Menu

Premium

Meditatie bij het thema ‘de dood’

De klauwen van de dood

De dood in het Oude Testament heeft vele gezichten…

Soms is het een vriendelijk, glimlachend gezicht. ‘Kom, nu is het voldoende.’ De goede dood als prijs van het geschonken leven, als de afsluiting ervan. Dan sterf je zoals Jakob. Temidden van je kinderen na een laatste zegen. ‘En toen Jakob dit gezegd had trok hij zijn voeten weer op het bed. Hij blies de laatste adem uit en werd verenigd met zijn voorouders’ (Genesis 49:33). Dat laatste mag je letterlijk nemen. We kennen graven waarbij na het verteren van het lichaam de botten van de dode in een kuil kwamen bij reeds langer gestorven familieleden.

De dood in het Oude Testament heeft vele gezichten…

Vaak is het een masker van staal dat onverbiddelijk groot en klein, arm en rijk, slaven en koningen naar zich toe haalt. Dan zelfs dat ‘schaduwrijk van de dood’, het ‘ land van de vergetelheid’ troost bieden omdat de tiran en de dictator ook daar verwacht worden. Een profetisch lied spot met de koning van Mesopotamië. ‘Hoor hoe ze jou onthalen: “Nu ben je even zwak als wij, je bent echt één van ons. wormen zijn je bed, maden je deken.”’ (Jesaja 14:10-11*). Niemand ontkomt aan de dood. De dood als ultieme vorm van gerechtigheid.

De dood in het Oude Testament heeft vele gezichten…

Nog vaker is het een moorddadige tronie als vijand van het geschonken leven. Dat is het gezicht van de voortijdige dood. Wanneer ziekte en honger heersen, wanneer de pest door het land gaat, wanneer de legers door dat land trekken met in hun schaduw moord, verkrachting, plundering en roof, wanneer families uit elkaar gerukt worden en wanneer de grote veelvraat vuur alles in de as legt. Wanneer zinvol leven afgebroken wordt en troost ver weg is, dan blijft alleen maar duisternis. ‘Ja, mijn huis staat in het dodenrijk, in de duisternis spreid ik mijn bed. Tot het graf roep ik: “Jij bent mijn vader,” en tot de wormen: “Moeder, zuster!”’(Job 17:13-14) Dood is hier afgesneden zijn van alles wat warmte en geborgenheid geeft, dood is afgesneden zijn van de schepper van het leven, van God zelf. De grootste aanvechting in het leven van een mens is de rauwe, catastrofale, voortijdige dood.

Dat gaat veel verder dan wat wij onder biologische dood verstaan. Deze roofridder slaat zijn klauwen uit naar het volle leven, is daar aanwezig en laat sporen achter. Ziekte wordt begrepen als een vorm van dood, als het staan op de drempel van het graf. En vaak genoeg was dat ook zo in het Nabije Oosten. Ziekte haalt je weg uit de vertrouwde sociale omgeving, eenzaamheid als schaduw van de dood. Vijandschap hoort in hetzelfde veld. Wie sociaal geïsoleerd is glijdt af in de richting van de dood. Wie zich dat realiseert, begrijpt iets van de taal van de Psalmen waarin de bidder wegkwijnt, door iedereen verlaten is, zich in of aan de rand van het graf bevindt. Wreder nog zijn de gevolgen van het sterven voor de verhouding met God. De doden zijn afgesneden van God, ze zijn schaduwen in het dodenrijk. De HEER is een God van levenden en niet van doden: ‘ Doet u aan doden wonderen, staan schimmen op om u te loven? Komt uw liefde in het graf ter sprake? Of uw trouw in de afgrond?’ (Ps.88:11-12) En het antwoord op deze rhetorische vragen moet elke keer ‘NEE!’ luiden.

Geen wonder dat de consequente denker Prediker deze lijn doortrekt en voor hem de dood de grote egalisator (2:16) en de vernietiger van elke zingeving (4:1-3) is. Een ontsnapping is er niet. Het ‘eeuwige huis’ waar de mens heengaat is het graf (12:5) en ‘Wanneer het stof terugkeert naar de aarde, weer wordt zoals het was, wanneer de adem van het leven weer naar God gaat, die het leven heeft gegeven’(12:7) betekent dat niet een splitsing tussen ziel en lichaam, maar het uitéénvallen van de als eenheid geschapen mens.

En dan begint een tegenbeweging. Nee, niet eerst dan, maar al eerder. Niet systematisch, maar langzaam groeiend. Niet officieel, maar gevoed uit diverse richtingen, denk- en geloofsvormen. Zou een Ezechiël zijn grootse visioen over de terugkeer uit de ballingschap zo hebben kunnen formuleren als er niet ergens hoop bestond dat de Heer van Israël ook nog macht bezat over die uitgebleekte doodsbeenderen? (Ez 37:1-14). Zouden de schrijvers van grafinscripties niet gehoopt hebben dat weliswaar de dode van zich uit JHWH niet meer loven, maar dat Gods zegen wel degelijk tot in het dodenrijk reikt? (Chirbet el-Qom, Ketef Hinnom). Zouden bijbelse dichters met hun pleidooi voor een zichtbare gerechtigheid in een lijdende wereld niet visionair gehoopt hebben dat JHWH zo niet in dit aardse leven, dan toch buiten de tijd gerechtigheid zal laten winnen? ‘Maar God zal mij verlossen uit de macht van het dodenrijk, mij zal hij wegnemen’ (Ps. 49:16); ‘Dan neemt u mij weg, met eer bekleed.. .Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam, de rots van mijn bestaan, al wat ik heb, is God, nu en altijd.’ (Ps 73:24b.26). Heimwee naar een God die zich met de titel ‘Zonne der Gerechtigheid’ tooit.

Een laatste sprong. Het deuterocanonieke boek ‘Wijsheid’ laat ook de goddelozen, die recht en rechtvaardigheid in de weg staan aan het woord: ‘Laten we de rechtvaardige in het nauw drijven , want hij is ons alleen maar tot last.

Hij dwarsboomt ons in alles wat we doen… Hij beweert over kennis van God te beschikken en noemt zich kind van de Heer.. Laten we zien of hij gelijk heeft en afwachten wat er bij zijn dood gebeurt. Als de rechtvaardige echt een zoon van God is, zal die hem toch te hulp komen en hem uit de greep van zijn vijanden redden? Laten we hem aan geweld en marteling onderwerpen om zijn oprechtheid te leren kennen, laten we zijn uithoudingsvermogen op de proef stellen. We zullen hem veroordelen tot een vernederende dood, want hij beweert toch dat hij gered zal worden. (Wijsheid 2:12.13.17-20). Maar ‘ De zielen van de rechtvaardigen zijn in Gods hand, geen marteling hen deren .want God heeft hen op de proef gesteld en hen waardig gekeurd bij hem te zijn.’ (Wijsheid 3:1.5)

Het zijn teksten die thuis zijn in de wereld rondom het begin van de jaartelling. Hier is tot zekerheid geworden wat de psalmen stapsgewijs aanpeilden. Er zijn geen grijze tinten meer, de rolverdeling is volkomen zwart-wit. Temidden van politieke en sociale ellende zal de God van Israël ook buiten de tijd en na de dood een rechtvaardige rechter blijken te zijn, tegen wie zelfs de dood niet opgewassen is.

Maar ook die woorden en begrippen gaan een eigen leven als ze boven de tijd worden uitgetild. ‘ Kennis van God’, ‘ kind van de Heer’, ‘ zoon van God’, ‘ aan geweld en marteling onderwerpen’, ‘ uit de greep van zijn vijanden redden’ ‘een vernederende dood’, ‘in Gods hand’, ‘bij hem te zijn.’ Hier liggen de ingrediënten klaar voor nog een heel ander verhaal over lijden en dood, een verhaal dat via naar Pasen leidt.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken