Maaltijd van de Heer
4e zondag van de Veertigdagentijd (Jozua 4,19–5,1.10-12 en Johannes 6,1-15)
In het midden van de Veertigdagentijd wordt er gevierd: tweemaal een plechtige en betekenisvolle maaltijd. Het wemelt van de verwijzingen naar andere bijbelgedeeltes. Keuze genoeg om aan te sluiten bij de belevingswereld van de eigen kerkgangers.
De perikoop uit Jozua schetst een belangrijk moment: het volk Israël gaat het beloofde land binnen. De reis door de woestijn, die veertig jaar duurde, is hiermee voorbij. De intocht in het beloofde land is net zo belangrijk als de uittocht uit de slavernij in Egypte. Beide gebeurtenissen hebben dan ook vele parallellen. In Jozua 3 en 4 wordt tweemaal verteld over de doortocht door de Jordaan. Net zoals in Exodus 14 de Rietzee droogvalt wanneer het volk erdoorheen trekt, valt nu de Jordaan droog. Net zoals het water van de Rietzee een dam vormt, vormt nu het water van de Jordaan een dam.
In de perikoop van vandaag is het volk Israël aan de overkant van de Jordaan gekomen. Dit wordt plechtig gevierd met een Pesachmaaltijd. De aanduiding van de datum (4,19) is belangrijk, want dat is vlak voor de datum van Pesach, de dag waarop de voorbereidingen moeten beginnen (Ex. 12,2-6). Net als bij Pesach wordt er stilgestaan bij de herinnering aan dit belangrijke moment en dat dit aan de volgende generaties moet worden doorgegeven (4,21-24; vgl. Ex. 12,26-28). Ook hier blijkt dat de macht van JHWH grote schrik brengt bij de machthebbers in de omgeving (5,1; vgl. Ex. 14,25). De HSV vertaalt mijns inziens terecht dat ‘er geen moed (Hebr.: ruach) meer was in hen’. Dat het bekende woord ruach naast ‘geest, wind, levensadem’ ook ‘moed’ kan betekenen, kan een mooi zijpad zijn in een overweging.
Jozua en Mozes
Het is begrijpelijk dat het leesrooster het gedeelte over de besnijdenis van de mannelijke Israëlieten weglaat, maar het is wel een belangrijke tekst, omdat alleen besneden mannen mogen deelnemen aan de pesachmaaltijd (Ex. 12,48). Om met het hele volk dit betekenisvolle moment te kunnen vieren, moet er eerst een besnijdenis plaatsvinden. En dan, precies op de juiste dag, vieren ze Pesach, volgens de voorschriften (5,10). Het manna komt niet meer en ze gaan leven van de opbrengst van de akkers van het beloofde land.
Lees je nog even door, dan zie je dat Jozua ook nog een ontmoeting heeft met een afgezant van JHWH. Hij moet de schoenen van zijn voeten doen, want hij staat op heilige grond (5,15; vgl. Ex. 3,5). Jozua gaat dus helemaal in het spoor van Mozes. Zoals Mozes het volk Israël uitleidt uit de slavernij, leidt Jozua het volk Israël het beloofde land binnen. De volgorde is omgekeerd (Exodus: roeping – Pesach – uittocht, en Jozua: intocht – Pesach – roeping tot inname van Kanaän).
Brood en vis
Ook Johannes 6 noemt het joodse Pesachfeest (6,4) en ook hier worden voorbereidingen getroffen voor een maaltijd. Maar bij Johannes lijkt er geen brood te zijn. In typisch johanneïsche stijl wordt dit verhaal, dat ook in de drie synoptische evangeliën aanwezig is, verteld als een belangrijk teken dat Jezus de beloofde Messias is. Jezus deelt hier een nieuw soort manna uit, overvloedig aanwezig voor iedereen.
Als we kijken naar de verschillen met de synoptici, vallen een paar zaken op. Johannes vertelt dat een jongen (Gr.: paidarion) de vijf broden en de twee vissen bij zich heeft (6,9). In de andere evangeliën wordt alleen verteld dat er niet meer is dan vijf broden en twee vissen, niet van wie ze die gekregen hebben. Ook de Griekse woorden voor brood en vis verschillen. Johannes heeft het over arthous krithinous (gerstebroden) in plaats van arthous (broden), en opsaria (bereide vissen) in plaats van ichtuas (vissen). De jongen en de gerstebroden verwijzen naar een ander broodwonder, uit 2 Koningen 4,42-44, waar Elisa een overvloedige maaltijd bereidt voor andere profeten.
Dankzeggen
Een ander verschil is dat het ritueel van het breken en delen zelf anders beschreven wordt. De synoptici vertellen dat Jezus de broden en de vissen nam, opkeek naar de hemel, de zegen uitsprak, de broden brak en uitdeelde. Een eucharistische handeling, zou je kunnen zeggen. Bij Johannes wordt weliswaar het woord eucharisteoo (het dankgebed uitspreken) gebruikt, maar de handeling is verder minder eucharistisch: Hij nam het brood, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood. Daarna gaf Hij hun vis. Waar bij de andere evangeliën de nadruk meer ligt op het breken, het delen en de maaltijd zelf, legt Johannes meer het accent op het wonder en op de overvloed. Tweemaal noemt hij de overgebleven brokken (6,12.13). Zo lijkt hij meer te verwijzen naar het manna dan naar een gedachtenismaal. Ook de berg (6,3) verwijst eerder naar de woestijntijd dan naar de Pesachviering.
Hij die komen zal
Een veelbetekenende woordspeling is wegvertaald in de NBV21. Als in vers 14 de mensen zien welk wonder Jezus gedaan heeft, zeggen zij: ‘Hij moet wel de profeet zijn die in de wereld zou komen (Gr.: ho erchomenos eis ton kosmon)’. Nu verwijst de uitdrukking ho erchomenos, ‘Hij die komt’ of ‘Hij die komen zal’, in vrijwel alle gevallen naar Psalm 118,26, waar de grote koning komt.
Maar in het vervolg van Johannes komt niet de grote koning uit de psalm. Jezus begrijpt dat de mensen komen (Gr.: erchesthai, 6,15) om Hem met geweld mee te nemen om Hem koning te maken. De vertaling in NBV21 dat ‘Jezus begreep dat ze Hem wilden dwingen mee te gaan’ maakt deze woordspeling onzichtbaar. Waar het om gaat is dat de mensen Jezus in een manier van koning-zijn willen dwingen die niet overeenkomt met hoe Jezus, hoe God zelf, koning wil zijn. Het wonder leidt tot een eenzame vlucht de berg op. Het is nog lang geen Pasen…
Deze exegese is opgesteld door Marise Boon.