Mij is het zilver, mij is het goud…
In de eerste vijf boeken van de Tenach speelt geld geen grote rol, ook niet in de vele verhalen rond belangrijke bijbelse figuren– behalve bij Abraham die de spelonk waarin hij Sara zal begraven voor 400 zilveren sikkels koopt (Gen. 23:15). En de broers van Josef nemen geld mee naar Egypte wanneer ze daar graan moeten kopen (Gen. 42:25). Het Hebreeuwse woord voor geld – kesef – betekent zowel geld als zilver, hetgeen illustreert hoe zeer de waarde van geld samenhing met de intrinsieke waarde van het edelmetaal waarvan het gemaakt was. Ook het woord sikkel (sjekel) komt van het werkwoord wegen – lisjkol, de waarde van een bepaald gewicht aan goud of zilver. In het dagelijkse leven zal men veel gebruik hebben gemaakt van ruilhandel. Beide voorbeelden van transacties waarbij geld wordt genoemd, spelen zich af met vreemden: Egyptenaren en Efron de Hittiet.