Menu

Premium

Meditatie bij Matteüs 10: 16

‘Bedenk wel, ik zend jullie als schapen onder de wolven.’ (Matteüs 10: 16)

Een gemeentelid van mij heeft jarenlang gewerkt in landen waar overwegend of zelfs uitsluitend moslims wonen. Als het thema van de islam op één of andere manier ter sprake kwam in een kerkdienst of bij gespreksgroepen, hief hij onveranderlijk een waarschuwende vinger. ‘Pas op, jullie weten niet wat we in dit land in huis hebben gehaald! Straks breekt er ergens in het Midden- Oosten een jihad los, en dan hebben we hier de jihadisten.’ Niemand van ons kon zich daar eigenlijk iets bij voorstellen. Het antwoord op fanatisme was verdraagzaamheid, en Nederlandse moslims deden zoiets niet. Maar dat ene gemeentelid heeft wel gelijk gekregen.

Ik realiseerde me dat met volle scherpte tijdens de voorbereidingen van onze uitzendingsdienst van een groep jongeren en volwassenen naar Tadzjikistan. Ik heb er wel eerder over geschreven: vanuit onze gemeente richten we ons op de verbetering van de leefomstandigheden in een internaat voor gehandicapte kinderen in het plaatsje Hisor, en voor details verwijs ik naar de website www.stichtingstype.nl. Ik stelde me voor dat wij straks op Schiphol staan met een aantal gespierde jonge mannen, en dat één van hen zijn paspoort toont, met visum voor Tadzjikistan. Een buurland van Afghanistan, op papier is bijna 100% van de bevolking moslim. Ligt bij een douane- of beveiligsambtenaar de gedachte niet voor de hand, dat hij mogelijk met een jihadist te maken heeft?

De idee van een gewapende macht die in een groot gebied het streven heeft bepaalde vormen van godsdienst te stimuleren en aanhangers van andere het leven onmogelijk te maken, is niet meer theoretisch. Uit het niets is plotseling een kaliefaat ontstaan, waar iedereen die naar de mening van de autoriteiten geen goede moslim is, het gevaar loopt zijn of haar overtuiging of levenswijze met de dood te moeten bekopen, en het is niet meer denkbeeldig, dat sommigen van ons daar ooit mee in aanraking zullen komen. Respect en verdraagzaamheid behouden weliswaar hun intrinsieke waarde, maar we kunnen niet meer claimen dat we daarmee de sleutel in handen hebben tot een succesvol ‘interreligieus gesprek’. Christenen die zich nu nog op het grondgebied van het kaliefaat bevinden, zijn werkelijk schapen tussen de wolven.

Dat wil niet zeggen dat we de verschillen tussen islam en christendom groter moeten maken dan ze zijn. De overeenkomsten zijn veel talrijker dan de verschillen. Allah is nog altijd geen naam, maar gewoon het Arabische woord voor God, dat ook door de Kopten wordt gebruikt wanneer ze in het dagelijks leven over God spreken, zowel onderling als in een gesprek met landgenoten die moslim zijn. Als we onszelf oproepen God te loven ‘met Abrahams kinderen samen’, spreken we uit dat we onszelf in de lofzang niet alleen verenigd zien met de Joden, maar ook met de moslims (ook al zullen waarschijnlijk weinigen dat zo voelen). Het verschil zit slechts voor een deel in de geschiedenis, en zeker niet in God. Het zit in de claim te weten wat God van mensen vraagt. Verlangt Hij van ons dat we vijf keer per dag bidden in de richting van Mekka, of geeft Hij ons de vrijheid in tijden en vormgeving van ons gebed? Verlangt Hij van ons dat we vertrouwen op zijn liefde in Jezus Christus, of vraagt Hij onderwerping aan een bepaalde gedragscode? De stap van geloof in het laatste naar daadwerkelijk fysiek geweld is misschien niet noodzakelijk, maar wel erg klein. Hetzelfde geldt voor de stap van geloof in het eerste naar vrijblijvendheid en machteloosheid.

Ik ben ervan overtuigd, dat de kerk plaatselijk en wereldwijd dringend behoefte heeft aan een nieuwe opstelling jegens de islam. Daarbij is minder belangrijk wat we theologisch van de geschriften van Mohammed en hun uitleg vinden, als wat we zeggen en wat we doen in onze contacten met moslims. Daarbij zou misschien Jezus’ woord over de schapen tussen de wolven kunnen helpen. Hij sprak dat woord tenslotte ook tegen mensen, die voor de opgave stonden contact te leggen met medemensen die weliswaar in dezelfde God geloofden, maar daaruit andere consequenties trokken. Ze moesten grotendeels binnen dezelfde fysieke en metafysische ruimte een nieuwe oriëntatie en een andere levenswijze propageren. En ook voor hen was dat niet zonder gevaar.

Eén ding lijkt duidelijk: het antwoord van de kruistochten en van het bedekte kolonialisme is het niet. Dan had Jezus beter kunnen zeggen: Ik zend jullie als wolven onder de schapen. Maar het is ook weer niet de bedoeling dat de schapen allemaal het loodje leggen. Daarvoor is niet alleen hun bloed, maar ook hun boodschap te kostbaar. De schapen moeten, zonder geweld te gebruiken, zien te overleven tussen de wolven en daarbij proberen de weg te bereiden voor hun herder.

