Menu

Premium

Luister je?!

4e zondag van Pasen (Ezechiël 34,1-10 en Johannes 10,11-16)

De ‘herder’ is een uitgesproken beeld voor de Messias in de eerste eeuw. En dat is het nog steeds. Voor de eerste hoorders was het al geladen met bijbelse beelden en verwachtingen uit de Tenach. Voor ons roept het tal van beelden op uit het Oude en Nieuwe Testament. Herders als Abraham, Mozes en David geven de herder een gezicht, en teksten als Psalm 23 geven er nog meer invulling aan. Jezus is de invulling van de messiaanse verwachting, en de Goede Herder zelf.

Zodra het woord ‘herder’ (Hebr.: roee) klinkt, komen al die bijbelse connotaties uit eerdere geschriften naar voren. Door de keuze van de perikopen wordt het deze zondag wel heel zwart-wit neergezet. In Ezechiël 34,1-10 worden de leiders van het volk aangesproken als foute herders. Daartegenover staat Johannes 10,11-16 met het beeld van Jezus als goede herder. Toch spreekt het vervolg van Ezechiël ook over de goede herder, en over de manier waarop God als een herder zal zijn (34,11-31). Het tekstgedeelte dat aan de lezing uit Johannes voorafgaat spreekt over de mens die zich naar de ander toe als foute herder gedraagt: de huurling die zijn plichten verzaakt als herder en die de mensen aan hun lot overlaat (10,1-10), een verwijzing naar de slechte herder-leiders uit Ezechiël 34.

Luister!

Als het over een herder gaat, gaat het in de Bijbel vaak over meer dan een alledaags en slecht betaald beroep. Zo ook in Ezechiël 34. Maar de tekst roept ook op een andere manier op tot het spitsen van de oren. In tegenstelling tot de voorgaande hoofdstukken, wordt hier gezegd dat Ezechiël moet profeteren (34,2; Hebr.: hinnavee). En door het gebruik van ‘wee’ (34,2; Hebr.: hoj), veel voorkomend in onder meer de Klaagliederen maar tot op dit punt weinig in Ezechiël, wordt nog meer benadrukt dat wat volgt een serieuze (aan)klacht is. In vers 7 wordt de oproep om te luisteren herhaald. Dat de focus in Ezechiël nu meer op de leiders komt te liggen en de boodschap scherper wordt, komt doordat de val van Jeruzalem inmiddels een feit is.

Daardoor is het nog duidelijker geworden dat verandering nodig is, wil er kans op ommekeer zijn voor het volk. Ezechiël 34 speelt zich af in de context van de ballingschap.

Het volk heeft ervaren dat het ‘op prinsen geen betrouwenmoet vestigen’: de leiders van het volk kiezen voor hun eigen belang en genot, zoals richters, koningen en leiders zo vaak doen in de Bijbel en in de wereldgeschiedenis. De herders verkwanselen het volk. Daarom zet God hen uit hun functie; ze raken hun positie kwijt aan de Ware Herder. De herders – de leiders van het volk – nemen van de schapen – de mensen van het volk die in ballingschap wonen – dat wat ze zelf kunnen gebruiken (34,3) en onthouden de schapen die zorg die zij als herders juist hadden moeten geven (34,4). Verderop, in 34,11-16, legt de Heer uit dat Hij het zelf anders zal doen, en worden dezelfde herderlijke taken nogmaals benoemd, maar dan in positieve zin. Want je enige taak als herder is zorgen voor het welzijn van de schapen.

In Ezechiël heeft de zorg voor de schapen een duidelijke spits. In 34,5-6 blijkt dat de schapen verspreid zijn geraakt. Deze verstrooiing – de ballingschap – wordt de leiders verweten. De schapen weer bijeen te brengen is de kern van de zorg van de Heer als Hij ingrijpt (34,11-12).

