Menu

None

Martijn Stoutjesdijk – Gods slaafgemaakten

Inleiding: De oren van God

De mensen van de plantages, die zo’n ellendig bestaan leden op de suikergronden, de koffie- en de cacaoplantages en anderen op de houtplantages, zij leden allemaal een armoedig bestaan en werden niet moe hun armoedige nood bij God te klagen, dat het lijden hen te veel was. (…) Als een slaaf maar een kleine fout beging, was er in die tijd nooit vergeving, maar kregen zij meteen met de lange zweep op hun achterwerk. Zij hadden geen enkele rust. En toen drong het zuchten en kreunen van de slaven door tot de oren van God. Zie, hoe God voor de arme mensen zorgde.

Aan het woord in dit citaat is de Surinaamse zendeling en schrijver Johannes King (1830-1898). Johannes King was een marron, een nazaat van gevluchte slaafgemaakten die in de binnenlanden van Suriname zelfstandige gemeenschappen hadden gevormd. […] Net zoals God […] ooit het jammeren en roepen van de Israëlieten in Egypte hoorde, zo hoorde hij, volgens King, ook het lijden van de slaafgemaakten in Suriname. Deze identificatie van de Surinaamse slaafgemaakten met de Israëlieten in Egypte wordt gesteund door andere passages, bijvoorbeeld bij vergelijkingen tussen King en Mozes.1 Maar er is ook nog iets anders over deze passage te zeggen. Want als de Surinaamse slaafgemaakten de Israëlieten zijn, wie is dan de farao? Wie zijn de onderdrukkers, de wrede slavenhouders? Uiteraard, de Nederlanders… […]

De Republiek ontsnapt onder het slavenjuk

Een van de ironische aspecten van de slavernijgeschiedenis is dat het beeld van Israël onder het slavenjuk enkele eeuwen eerder werd gebruikt om het lot van de Lage Landen onder de katholieke Spaanse vorsten te typeren. De door de Reformatie protestants geworden Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zag haar worsteling met Spanje (het ‘Aegypten der Spaanse dwingelandy’2) als een heroïsch verhaal van bevrijding uit de slavernij. Holland was in dat verhaal het nieuwe Jeruzalem, het nieuwe Zion geworden, en de Spaanse koning de nieuwe farao. Simon Schama bespreekt in zijn boek Overvloed en onbehagen het voorbeeld van de Nederlandtsche Gedenck-Clanck (1626), waarin door de Zeeuw Adriaen Valerius al deze elementen samen zijn gebracht.

Valerius bezingt in dit gebed hoe God ‘de wat’ren voor ons deylende, ende ons daer droogs-voets door brengende, als u lieve volc wel eer door de leytsluyden Moyses ende Josua gebracht werde in ’t beloofde land’.3 Oftewel: net zoals God voor het volk Israël ooit de Schelfzee had gesplitst, zo heeft Hij ook de voeten van de Nederlanders drooggehouden en hen naar het beloofde land – de Republiek – gebracht. De identificatie van Nederland met het bijbelse Israël bleef populair in de vaderlandse (protestantse) geschiedenis. In de negentiende eeuw noemde de beroemde conservatieve schrijver Isaäc da Costa (1798-1860) Nederland nog het ‘Israël van het Westen’.

De zelfidentificatie met Israël werkte zelfs door in de koloniën. Zo werd Batavia (nu Jakarta), de hoofdstad van het koloniale Nederlands-Indië, ook wel ‘Indisch Zion’ genoemd (‘Zion’ is een bijbelse bijnaam voor Jeruzalem). Met die aanduiding is de cirkel rond: de Nederlandse koloniale bezetter zag zichzelf als het volk dat door God uit de Egyptische slavernij was bevrijd, maar werd tegelijkertijd door zwarte christenen als Johannes King juist gezien als de wrede Egyptische farao waarvan bevrijding nodig was.

Het belang van de bijbelse slavernij

Wat we kunnen leren van zowel Johannes King als van het gebed van Adriaen Valerius is dat de bijbelse taal over slavernij en bevrijding op allerlei manieren een inspiratiebron kan vormen voor mensen in heden en verleden. Dat is ook niet vreemd als je bedenkt hoe diep en alomtegenwoordig slavernij aanwezig is in de bijbelse teksten. De metafoor van de slavernij is zo centraal in het Nieuwe Testament en het vroege christendom dat de Zuid-Afrikaanse theoloog Chris L. de Wet er zelfs een speciale term voor heeft bedacht: ‘doulologie’, van het Griekse woord voor slaaf of slaafgemaakte (doulos).4

De zelfidentificatie met Israël werkte zelfs door in de koloniën

Een paar voorbeelden van het gebruik van deze metafoor zijn dat er over Jezus gezegd wordt dat Hij op aarde komt in de gedaante van een slaaf (morfe doulou, Filippenzen 2:7); dat het zijn van een slaaf een soort eretitel wordt voor de discipelen van Jezus (Paulus noemt zichzelf regelmatig ‘slaaf van Christus’, bijvoorbeeld in Romeinen 1:1); en dat de ‘Zoon des mensen’ in een gelijkenis vergeleken wordt met een slaveneigenaar die zijn eigen slaven (!) bedient (Lucas 12:35-38).

