Menu

Basis

Mozes keert om

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Alternatief bij 2e zondag van de Veertigdagentijd (Exodus 4:18-31)

Als voormalig lid van het koninklijke huishouden zal Mozes een zekere vertrouwdheid opgebouwd hebben met leidinggevende functies. Toch weigert hij stug wel vijf keer de leiding van het volk en zijn bevrijding op zich te nemen. Rasji ziet daarin de uitwerking van de ervaring bij de brandende doornstruik. Mozes was geraakt door het gevoel van zijn menselijke kleinheid tegenover Gods geweldige grootheid, waardoor hij de grote opdracht van God niet durft te aanvaarden.[1]


Mozes reageert op de hevige discussie met God door ommekeer. Keert hij terug naar zijn oude leven, weigert hij definitief? Of keert hij om van zijn oude leven naar de nieuwe taak? Dat blijft even in het midden. Als eerste gaat hij naar zijn schoonvader en vraagt hem heel vaag, zonder iets van zijn ontmoeting met God te vertellen, of hij ‘daarheen’ mag gaan. Hij kan de naam Egypte nog niet uitspreken. Dan horen we waarheen hij omkeert: naar zijn broeders in Egypte. Nog is niet duidelijk ten behoeve waarvan. Jetro begrijpt, zonder details te weten, goed in welke situatie Mozes zich bevindt en antwoordt: ‘Ga naar vrede’ (Hebr.: lekh lesjalom – 4:18). Moge je de chaos in jezelf kunnen ordenen en uiteindelijk vrede voor je volk bewerkstelligen.

Mozes de verlosser

Nadat Mozes door deze eerste stap ervan blijk heeft gegeven dat hij wil gaan, geeft God hem nog een keer heel duidelijk de opdracht: ‘Ga, keer om naar Egypte.’ En alsof hij een hernieuwde tegenwerping wil voorkomen: ‘Iedereen die je naar het leven stond, is dood’ (419). Mozes zwijgt. Hij neemt zijn vrouw en kinderen ‘en laat hen rijden’ (Hebr.: wejarkibhem – 4:20) op een ezel. Rasji associeert dit met Abraham die de ezel zadelde om met Isaak op weg te gaan, en de ezel waarop ooit de Koning-Messias zich zal openbaren, want er is geschreven: ‘arm en rijdende op een ezel’ (Zacaria. 9:9).[2] Hij roept daarmee het beeld van de verlosser op, ook al rijdt Mozes niet zelf op de ezel. Als laatste, achter aan de zin geplakt, nog steeds aarzelend, neemt hij de staf op als teken dat hij de opdracht aanvaardt. Pas nu wordt Gods toon wat zachter: ‘Nu je gaat om om te keren (…)’ (4:21). God heeft het hier, volgens Rasji, niet meer over de drie tekenen voor het volk Israël (vergelijk 4:30), maar voor het eerst over de inhoud van het spreken met Farao: de tien plagen die Hij hier al in Mozes’ hand legt, die zullen eindigen met het doden van de eerstgeborene. God noemt het volk Israël voor het eerst zijn eerstgeborene, dus zijn erfgenaam (4:22). Het is geen vrijblijvende bevrijding. Zij zullen bevrijd worden, om het ooit van God over te nemen.

God verhardt Farao’s hart

God kondigt aan dat Hij het hart van Farao zal ‘verharden, vastmaken’ (Hebr.: chazaq – 4:21). Gruwelijk. Heeft Farao dan geen keuze? Bij de eerste vijf plagen kunnen we zien dat nergens Gods naam genoemd wordt in verband met het vastmaken van Farao’s hart (7:8-11;10). Pas vanaf de zesde plaag staat er: ‘En de Eeuwige maakt vast (…)’ (9:12). Farao verhardt vijf plagen lang zelf zijn hart. Hij heeft telkens de mogelijkheid om een andere beslissing te nemen, maar hoe langer hij zijn hart verhardt, hoe minder hij op zijn beslissing terug kan komen en hoe meer hij afstevent op een point of no return, dat met de vijfde plaag bereikt is.[3]

De betekenis van de besnijdenis

Dan een compleet andere scène die toch met het voorafgaande te maken moet hebben. De familie blijft overnachten in een ‘herberg’ (Hebr.: malon). God ontmoet Mozes om hem te doden. Waarom? Sippora weet onmiddellijk waarom. Mozes had zijn zoon niet besneden. Het gebeurde in een herberg, niet onderweg. Volgens rabbi Jose, geciteerd bij Rasji, bestond aldaar de mogelijkheid om hem alsnog zonder gevaar voor zijn gezondheid te besnijden. Hij zou er een goede verzorging hebben om te kunnen genezen. Maar Mozes draalt weer. God werd in Exodus 3 al behoorlijk kwaad over het doorgaande aarzelen van Mozes. Nu is zijn geduld definitief op.

Het teken van de besnijdenis wil zeggen dat de besnedene in het verbond met God opgenomen is en zijn nakomelingen erin onderwijst. Het betekent solidariteit en trouw aan God en alles waarvoor Hij staat. Daarom volgt deze episode op de benoeming van de kinderen Israëls als erfgenamen. Als Mozes de betekenis en daarom de besnijdenis van zijn zoon ‘vergeten is’, brengt hij het hele bevrijdingsgebeuren in gevaar, want zijn eigen nakomeling staat buiten dat verbond. Daardoor staat met de komst van onbesneden generaties God zelf op het spel.

De besnijdenis en Mozes’ taalcrisis

Volgens het gebod van de besnijdenis moet de ‘voorhuid’ (Hebr.: ‘arlah) weggesneden worden (Genesis 17:11). Het woord ‘arlah betekent: ‘alles wat overtollig, teveel is’. Volgens Hirsch kan het vertaald worden met ‘hindernis’, iets wat spirituele ontwikkeling hindert.[4] Het Hebreeuwse woord millah (= besnijdenis) betekent ook ‘woord’ (zie bijvoorbeeld Job 13:17). Volgens Avivah Gottlieb Zornberg is het Mozes’ taalcrisis die Gods aanval provoceert, veelzeggend in een malon – woordspeling op millah. ‘Het echte onderwerp is Mozes’ doorgaande weerstand tegen taal en daarmee tegen het zich verplaatsen in de wereld van anderen. Het onbesneden kind is een beeld voor Mozes zelf, “van onbesneden lippen, zich verzettend tegen de verstrikking en aanvechting van taal.’[5] Maar God is aangewezen op de ‘taal’ van Mozes. Door zijn weigering brengt hij ook in Zornbergs interpretatie het bevrijdingsgebeuren met alle consequenties in gevaar.

Deze exegese is opgesteld door Kristin Ritsert.


Voetnoten

[1] N. Leibowitz, Studies in Shemot, 70.

[2] De Pentateuch met commentaar van Rashie, vert. A.S. Onderwijzer, Amsterdam (1895-1901) 1992, 40.

[3] N. Leibowitz, Studies in Shemot, 149-158.

[4] ArtScroll op Bereshis, 570.

[5] A. Gottlieb Zornberg, The Particulars of Rapture, 96-97.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken