Menu

Premium

Met alles wat je hebt

9e zondag van de herfst (Exodus 30,11-16, Psalm 16, Hebreeën 10,19-25 en Marcus 12,38–13,2)

De evangelielezing omvat drie korte scènes in en bij de tempel. In Marcus 11 is Jezus in Jeruzalem aangekomen. Er volgen confrontaties met hogepriesters en schriftgeleerden, de opmaat voor zijn arrestatie en kruisiging. Die confrontaties vinden plaats in de tempel, door Herodes de Grote gerenoveerd en uitgebouwd tot pronkstuk van zijn koninkrijk. Jezus heeft er geen oog voor: Hij ziet een arme weduwe die toont wat het betekent om God lief te hebben met alles wat je hebt.

Marcus 11 vertelt dat Jezus de dag na zijn aankomst in Jeruzalem de tempel binnengaat, tafels van geldwisselaars en stoelen van duivenverkopers omverwerpt, en de mensen ervan beschuldigt dat ze van de tempel een rovershol hebben gemaakt: een uitvalsbasis voor praktijken van onrecht en uitbuiting, waartegen Jeremia al tekeerging (Jer. 7,1-11). Jezus’ protestactie leidt ertoe dat de hogepriesters en schriftgeleerden van Hem af willen (Marc. 11,18), een opmerking die terugkeert in 12,12 en vervolgens weer in 14,1. In 12,12 is de wens Jezus gevangen te nemen een reactie op zijn gelijkenis over een eigenaar van een wijngaard wiens zoon door de pachters werd gedood, waarna de eigenaar de wijngaard aan anderen gaf. De wijngaard geldt in rabbijnse literatuur als metafoor voor de tempel, en in de context van Marcus 11-12 past het goed om de gelijkenis op de tempel te betrekken.1

De hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten willen Jezus betrappen op een strafbare uitspraak, maar Hij weet zijn belagers goed te pareren (12,13-27). Daarop vraagt een van de schriftgeleerden naar het belangrijkste gebod; hij reageert instemmend op Jezus’ antwoord en beaamt dat God en de naaste liefhebben veel belangrijker is dan offers. Dat vindt Jezus sympathiek: het is een antwoord in de geest van de profeten, waar Jezus’ onderwijs nauw bij aansluit.

De toewijding van de weduwe

Dit alles vormt de inleiding op de verzen 12,38-40, 12,41-44 en 13,1-2. In 12,38-40 waarschuwt Jezus voor de hypocrisie van de schriftgeleerden, die prat gaan op hun sociale status, maar ondertussen de huizen van de weduwen ‘verslinden’. Hoe ze dat precies doen valt uit de tekst niet af te leiden, maar weduwen hadden een kwetsbare positie en gelden in de Schrift als prototype van de zwakken (naast wezen en vreemdelingen). Wie hun onrecht aandoet, haalt zich Gods woede op de hals.

De volgende scène (12,41-44) speelt zich af bij de offerkist in de tempel. Hier hebben we dan zo’n weduwe. Ze brengt het belangrijkste gebod in praktijk: ze heeft God lief met haar hele hebben en houden, ze geeft alles wat ze heeft – twee kleine muntjes. De kleinste geldstukken die in Judea werden gemunt waren zogeheten prutot (sg. prutah); twee daarvan hadden samen de waarde van een Romeinse quadrans. Het dagloon voor landarbeiders was een denarius, dat is gelijk aan 128 quadranten.

De halve sjekel tempelbelasting, die op basis van Exodus 30,11-16 jaarlijks moest worden afgedragen, stond ongeveer gelijk aan twee denarii. Deze weduwe geeft maar een fractie daarvan. Ze komt naar de tempel, niet om haar eigen vroomheid te etaleren, maar om God lief te hebben met heel haar bezit.

De tempel verwoest

De laatste verzen van de evangelielezing vormen het begin van een nieuwe perikoop: Jezus verlaat de tempel en spreekt nu tot zijn leerlingen. Na Jezus’ profetische handeling in Marcus 11,15-19 komt zijn voorspelling van de tempelverwoesting niet meer als verrassing. In Marcus 13 staat echter niet de kritiek op de tempelelite centraal. De tempelverwoesting is onderdeel van het apocalyptische scenario dat uitloopt op de komst van de Mensenzoon. Voorafgaand aan zijn arrestatie geeft Jezus zijn leerlingen een beeld van wat hun straks te wachten staat. Marcus’ eerste lezers zullen er het een en ander van herkend hebben. Via Jezus’ woorden tot zijn leerlingen roept Marcus zijn lezers op tot waakzaamheid en volharding: ‘Wie standhoudt tot het einde zal worden gered’ (13,13).

Woorden van Jezus over de tempelverwoesting vinden we terug in verschillende tradities (vgl. Marc. 14,58; Joh. 2,18-21). Dat dit allemaal pas aan Jezus zou zijn toegeschreven na de daadwerkelijke verwoesting in 70, lijkt me onwaarschijnlijk. De verwachting dat met Gods komst en met het aanbreken van de nieuwe wereld, de oude tempel zou worden afgebroken en een nieuwe ‘niet door mensenhanden gemaakte’ tempel zou worden opgericht (vgl. Marc. 14,58), past goed in het spectrum van joodse apocalyptische toekomstscenario’s.

Voor lezers vandaag is het duidelijk dat de tempelverwoesting niet is gevolgd door de komst van de Mensenzoon. Voor mijzelf ligt de betekenis van Marcus 13,1-2 daarom meer in de ontmaskering van de schone schijn: we raken gemakkelijk onder de indruk van grootse architectuur van kathedralen, shopping malls, gelikte bedrijfspanden. Maar Jezus’ oog valt niet op de prachtige zuilengalerijen die Herodes in de tempel heeft laten bouwen. Hij heeft oog voor een arme weduwe, die heel haar leven aan God geeft.

De lezing uit Hebreeën gaat over het hemelse heiligdom waar Jezus als hogepriester zijn eigen bloed heeft binnengebracht. Dankzij Hem is de weg naar God open. Ook in dat hemelse heiligdom telt niet het royale gebaar van de rijken, maar een oprecht hart, een vast geloof, liefde en goede daden. Arme weduwen schuilen er bij God, met Psalm 16 op de lippen: ‘HEER, mijn enig bezit, mijn levensbeker, U houdt mijn lot in handen. … U wijst mij de weg van het leven: … voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.

Deze exegese is opgesteld door Arco den Heijer.

  1. Eric Ottenheijm & Boaz Zissu, A Parable of the Lost Temple? Archaeology, Intertextuality, and Rhetoric in Mat. 21:33-46, in: Eric Ottenheijm, Marcel Poorthuis & Annette Merz (red.), The Power of Parables: Essays on the Comparative Study of Jewish and Christian Parables (Brill: Leiden, 2024), 43-73. Via open access toegankelijk op brill.com. ↩︎

Wellicht ook interessant

None

Postma – Doen als Jezus

Als medewerker van de zendingsorganisatie European Christian Mission bevind ik mij regelmatig in crossculturele kringen. Tussen de regels door vang ik weleens op hoe men over Nederlanders denkt. ‘Weet jij eigenlijk wel hoe de spoorlijnen in jullie land zijn ontstaan,’ vraagt een Britse collega mij. Ik schud mijn hoofd met een glimlach, omdat ik aan zijn pretoogjes zie dat hij hem nu gaat inkoppen. ‘Toen twee Nederlanders vochten om een stuiver.’ Ik sla terug met een leuke grap over Brexit.

None

Kooten – Echo’s van het goede nieuws

Dit boek biedt een culturele, historische en literaire herwaardering van de evangeliën. We denken vaak aan de bijbelse wereld als een mysterieuze en sym­bolische wereld die losstaat van de werkelijkheid, maar dit boek probeert die bijbelse evangeliën in hun werkelijke context te plaatsen en laat ook hun blij­vende betekenis zien. Het is noch een inleiding, noch een compendium, noch een commentaar, maar een culturele en historische verkenning die lezers helpt te begrijpen waarom de auteurs van de evangeliën hun verslagen schreven, wat kenmerkend is aan elk van de evangeliën, en hoe ‘het evangelie’ – ‘het goede nieuws’ van Jezus – in elk van deze vier evangeliën doorklinkt.

Nieuwe boeken