Leven, ook wanneer je sterft
Bij Johannes 11,1-4(5-16)17-44
Een lang verhaal staat vandaag op het programma, waarin Lazarus en zijn twee zussen centraal staan. Drie trouwe vrienden en volgelingen van Jezus, die niet zoals de leerlingen achter Hem aantrokken, maar in Betanië zijn blijven wonen. Lazarus is ziek.
Lazarus, in het Hebreeuws ’eli-‘ezer, wat betekent ‘mijn God (is) helper’, lijkt van Gods hulp verstoken te zijn en is er slecht aan toe. Hij die elders als bedelaar wordt afgeschilderd (Luc. 16,20), staat ook hier met lege handen. Zijn beide zussen roepen Jezus te hulp, een roep waarin de naam van Lazarus doorklinkt. Zij vertrouwen erop dat Jezus hen te hulp komt.
Des te vreemder is het dat Jezus dat niet direct doet. Hij geeft als reactie: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden’ (Joh. 11,4 – NBV). Vervolgens wacht Hij nog twee dagen. Wat is hier aan de hand? Laat Jezus Lazarus twee dagen langer lijden om er uiteindelijk zelf door geëerd te worden? Gebruikt Jezus Lazarus voor zijn eigen eer? In deze woorden van Jezus klinken woorden door, die Hij eerder gesproken heeft bij de genezing van een blinde (Joh. 9,3). De blindheid komt niet door de zonden van de blinde of die van zijn ouders, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden’. Wellicht is dat ook de onderliggende bedoeling in het geval van Lazarus: dat Gods werk door zijn ziekte heen zichtbaar wordt.
Wie in Mij gelooft zal leven
Jezus komt in Betanië, dat dicht bij Jeruzalem ligt. De spanning wordt opgevoerd nu Jezus dichter bij de plek komt waar de Joden Hem wilden stenigen (11,8). Nu Jezus komt op de plek van zijn dode vriend, komt ook zijn eigen dood meer in het vizier.
Marta komt Hem tegemoet, terwijl Maria thuisblijft. Hier wordt het beeld bevestigd dat eerder van de beide zusters is gewekt (Luc. 10,38-42): Marta als degene die gelijk tot actie overgaat, Maria als degene die afwacht wat er gaat gebeuren. De woorden die Marta dan tot Jezus richt klinken als een verwijt: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn’ (Joh. 11,21). Een verwijt dat even later letterlijk door haar zus zal worden herhaald. Marta echter voegt daar nog aan toe: ‘Maar zelfs nu weet ik, dat God U alles zal geven wat U vraagt.’ Waarop doelt Marta hier? Weet zij al dat Jezus de macht heeft om haar broer te laten opstaan? Denkt zij aan wat er gebeurd is met de jongen te Naïn (Luc. 7,11-17) en met het dochtertje van Jaïrus (Luc. 8,40-56)? Toch blijkt uit het tweegesprek dat volgt, dat zij eerder gelooft in de opstanding op de laatste dag dan in de opstanding in het hier en nu.
In dit tweegesprek ontvouwt Jezus de kern van zijn boodschap: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft’ (11,25). Jezus is de bron die leven geeft. Ben je met deze bron verbonden, dan ben je verbonden met het leven zelf. Ben je van deze bron gescheiden, dan ben je pas werkelijk ‘dood’. Uit het antwoord dat Marta hierop geeft, blijkt niet dat zij deze kern van Jezus’ boodschap begrepen heeft.
De spanning loopt op…
Als Maria vervolgens bij Jezus komt, herhaalt zij de verwijtende woorden van haar zus. Jezus begint zich te ergeren. Ook de Joodse omstanders werpen Jezus voor dat Hij de dood van Lazarus had kunnen voorkomen. Intussen wisselen zich de emoties bij Jezus af, van diep bewogen door verdriet tot diep bewogen door woede. Er zijn weinig plaatsen in de evangeliën waar we Jezus zo geëmotioneerd te zien krijgen. Het is duidelijk dat de spanning voor Jezus steeds hoger oploopt en dat Jeruzalem dichtbij is.
‘Haal de steen weg’ zijn vervolgens woorden die de associatie met Pasen wel heel dichtbij brengen. Zo ook de doeken waarin de handen en voeten van Lazarus gewikkeld zijn. Opvallend is wel dat Lazarus al vier dagen in het graf ligt, een dag langer dan Jezus zelf in het graf zal verblijven. ‘Lazarus, kom naar buiten’ – alleen die woorden zijn genoeg om de dood te doorbreken. Vlak voor zijn eigen dood weet Jezus – met Gods hulp – zelfs iemand die al vier dagen dood is uit de dood te doen opstaan. Het lijkt wel een ‘generale repetitie’ voor wat Jezus zelf te wachten staat. Een vuurproef die Jezus doorstaat. Als overwinnaar op de dood gaat Jezus zo zijn eigen dood tegemoet.
Lazarus als ervaringsdeskundige
Aan het begin stelde ik dat in dit verhaal Lazarus centraal staat. Maar als je er langer over nadenkt, blijkt Lazarus hier voornamelijk lijdend voorwerp te zijn. Hij komt zelf niet aan het woord en er wordt hem ook na afloop niet naar zijn beleving gevraagd. Vreemd eigenlijk, want wie zou er niet benieuwd naar zijn hoe Lazarus het ervaren heeft om vier dagen dood te zijn en daarna weer tot leven gewekt te worden? Wat heeft hij in de tussentijd meegemaakt? Als een bedelaar heeft Lazarus vier dagen met lege handen gestaan. Hoe is het om je leven totaal uit handen te geven en het vervolgens weer terug te ontvangen? Sta je dan anders in het leven dan voorheen? Naar de beleving en het geloof van Lazarus wordt niet gevraagd, het is Jezus om de leerlingen en omstanders te doen. Hún wil Hij laten zien dat God sterker is dan de dood en dat Hij door God gezonden is. Wie verbonden blijft met God en met Jezus, blijft leven, ook wanneer hij sterft. Tóch jammer dat Lazarus als ervaringsdeskundige hierbij niet wordt gehoord…