Deze voorbeelden tonen dat Jezus en het vroege christendom de slavernijmetafoor gebruikten om iets uit te drukken over de verhouding tussen God en mens. Ook buiten het christendom werd slavernijtaal in de oudheid vaak gebruikt om gedachten te formuleren die anders moeilijk onder woorden te brengen waren. De classicus William Fitzgerald noemt slavernij in dit verband ‘good to think with’ in de oudheid.5 Geen christen zou hebben betoogd dat Paulus en Jezus ‘echte’ slaafgemaakten waren, maar sommige kenmerken van het slaaf-zijn pasten goed bij hun condities. De vraag is welke eigenschappen dat precies zijn en hoe ‘goed’ de metafoor werkt en passend is. […]

Zowel de verhalen als de oud- en nieuwtestamentische regels met betrekking tot slavernij – inclusief gedachten over de relatie tussen slavernij en etniciteit, huidskleur en ras – vormden een dankbare bron om uit te putten voor slaveneigenaren in de oudheid, de middeleeuwen en de koloniale periode. En dat gebeurde ook aantoonbaar, zoals ik later in dit boek zal laten zien. De metaforische en de ‘werkelijke’ bijbelse slavernij werkten daarbij op elkaar in en versterkten elkaar. Als God onze hemelse ‘slaveneigenaar’ is, krijgt de aardse slaveneigenaar immers al snel iets goddelijks over zich.

Voorbeelden daarvan lezen we zelfs al in de Bijbel, bijvoorbeeld in deze uitspraak uit Efeziërs 6:5-6: ‘Slaven, gehoorzaam uw aardse meester zoals u Christus gehoorzaamt, met ontzag, respect en oprechtheid; niet met uiterlijk vertoon om bij de mensen in de gunst te komen, maar als slaven van Christus die van harte alles doen wat God wil.’ In dit vers lopen de metaforische ‘slaven van Christus’ en de ‘echte’ slaven met hun aardse meesters volkomen door elkaar heen. De boodschap is helder: een goede christen is ook een goede slaafgemaakte. Een betere boodschap hadden de Surinaamse planters zich niet kunnen wensen.

Wat al deze voorbeelden tonen, is dat slavernij en de slavernijmetafoor in de haarvaten zit van de Bijbel en het christelijk denken, en daarmee vormend is geweest voor onze westerse geschiedenis en cultuur. Het is belangrijk om dit stuk erfenis uit onze gezamenlijke ideeën- en geloofsgeschiedenis (ons ‘cultureel archief’, met een term van Gloria Wekker) serieus te onderzoeken en erop te reflecteren. Het gebruik van de slavernijmetafoor is immers niet onschuldig, zowel in sociaal-historische zin (onze koloniale geschiedenis) als in theologische zin (God als slavenhouder). Men zou zelfs de vraag kunnen opwerpen, zoals slavernij- specialiste Catherine Hezser in 2024 deed, of we niet geheel afscheid moeten nemen van de meester-slaaf-metafoor in ons religieus en filosofisch spreken.6 De vraag is echter of dat überhaupt mogelijk is gezien haar prominente rol in het christelijk denken.

Dr. Martijn Stoutjesdijk (1989) is theoloog en historicus. Hij promoveerde op slavernij in het vroegrabbijns jodendom en het vroege christendom en werkt momenteel als postdoc aan de PThU, waar hij onderzoek doet naar de rol van bijbel en theologie in het debat over de Nederlandse koloniale slavernij.

  1. Zie fragment 135. ↩︎
  2. Cornelius van Velzen, Kerkelyke Redevoeringen (Groningen: 1758 [tweede druk]), I:384. Zie C. Huisman, Neerlands Israël. Het natiebesef der traditioneel-gereformeerden in de achttiende eeuw (Dordrecht: J.P. van den Tol, 1983), 55. ↩︎
  3. Simon Schama, Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw (Amsterdam: Uitgeverij Contact, 1988), 108. ↩︎
  4. Chris L. de Wet, The Unbound God. Slavery and the Formation of Early Christian Thought (Londen/New York: Routledge, 2018), 8. ↩︎
  5. William Fitzgerald, Slavery and the Roman Literary Imagination (Cambridge: Cambridge University Press, 2000), 11. ↩︎
  6. Catherine Hezser, Jewish Monotheism and Slavery (Cambridge: Cambridge University Press, 2024), 15. ↩︎

Martijn Stoutjesdijk, Gods slaafgemaakten. Hoe het christendom slavernij verdedigde en veroordeelde. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2026. 192 pp. € 21,99. ISBN 9789043543859

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken