Meditatie Jeremia 17:9
Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie zal het kennen?
(Jeremia 17:9)
Vorig jaar was er op de radio een getuigenis te horen dat werd gegeven in een samenkomst van het Leger des Heils. Een man betuigde dat hij na lang zoeken had ontdekt dat de mens van nature niet tot het kwade, maar tot het goede geneigd is, en zo zag de wereld er heel wat zonniger uit. Vermoedelijk was hij afkomstig uit een “zware” kerk waar de nadruk werd gelegd op de zondigheid van de mens, en waar regelmatig uit de Heidelbergse Catechismus werd aangehaald dat mensen geheel en al onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Voor wie vaak met de neus op de eigen zondigheid is gedrukt en geleerd heeft dat de mens van nature slecht en zondig is, kan het een opluchting zijn dat zwaarmoedige gevoel achter zich te laten en in te zien dat het niet zo slecht met de mens is gesteld, want mensen zijn tot veel goeds in staat, er is veel praktische hulp en zorg en aandacht, dus met die zondigheid valt het wel mee.
Toch is het de vraag hoe dat is te rijmen met die uitspraak van Jeremia, die hierboven wordt geciteerd. In de vertaling van 1951 staat: “Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie het kennen?” Je kunt je niet op je eigen intuïtie of hart verlaten, zegt de profeet, want je kent het niet, je weet niet echt wat omgaat; alleen God kent en doorgrondt het (Jeremia 17:10).
In de Bijbel is Jeremia met deze visie geen geïsoleerde zwartkijker. Volgens Marcus 7:20-23 zei Jezus: “Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein. Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein”. En Paulus schreef: “want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat. (…) Immers, ik besef dat in mij, in mijn eigen natuur, het goede niet aanwezig is” (Romeinen 7:15, 18).
In het algemeen zijn Mozes en de profeten, Jezus en de apostelen niet zo optimistisch over het hart van de mens en over de geneigdheid om van nature het goede te doen. Teksten over mensen die goed handelen zijn er ook, maar als er over de mens in het algemeen wordt gesproken, zijn de geluiden anders. Uitzonderlijk is de stem die, in Psalm 8, zingt dat God de mens goddelijk verheven heeft – en in het Nieuwe Testament worden die woorden dan zo uitgelegd dat dit in de eerste plaats op Jezus slaat en niet op mensen in het algemeen (Hebreeën 2:5-9).
In de West-Europese cultuur daarentegen is de opvatting dat de mens in principe tot het goede geneigd is wijd verbreid. De beruchte zinsnede uit de Heidelbergse Catechismus is in het dagblad Trouw jarenlang gehoond – al gebeurt dat in mijn waarneming inmiddels niet meer zoals in de jaren ’70 en ’80. Lang heeft men geleefd met een groot optimisme over de goede bedoelingen van de mens en over wat mensen aan goeds tot stand kunnen brengen. Ook op de achtergrond van politieke beslissingen stond vaak de overtuiging dat de mens tot het goede geneigd is. Zie bijvoorbeeld de opneming van Roemenië en Bulgarije in de Europese Unie, een paar jaar geleden. Bekend was dat in die landen eigenlijk nog te veel corruptie heerste. Een vergunning of een behandeling in het ziekenhuis kon je krijgen, of een bekeuring ontlopen, als je de verantwoordelijke ambtenaar of de arts of de politieman maar betaalde. Maar in de EU werd kennelijk gedacht: als ze nu lid worden van onze club, dan gaat daar een goede invloed van uit, dan moeten ze hun wetten veranderen en naleven, de onderhandelaars beloven dat ook, en dan verdwijnt die corruptie wel. Enkele jaren later blijkt dat de corruptie in die landen helemaal niet minder is geworden. Alleen wie naïef uitgaat van het goede in de mens, daarover verbaasd staan.
Een soortgelijk voorbeeld is dat van Griekenland, dat al langer bij de Europese Unie hoort, en waar bovendien de euro is ingevoerd. Dat Griekenland zijn economie indertijd niet op orde had, dat ook daar veel corruptie voorkwam en dat er weinig belasting werd geïnd, dat was allemaal min of meer bekend, maar het was hetzelfde verhaal: dat komt wel goed, laten we ze vertrouwen – in feite: “ze zijn tot het goede geneigd”.