Ingehuurde zorg

In Johannes 10,11-16 is sprake van een schaapskooi (Gr.: aulè, 10,16). De functie van een schaapskooi is het bijeenhouden van de schapen. Door het Griekse aulè wordt meteen gerefereerd aan de voorhof van de tempel. Zo wordt duidelijk waar het in Johannes 10 om draait: het gaat erom hoe het er in de tempel aan toegaat, wie er een plek heeft, en wie er op onjuiste wijze verblijft (10,1-10).

Degenen die zich erdoor aangesproken moeten voelen, zijn ook nu weer de leiders die hun rol ten opzichte van het volk op een onjuiste manier vervullen. Waarschijnlijk zijn de farizeeën bedoeld die zich druk maken om hun eigen positie en rol, maar niet om hun religieuze en daarin leidinggevende verantwoordelijkheden. Ze zijn ingehuurd voor de zorg van de schapen, maar misbruiken hun macht en verzaken hun taken. Net als in Ezechiël 34 gaat het dus mis bij hen van wie goede zorg verwacht mag worden. De huurlingen, zij die op een plaats gesteld zijn om te zorgen voor anderen, geven niet de zorg die nodig is of verwacht mag worden. Zo staat in de Bijbel naast het beeld van de ideale herder steeds ook weer dit reëel ervaren beeld van leiders – rechters, koningen, en anderen – die er een potje van maken.

De enige echte herder is…

Jezus stamt af van rechters, koningen en herders, die ook niet altijd de juiste keuzes hebben gemaakt. Maar Jezus geeft voluit vorm aan de messiaanse verwachting van de ideale herder door zichzelf als deur van de schaapskooi (10,9-10) en als goede herder (10,11-16) neer te zetten. Zo ontwikkelt het beeld van de herder zich verder. Om de schapen bijeen te houden (10,12.16) en om goed voor hen te zorgen geeft deze Herder zelfs zijn leven (10,11.18). Jezus maakt zo duidelijk dat zijn leiderschap als herder zonder eigenbelang is, en louter tot doel heeft om de schapen bijeen te brengen tot één kudde, waarin de schapen de stem van de Ene Herder zullen kennen. Dat is zijn enige taak als herder. In tegenstelling tot al die andere ‘herders’ die in de Bijbel – in Ezechiël, in het evangelie van Johannes – en daarbuiten voorkomen, zal Hij die verwachting ook in alles waarmaken.

Deze exegese is opgesteld door Marieke den Braber.

Wellicht ook interessant

None

Postma – Doen als Jezus

Als medewerker van de zendingsorganisatie European Christian Mission bevind ik mij regelmatig in crossculturele kringen. Tussen de regels door vang ik weleens op hoe men over Nederlanders denkt. ‘Weet jij eigenlijk wel hoe de spoorlijnen in jullie land zijn ontstaan,’ vraagt een Britse collega mij. Ik schud mijn hoofd met een glimlach, omdat ik aan zijn pretoogjes zie dat hij hem nu gaat inkoppen. ‘Toen twee Nederlanders vochten om een stuiver.’ Ik sla terug met een leuke grap over Brexit.

None

Kooten – Echo’s van het goede nieuws

Dit boek biedt een culturele, historische en literaire herwaardering van de evangeliën. We denken vaak aan de bijbelse wereld als een mysterieuze en sym­bolische wereld die losstaat van de werkelijkheid, maar dit boek probeert die bijbelse evangeliën in hun werkelijke context te plaatsen en laat ook hun blij­vende betekenis zien. Het is noch een inleiding, noch een compendium, noch een commentaar, maar een culturele en historische verkenning die lezers helpt te begrijpen waarom de auteurs van de evangeliën hun verslagen schreven, wat kenmerkend is aan elk van de evangeliën, en hoe ‘het evangelie’ – ‘het goede nieuws’ van Jezus – in elk van deze vier evangeliën doorklinkt.

Nieuwe boeken