Opvallend is, dat Jezus daarbij een zeker realisme aan de dag legt. Wie zich door Hem gezonden weet in vijandig of gevaarlijk gebied, moet eerst proberen een basis te vinden, een huis dat in vrede voor hem of haar opengaat. Lukt dat niet, dan is het verstandiger door te lopen. Lukt dat wel, dan mag men ook op de aangeboden vrede vertrouwen. Gastvrijheid en samen eten zijn oeroude culturele fenomenen met een krachtige functie. Zolang men onder hetzelfde dak verblijft, aan dezelfde tafel zit, elkaar aankijkt, en niet te vergeten samen zingt, heerst er een bepaalde vrede, hoe wankel soms ook. Ze zeggen dat zelfs een wolf niet aanvalt zolang hij en de prooi oogcontact houden.

Als het lukt een dergelijke basis te leggen, gaat het echter niet aan te proberen op deze basis een bouwwerk van respect en verdraagzaamheid op te trekken. Niet alleen zien we daarvan nu het failliet, Jezus vraagt in het Evangelie ook iets heel anders. Hij wil dat zijn Koninkrijk wordt verkondigd. Hoe zou dat in zijn werk zijn gegaan? Ik stel me voor dat twee discipelen in een vreemd dorp of stadje op het marktplein staan: tijdelijk veilig omdat ze bij iemand onderdak hebben weten te krijgen, maar waarschijnlijk met onverholen vijandigheid door de bevolking aangekeken. Ze staan daar, en verheffen hun stem: “Waar zijn hier de zieken?” Dat druist in tegen alle menselijke reflexen en instincten. Op vreemde plaatsen zoeken mensen wat nuttig is, of interessant, smakelijk of op een andere manier bevredigend. Maar ziekenhuizen staan meestal niet in toeristische gidsen als bezienswaardigheden aangegeven. “Waar zijn hier de zieken?” Ik stel me voor dat de bewoners, plotseling schuchter en onzeker, een paar chronische patiënten en zwakke broeders en zusters zijn gaan halen. Daar staan die dan, in het middelpunt van de aandacht van vriend en vijand. En hun wordt het Evangelie aangezegd: God heeft met jouw leven een bedoeling, lopen zul je, werken en zingen! Zelfs zonder groot geloof is het bijna niet voor te stellen dat zoiets geen verandering teweeg zou brengen.

Ik zoek het antwoord voor de kerk in die richting. Het antwoord is misschien wel een vraag, die niet genoeg gesteld kan worden. “Waar zijn hier de slachtoffers? Wat gebeurt er met ze? Zo kan dat niet!” Daarbij mogen we zeker in de eerste plaats de laatste overgebleven broeders en zusters in Christus binnen het nieuwe kalifaat rekenen (ook al is de kans klein dat zij ons ook als zodanig beschouwen). Maar ook de homo’s, de veroordeelden, de gehandicapten, de vervolgden. En niet te vergeten de gewonden in deze nieuwe dwaze oorlog. Hun toekomst is een andere dan wat de shariah voor hen in petto heeft.

Daarover praten heeft waarschijnlijk weinig zin. Er zullen mensen nodig zijn die de moed hebben, dat te laten zien. Gezonden als schapen onder de wolven.

Wellicht ook interessant

Twee koningen
Twee koningen
Basis

De dominee of de therapeut?

In de serie ‘Het christelijke geloof in een therapeutisch Nederland’ onderzoekt Katie Vlaardingenbroek, auteur van Nederland Therapieland, de relatie tussen het christelijke geloof en onze huidige therapiecultuur. In haar vorige artikel liet ze zien dat therapie een autoriteit is geworden op het gebied van levensvragen. In dit tweede artikel onderzoekt ze de concurrerende relatie tussen therapie en religie. Wie kan het beste hulp bieden bij menselijk lijden: de dominee of de therapeut?

None

Preview: De reis naar minder ik

Tim Thijs Ketting gaf zijn leven een 4,5, terwijl het op papier een 9 was. Gezondheid, liefde, werk – alle hoekstenen stonden als een huis. Maar hij was ongelukkig en belandde bij een therapeut. ‘Het handelsmerk van de westerse millennial’, zoals hij zelf schrijft in zijn boek De reis naar minder ik. Alles hebben, en toch vastlopen. Hoe komt dat toch? Tim Thijs startte zijn eigen zoektocht naar zingeving en stuitte op: de ander en de wereld. Lees hieronder de proloog uit zijn boek De reis naar minder ik.

Persoon die in gesprek is met een psycholoog
Persoon die in gesprek is met een psycholoog
None

Een therapeutische staatsreligie?

In de nieuwe serie ‘Het christelijke geloof in een therapeutisch Nederland’ onderzoekt Katie Vlaardingenbroek, auteur van Nederland Therapieland, de relatie tussen het christelijke geloof en onze huidige therapiecultuur. Op eerste oogopslag lijken geloof en therapie twee verschillende invloedsferen te zijn. Maar Katie laat zien dat ze veel meer met elkaar gemeen hebben dan we wellicht denken en dat het van groot belang is om de overeenkomsten en verschillen scherp te krijgen. In dit eerste artikel onderzoekt ze de gevolgen van de verandering van therapie in een potentiële staatsreligie, en daarmee in een autoriteit op het gebied van levensvragen. 

Nieuwe boeken