Nog een voorbeeld: president George W. Bush en zijn ministers en adviseurs waren ervan overtuigd, dat als Saddam Hoessein uit Irak zou worden verwijderd en er democratie zou worden gevestigd, het land zou opbloeien en een voorbeeld voor de andere Arabische landen zou worden. Grenzeloos naïef. Veel mensen blijken die goede bedoelingen niet te hebben, die willen niet in harmonie samenleven maar willen de macht voor hun eigen groep. Er zijn ongetwijfeld veel goedwillende en vredelievende Irakezen die alleen hebben geleden onder het geweld, zoals er ook goedwillende Roemenen en Bulgaren en Grieken zijn, maar wat desondanks duidelijk is, is dat als er te gemakkelijk van uitgegaan wordt dat mensen het goede willen – vrede en gerechtigheid -, dat niet betekent dat dit dan ook vanzelf komt.
Een laatste voorbeeld is dat van lakse inspecteurs die al te gemakkelijk geloofden dat veiligheidsvoorschriften wel zouden worden nageleefd. Niet dus. Toch heeft de overtuiging dat de mens niet tot het kwade en tot fraude, maar tot het goede geneigd is, in onze cultuur breed om zich heen gegrepen.
Inmiddels dringt het wel door dat noodzakelijke voorschriften niet vanzelf worden nageleefd. Inmiddels wordt hierop gereageerd met een overdosis van maatregelen die tot meer inspectie en controle, kortom, tot georganiseerd wantrouwen.
Wie de Schrift leest, kon al weten dat de mens tot het kwade en tot fraude is geneigd, en dat we beloften om het beter te doen niet zomaar kunnen vertrouwen. Wie de Schrift leest, leert bovendien kritisch te zijn over zichzelf. In de kerk erkennen we dan ook dat wij God en elkaar vaak genoeg teleurstellen. Als wij in de Bijbel lezen dat God bereid is onze zonden te vergeven, betekent dit dat wij die vergeving ook nodig hebben. We lezen zelfs dat Jezus daarvoor is gekomen en gestorven en uit de dood opgestaan – Jezus die heel goed doorhad wat er in de mens leefde. In de kerk kunnen we horen dat wij hem, dat wij God nodig hebben om veranderd te worden. Zelfs als wij proberen in het spoor van Jezus en uit Gods vergeving te leven, dan nog gaat het regelmatig mis. Bijbelkennis leidt zo tot zelfkennis en tot inzicht in de mens in het algemeen.
Om nu terug te komen op de Heidelbergse Catechismus: daar wordt eerst de vraag gesteld, “Zijn wij dan zo verdorven dat wij geheel en al onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad”, en vervolgens het antwoord gegeven: “Ja, tenzij wij door de Geest van God wedergeboren worden”. Dit antwoord getuigt van een groot optimisme dat uit het evangelie voortkomt, dat wij mensen van binnen uit vernieuwd kunnen worden als wij geloven in God en in Christus en dat dan de Geest van God ons van binnen uit bij Gods goede voorschriften bepaalt. Jezus is veel meer dan een vriendelijke man die wijze dingen zei en zieken beter maakte en hun hun zonden vergaf, want net als de profeet Jeremia (vgl. Matteüs 16:14) heeft hij ook een scherpe boodschap en een radicale oproep: begin een nieuw leven, bekeer je. Wij hebben hem nodig om van binnen uit goed te worden – en zelfs als we dat erkennen, valt het nog vaak genoeg tegen wat ervan terecht komt.
Gelukkig zijn er altijd mensen die ook zonder dit te geloven vriendelijk en vol liefde met hun medemensen omgaan. In ons land is dat veelal een vrucht van het evangelie, want dat heeft de westerse cultuur gevormd en velen hebben daarvan wel iets meegekregen. Maar die basis ook verloren gaan, en daarom moet de kerk die boodschap blijven uitdragen, tegenover een oppervlakkig optimisme over het goede in de mens.
Om het goede te doen, moeten wij inzien dat ons eigen hart arglistig is en dat God ons beter kent dan wij onszelf kennen. In onze cultuur wordt dat niet begrepen, want wat betekent dat nu, dat God ons kent? “God” bestaat niet, en de mens is tot het goede geneigd. Totdat mensen er achter komen, dat dat laatste niet klopt, en dan kunnen ze onverschillig of pessimistisch of cynisch worden. Dan kunnen we maar beter vasthouden aan dat scherpe oordeel van Jeremia en Jezus en Paulus, bidden om vergeving en vernieuwing door de Geest, en in onze cultuur ervan getuigen, hoe je van binnen uit kunt veranderen, en dat het met minder niet gaat.