Menu

Premium

Méér dan een pelgrim

Palmzondag ( Marcus 11,1-11 en Psalm 118,1-2.19-29)

Voor de christengemeenschap rond Marcus is het duidelijk: Jezus als de Gezalfde van God (1,1) verkondigt de nabijheid van het Rijk Gods (1,14). Dit kan gemakkelijk verkeerd begrepen worden door een volk dat verdrukt wordt door de Romeinen, en hoopt dat er van Godswege bevrijding zal komen. Marcus beschrijft Jezus niet als een aardse koning die met geweld de strijd tegen de Romeinen zal aangaan. Hij ziet Jezus als de Mensenzoon, een lijdende dienaar, die als nederige koning Jeruzalem binnenkomt op een veulen, en zich laat zalven voor zijn begrafenis.

Als Jezus Jeruzalem nadert, zijn de leerlingen (en met hen de lezers van het evangelie) reeds gewaarschuwd dat dit de locatie is waar de Mensenzoon overgeleverd zal worden, bespot, gedood, maar ook zal verrijzen (10,32-34). De tegenstand is gegroeid: farizeeërs en herodianen zijn al vrij vroeg in het verhaal aan het beraadslagen hoe ze Hem kunnen ombrengen (3,6), en Schriftgeleerden uit Jeruzalem verklaren dat het dankzij de duivel is dat Hij demonen kan uitdrijven (3,22). Nochtans was ‘heel Jeruzalem’ uitgelopen naar Johannes om zich te laten dopen (1,5) en volgt een grote menigte ook Jezus als ze horen wat Hij allemaal doet, waaronder ook velen uit Jeruzalem (3,7-8).

Ook onder Jezus’ leerlingen is het begrip voor Jezus’ prediking over het Rijk Gods nog gekleurd door de hoop dat de politieke tijden voor het volk zullen keren. Niet macht maar dienstbaarheid moeten ze echter nastreven; ook Jezus is als Mensenzoon gekomen om te dienen (10,40-45). De reacties tegenover Jezus zijn zo verscheiden dat dit Hem zowel in levensgevaar brengt, als Hem tijdelijk beschermt: de overheden zijn bang voor een volksopstand tijdens het feest (14,1).

Gezegend het komende Rijk

Zoals eerder in het evangelie (3,17) stuurt Jezus leerlingen zonder Hem op weg, dit keer met de concrete opdracht een specifiek veulen te halen. De instructies geven tevens aan wat ze moeten zeggen als iemand hen wil tegenhouden. De leerlingen doen wat Jezus zegt, en als ze aangeven dat de Heer het veulen nodig heeft, laat men hen begaan. De gebeurtenissen hebben alles weg van een profetische tekenhandeling. Wat men doet, wekt bevreemding en heeft duiding nodig.

De duiding gebeurt hier in meerdere fasen: enerzijds is er de uitspraak ‘de Heer heeft het nodig’, en anderzijds wordt door het handelen van Jezus en zijn volgelingen duidelijk waartoe dit gebeurt. Niet enkel als een pelgrim komt Jezus de stad binnen. Zoals eerder de aanhangers van Jehu bij de aankondiging dat hij koning wordt (2 Kon. 9,13), spreiden de leerlingen mantels uit over de grond. Met Bartimeüs nog in hun midden, die Jezus als Zoon van David had begroet (Marc. 10,48-51), verbinden ze de zegenwens voor al wie in naam van de Heer komt (Ps. 118,25-26) met de zegening van het komende Rijk van David. Alles wijst erop dat de volgelingen van Jezus in Hem de sleutelfiguur van het Rijk Gods zien.

Hoewel Marcus er niet expliciet naar verwijst, roept het gebeuren ook Zacharia 9,9 op: ‘Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin.’ Als Jezus Koning is, is Hij zeker niet de geweldenaar die met man en macht de Romeinen zal verdrijven. Maar voor de volgelingen van Jezus is het helder: hier komt méér dan een pelgrim aan.

De aankomst in Jeruzalem is daarom bijna een anticlimax. Jezus bereikt het centrum, de tempel, maar er gebeurt niets: niemand reageert op zijn aankomst of op het geroep van zijn volgelingen. Jezus kijkt rond en gaat weer weg. Pas de volgende dag zal Hij nieuwe tekenhandelingen stellen: de vervloeking van de vijgenboom en de tempelreiniging (Marc. 11).

Gezalfd met het oog op de begrafenis

Bij de aanvang van het evangelie wordt Jezus al de gezalfde genoemd (Marc. 1,1). In Marcus 14,3 wordt Hij dan ook daadwerkelijk gezalfd, door een naamloze vrouw die echter voorgoed herdacht zal worden waar ook het goede nieuws verkondigd wordt. Haar profetische handeling wordt erkend door Jezus: zij doet iets goeds, ze zalft Hem met het oog op zijn begrafenis. Bij de omstanders stuit het echter op weerstand, niet zozeer omdat zij Jezus zalft, maar omdat ze hiervoor heel dure olie gebruikt. Het lijkt wel of die mensen niets geleerd hebben van Jezus: in Marcus 6,37 vroegen ze Jezus of ze soms voor tweehonderd denarie brood moesten kopen voor de menigte.

En nu verwijten ze de vrouw dat men hiermee voor driehonderd denarie had kunnen weldoen aan de armen. Goed doen aan de armen is nodig, maar beide keren missen ze zo de kern van wie Jezus is: de goede herder die zorgt voor zijn schapen, de Mensenzoon die zal lijden en sterven.

Deze onbekende vrouw heeft goed begrepen wat Jezus met zijn aankondiging van het lijden aangaf, en erkent met één stil gebaar de weg die Jezus gaat. Het onbegrip bij de omstanders, en met name bij Judas, is zo groot dat het een breekpunt wordt: Judas gaat op weg om Jezus over te leveren.

Die met Mij eet zal Mij verraden

Na de lijdensaankondigingen onderweg geeft Jezus ook tijdens de Pesachmaaltijd aan hoe het Hem zal vergaan. Eén van hen met wie Hij eet, zal Hem overleveren. Van de wijnstok zal Hij zelf niet meer drinken tot het Rijk Gods is aangebroken. Zij allen zullen struikelen, zoals schapen die verstrooid worden zonder herder (Marc. 14,27; Zach. 13,7). Toch is dat niet het einde: als Hij is opgewekt, zal Hij hun voorgaan naar Galilea.

Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken