Moestuin of wijngaard
Bij 1 Koningen 21
In heel Israël en Samaria heerst het recht van de sterkste. Het grote visioen van het land van belofte heeft plaatsgemaakt voor een cultuur waarin vitaliteit, uitbreiding van macht en eigen gelijk de goden zijn geworden. Overal zie je de Baältempels. Tora, het verhaal over de uittocht uit het land van de angst, is vergeten. En van JHWH is een altaarstuk gemaakt dat langzamerhand aan groot onderhoud toe is.
In dat land horen we ineens van Nabot, die een wijngaard heeft die grenst aan het land van het buitenverblijf van koning Achab. En Achab doet wat alle grootgrondbezitters doen: hij wil die wijngaard van Nabot hebben. Hij komt bij Nabot en zegt: ‘Geef mij jouw wijngaard, dan wordt die mij tot moestuin’ (21,2). Wie de Tora in zijn oren heeft zitten, weet meteen wat hier aan de hand is. De wijngaard is in de Bijbel hét beeld voor het land van belofte: Kanaän. Uit dat land kwamen de twee verspieders terug met de druiventrossen aan een stok. Daarvan zingen de liedjes: zitten onder je wijnstok en je vijgenboom, dáár waar broeders in vrede tezamen leven. Daar droomt het volk al sinds Abraham van. Dát is het grote visioen.
Daartegenover staat de moestuin: Egypte. Het land dat je moet drenken, terwijl Kanaän het land is waarvoor JHWH zorgt. De moestuin is de tuin van het hebben, van bezit, van in eigen hand houden. De wijngaard is de tuin van verwachting, uit handen durven geven. Een geschenk. De wijngaard en de moestuin staan hier dus lijnrecht tegenover elkaar. Als Achab zegt: ‘Ik maak van jouw wijngaard een moestuin’, dan vat hij precies samen wat voor koning hij is, namelijk een die van het land van belofte een Egypte, een angstland wil maken. Het is hem al aardig gelukt, want wie kent het verhaal van de Tora nog?
Erfdeel, erfdeel, erfdeel
In de stad Jizreël is dat er maar eentje: Nabot. Hij is een man van de Tora, een tsaddiq, een rechtvaardige. Hij zegt tegen die grote koning Achab: ‘Het zij verre van mij, vanwege JHWH, om het erfdeel van mijn vaderen aan u te geven’ (21,3). Nabot heeft het niet over zijn wijngaard, maar over ‘het erfdeel van zijn vaderen’. Dat is ook wat anders dan ‘erfenis’. Nabot zegt eigenlijk: ‘Die wijngaard is niet van mij, niet mijn bezit, maar is mij geschonken om te beheren.’ Want zo gaat het aloude verhaal dat zegt dat JHWH ons het leven op deze aarde schenkt om dat met elkaar te onderhouden. Het land dat JHWH ons geeft is broeder en zusterland, om samen in vrede met elkaar te leven. In zijn antwoord vat Nabot heel de Tora samen. In dat Baälland, dat in handen is gevallen van het recht van de sterkste, is er blijkbaar nog één tsaddiq over.
En Achab druipt af. De koning gaat met zijn staart tussen zijn benen naar huis. De verteller schrijft het met een glimlach. Ja, die Achab werd weer even herinnerd aan dat oude verhaal, waar ze vroeger in zijn land mee leefden. Hij had het liever niet willen horen. Het knaagt aan zijn geweten. Dat verhaal van die JHWH wil hij nou juist vergeten. Daar ligt die grote koning, op zijn bed. Hij wil niet meer eten. Het zit maar in zijn hoofd: erfdeel, erfdeel, erfdeel.
‘Sta op en eet’
Maar goddank heeft hij de juiste vrouw getrouwd: Izebel. Die heeft gelukkig nog nooit van dat aloude verhaal gehoord. Die heeft daar geen last van. Ze komt binnen, ziet haar man liggen en zegt: ‘Kom op zeg, ben jij nou een koning? Sta op en eet!’ (21,7). Het is een ander ‘Sta op en eet’ dan dat van de bode tot Elia in de woestijn (19,5.7). Hier gaat het volstrekt de andere richting uit: niet ten leven, maar ten dode. Die Izebel komt uit een geslacht dat dat kleine boertje natuurlijk meteen een kopje kleiner had gemaakt. Ze neemt het heft in handen en maakt een slim plannetje met maar één doel: de dood van Nabot. De laatste die nog herinnert aan de Tora.
Als Achab hoort dat Nabot dood is, gaat hij zijn weg. Maar er is iets gebeurd met die man. Dat woord van Nabot zit nog steeds in zijn hoofd. Voor zijn vrouw laat hij natuurlijk niets merken. Keurig zijn pak weer aan daalt hij af naar de wijngaard van Nabot, om er een moestuin van te maken.
Een niet uit te doven visioen
Maar dan is daar Elia weer, de Tisbiet, de buitenstaander en dat vreemde woord van Godswege dat ons telkens weer bij de kladden grijpt. In die wijngaard staan ze weer tegenover elkaar. ‘Heb je me gevonden, mijn vijand?’ zegt Achab. Elia is de vijand van die macht die dat kwetsbare visioen wil maken tot een winstgevend product. En dan klinkt daar het oordeel met rauwe tonen. Elia zegt Achab dat het een doodlopende weg is. Als jij van het land van belofte weer een Egypteland maakt, gaan we er allemaal aan. Dan is het eenvoudigweg afgelopen met de humaniteit, met de menselijkheid.
Daarmee lijkt het verhaal ten einde, maar het is nog niet afgelopen. JHWH komt Elia nog even achterop: ‘Heb je Achab gezien, Elia? Hij heeft zich neergebogen voor mijn aangezicht’ (21,29). We weten dat het uiteindelijk niet goed afloopt met Achab, maar hier heeft Nabot wel een zaad gezaaid dat niet verloren gaat. Die dode Nabot is tot op vandaag een teken dat het visioen van belofte niet is uit te doven. Een ander verhaal zegt zelfs dat het is opgestaan uit de dood om nooit meer in de handen van de dood te vallen.