijd moet worden voorbereid door Jezus’ volgelingen door het goede nieuws te brengen van het Rijk van de Eeuwige, daarin voorgegaan door Jezus.
Deze lange lezing is onderdeel van de eschatologische rede van Jezus tot zijn leerlingen (Matteüs 24:1-25:46) en hoort tot het genre van de apocalyptiek. Het jodendom kent veel apocalypsen. Naast ‘wet en profeten’ kenden rabbijnen en farizeeën ook een traditie met een mystieke-esoterische inslag. Ook Jezus en Paulus waren ermee bekend. In onthullende taal (Gr.: apokaluptoo = onthullen, openbaren) wordt in bedekte termen verwezen naar concrete situaties en naar de verwoestende impact ervan. De raadselachtige uitdrukking ‘Zoon van de mens’ (Matteüs 24:27) komt uit een voorstelling in oud-joodse geschriften van een hemelse verlosser, die aan het einde van de tijd zal komen op de wolken om de heerschappij op zich te nemen (vergelijk Daniël 7:13).
De gruwel der verwoesting
Ook de visie van Matteüs zou je, net als die van Daniël, ‘caleidoscopisch’ kunnen noemen. Met het beeld van ‘de gruwel der verwoesting’ (24:15) kan hij terugverwijzen naar Antiochus, die een beeld van Zeus wilde plaatsen in de tempel van Jeruzalem. Maar ook naar wat er daarna, in 38 n.Chr., gebeurde toen de wrede Romeinse keizer Caligula (37-41 n.Chr.) hetzelfde wilde doen met een gouden beeld van hemzelf en er zwijnen wilde laten offeren. Of naar nog later, naar de uiteindelijke verwoesting van de tempel en de stad in het jaar 70 met alle vijandigheden, onderling en met de daaraan voorafgaande Romeinse bezetting die Matteüs nog heeft meegemaakt. Een duidelijke ‘hint’ in 24:28: ‘Let op, lezer’, wijst daarop. De ‘grote vogels’ (Gr.: aetoi), die op het ‘lijk’ (Gr.: ptooma) afkomen, zijn geen gieren, zoals de NBV vertaalt, maar adelaars. Het is een duidelijke verwijzing naar de Romeinse legerstandaards en de complete verwoesting van Jeruzalem en de tempel.
En nu?
Je hoeft maar een krant open te slaan en je wordt overspoeld door ‘onthullingen’ die het einde van de wereld lijken aan te kondigen: grote branden in Australië, smeltende ijskappen en stijgende zeespiegels, het uitsterven van diersoorten, de groeiende kloof tussen superrijk en straatarm en de daarbij komende onvrede, om er maar enkele te noemen. Dreiging van conflicten tussen landen, uitmondend in een kernoorlog. Redden wij het
dan met alleen een wapenrusting van vertrouwen, hoop en liefde? Het komt er nu meer dan ooit op aan te blijven vertrouwen op de Eeuwige en niet te wanhopen dat niets de zaak meer kan redden, maar te blijven liefhebben. Zelfs je tegenstander, zoals Jezus ons voorhield. Nu meer nodig dan ooit.
Deze exegese is opgesteld door José Vos.
Voetnoot
[1] Zie J. Fokkelman, W. Weren (red.), De Bijbel literair, Utrecht 2005.