Lichamelijkheid serieus genomen
3e zondag van de zomer (Marcus 5,22-43 en Jesaja 3,(16)25–4,6)
In de evangelielezing worden twee vrouwen, ‘dochters’ (Gr.: thugatèr, 5,34-35) door Jezus ‘gered’ (Gr.: sooidzoo, 5,23.28.34). In beide gevallen is er geen sprake van passieve handoplegging. Ook in de Jesajalezing komen vrouwen voor; zij vragen: ‘Neem de schande van ons weg’ (4,1 – NBV21). Er blijkt een mooie toekomst te gloren ‘wanneer de Heer het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld’ (3,4 – NBV21).
Het verhaal van het dochtertje van Jaïrus vormt een inclusie (Marc. 5,21-24.35-43) rondom het verhaal van de bloedvloeiende vrouw (5,25-34). Beide verhalen horen bij elkaar, hun samenhang heeft betekenis. Ook de andere synoptici vertellen dit ineengevlochten verhaal (Mat. 9,18-26; Luc. 8,40-56).
Een aantal woorden en begrippen verbindt beide verhalen. Zo ‘viel’ de overste van de synagoge, Jaïrus, ‘voor zijn voeten neer’ (Gr.: piptei pros tous podas autou, vs. 22), maar ook de genezen vrouw ‘kwam en viel voor hem neer’ (Gr.: prosepesen, vs. 33). In beide verhalen gaat het om redding: ‘opdat zij wordt gered’ (Gr.: soothei, vs. 23), ‘dan zal ik gered worden’ (Gr.: soothèsomai, vs. 28) en ‘jouw geloof heeft je gered’ (Gr.: sesooken se, vs. 34). Ook het Marcuswoord bij uitstek euthus (‘meteen’, ‘onmiddellijk’) komt bij beide genezingen voor (vs. 29.30.42). Verbindend zijn bovendien het getal van twaalf jaar (Gr.: doodeka etè, vs. 25, en etoon doodeka, vs. 42) en het woord ‘dochter’ (Gr.: thugatèr, vs. 34.35).
Menstruatie en Tenach
Vrouwen hebben in hun leven te maken met ernstiger of minder ernstig bloedverlies. Meestal wordt daar niet over gesproken. Door dit gezamenlijke verhaal worden wij als het ware met onze neus gedrukt op het gegeven van de menstruatiecyclus. In Tenach worden vrouwen die menstrueren als onrein beschouwd (Lev. 15,19-24). Een menstruerende vrouw mag niet worden aangeraakt; en ook haar bed of andere voorwerpen die zij aanraakt, worden als onrein beschouwd. Als de bloedvloeiing langer duurt dan alleen een menstruatiecyclus van zeven dagen, zal zij gedurende de hele tijd als onrein worden beschouwd (Lev. 15,25-27). De bloedvloeiende vrouw is dus al twaalf jaar door niemand aangeraakt en al twaalf jaar als onrein beschouwd. Opmerkelijk is dat het woord ‘onrein’, dat verder in het Marcusevangelie een grote rol speelt – ook in de onmiddellijke context (5,2) – hier totaal niet wordt genoemd. Rondom Jezus is geen sprake van uitsluiting.
(On)aanraakbaar
Men kan wel stellen dat de vrouw met haar twaalfjarige bloedverlies al jaren onaanraakbaar was. Maar nu wordt die vaststaande rol omgekeerd, want de vrouw raakt zelf, heel actief, Jezus’ kleed aan (Gr.: hèpsato tou himatiou autou, vs. 27). En ‘onmiddellijk (Gr.: euthus) droogde de bron van haar bloed op en zij wist aan haar lichaam, dat zij was genezen van haar kwaal’ (Gr.: mastigos, vs. 29, eigen vertaling).Jezus reageert niet als een wettische schriftgeleerde (ver)oordelend op haar aanraking, maar Hij merkt wel dat er kracht (Gr.: dunamin, vs. 30) van Hem uitgaat. Hij vraagt dan ook: ‘Wie heeft mijn kleed aangeraakt?’ (Gr.: tis mou hèpsato toon himatioon, vs. 30, eigen vertaling). Dat woord ‘aanraken’ (Gr.: haptoo) is belangrijk. Het wordt nogmaals herhaald in de vraag van zijn leerlingen (5,31) en komt zo drie keer voor.
Het mooie van het verhaal is dat er geen oordeel of straf volgt, waar de vrouw bang voor is (5,33). Integendeel: ‘Dochter, jouw geloof heeft je gered’ (vs. 34, eigen vertaling). De ene ‘dochter’ blijkt gered door de dunamis die van Jezus uitgaat. Hoe zal het aflopen met de andere ‘dochter’ in het volgende vers: ‘Jouw dochter is gestorven’ (Gr.: hè thugatèr sou apethanen, vs. 35)?
Van ‘dochtertje’ naar ‘dochter’
Het omlijstende verhaal gaat over een meisje van twaalf jaren (vs. 42), dat eerst door haar vader ‘mijn dochtertje’ (Gr.: to thugatrion mou, vs. 23) wordt genoemd en later door de omstanders ‘jouw dochter’ (Gr.: hè thugatèr sou, vs. 35). In het commentaar van Nico ter Linden wordt de rol van de vader met zijn ‘dochtertje’ gezien als een belemmering voor het volwassen worden van het meisje.1
Zoals we hebben gezien, is er een duidelijk verband met het tussenliggende verhaal van de bloedvloeiende vrouw. We zagen het woord ‘dochter’ en het getal van twaalf jaren. Terwijl jongens in het Jodendom op hun twaalfde jaar als volwassenen worden ingewijd in de synagoge door hun bar mitswa (‘zoon van de wet’), was het eeuwenlang zo dat meisjes rond hun twaalfde jaar alleen te maken kregen met lichamelijke volwassenwording in de vorm van maandelijks terugkerend bloedverlies. In onze tijd is er gelukkig in het liberale Jodendom ook sprake van bat mitswa (‘dochter van de wet’). Het lijkt erop alsof dit meisje van twaalf jaren is overleden. Betekent dit dat zij de overgang van kind naar volwassenheid uit zichzelf niet kan overleven?
Talitha koum
Terwijl de omstanders aan het rouwen zijn over dit meisje (vs. 38), zegt Jezus tegen hen: ‘Waarom maken jullie misbaar en wenen jullie? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt’ (vs. 39, eigen vertaling). Dan staat er: ‘Men lachte Hem uit’ (vs. 40, eigen vertaling). Wat er dan volgt is weer geen handoplegging, maar heel actief ‘grijpt’ Jezus de hand van het kind (Gr.: kratèsas, vs. 41 – NB) en zegt: talitha koum (‘Meiske, jou zeg ik, word wakker’, vs. 41 – NB). En ‘onmiddellijk stond het meisje op en wandelde rond’ (vs. 42, eigen vertaling). Opstanding wordt hier verkondigd door zowel het Griekse woord egeire (‘sta op’, vs. 41) als het Griekse woord anestè (‘zij stond op’, vs. 42) te gebruiken. Het eindigt met ‘eten geven’, een belangrijk thema in het leven van de opgestane Jezus en zijn gemeente.
Deze exegese is opgesteld door Willemien Roobol.
- Nico ter Linden, Het verhaal gaat… 2. Het verhaal van Marcus en het verhaal van Mattheüs. Amsterdam: Balans, 1998, 61-66. ↩︎