Menu

Premium

Neus

neusring

Onze taal kent een schat aan gezegden en uitdrukkingen met het lichaamsdeel neus als centraal begrip. De neus verwijst daarin veelal naar een situatie of hoedanigheid van personen. Neem het spreekwoord ‘Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht’. Letterlijk betekent dit: wie zijn neus verwondt, ziet er minder mooi uit. De diepere zin luidt: men moet geen kwaad spreken van zijn familie of groep, want dan maakt men zelf deel uit van de schande. Achter neus en aangezicht schuilen een bepaald gedrag en de gevolgen van dat gedrag. De neus, in letterlijke en figuurlijke zin, treffen we ook in de bijbel aan. We willen nagaan in welke zin dit lichaamsdeel wordt gebruikt.

Grondtekst

Voor ‘neus’ heeft het Hebreeuws het woord ‘af; in deze betekenis verschijnt het ongeveer 25x. Vaker betekent het woord ‘toorn’ (168x van God, 42x van mensen). Er is duidelijk een samenhang tussen ‘neus’ en ‘toorn’: ‘afstamt van de stam ‘nf, ‘briesen, snuiven’; toorn uit zich in het briesen door de neus (vgl. Ez. 38:18). Soms is onduidelijk welke vertaling we moeten kiezen (vgl. Deut. 32:22: ‘toorn’ in vertaling-NBG 1951 en Statenvertaling, ‘neus’ bij Buber). In combinatie met het werkwoord charah, ‘branden, heet zijn’, komt de verbinding tussen neus en toorn ook weer tot uiting: ‘het heet worden van de neus’ is ‘in toorn ontbranden’ (Gen. 39:19; 44:18; Ex. 4:14; 22:23) De dualisvorm ‘appajim doelt op de twee ‘neusgaten, neusvleugels’ (Gen 2:7). Deze dualis ontwikkelt zich ten dele tot metafoor voor ‘aangezicht’ (Gen. 3:19; 19:1); zie ook het Aramese ‘anaf (Dan. 2:46; 3:19). De constructie ‘èrèk ‘appajim, letterlijk ‘lang van neus’, geeft onze taal meestal weer met ‘lankmoedig’, zowel van God (Ex. 34:6; Num 14:18; Joël 2:13; Jona 4:2; Nah. 1:3; Ps. 86:15; 103:8; 145:8; Neh. 9:17) als van de mens (Pred. 7:8; Spr. 14:29; 16:32) gezegd. Het tegenovergestelde qetsar ‘appajim, letterlijk ‘kort van neus’, duidt iemand aan die ‘snel toornig, ongeduldig’ is (Spr. 14:17). Een van de betekenissen van nèzèm luidt ‘neusring’, met name voor vrouwen (Gen. 24:22-47; Jes. 3:21; Ez. 16:12; vgl. Spr. 11:22). Het nieuwtestamentische werkwoord myktèrizoo betekent letterlijk ‘de neus ophalen’ en daaruit volgt ‘bespotten, minachten’ (Luc. 23:35, sommige handschriften; Gal. 6:7). Zie ook Psalm 79:7 (= 80:7 in het Hebreeuws) en Spreuken 15:20 in de Septuaginta.

Letterlijk en concreet

a.De neus is het orgaan waardoor de mens ademt. Ooit heeft God zijn adem in de neusgaten van zijn schepselen geblazen, zo luidt het verhaal (Gen. 2:7; vgl. Job 27:3). De neus is tevens reukorgaan (Am. 4:10). Zelfgemaakte goden hebben wel een neus, maar zij kunnen er niet mee ademen en ruiken (Ps. 115:6). Ook spreekt de bijbel van de neus van dieren, zoals die van de krokodil (Job 40:24) en het varken (Spr.11:22).

b.De haak door de neus van mens en dier wijst op ondergeschiktheid aan degenen die de haak plaatst (2 Kon. 19:28; Job 40:19,21). Iemand de neus (en oren) afsnijden geldt als een afgrijselijke straf (Ez. 23:25).

c.De vrouwen in het oude Nabij Oosten dragen ter verfraaiing van hun uiterlijk graag een neusring. De ring bevordert hun schoonheid en waardigheid (Gen. 24:22-47).

Beeldspraak en symboliek

a.Neus en adem zijn nogal eens aan elkaar gekoppeld. De adem in de neus van de mens toont de mens in zijn broosheid. De profeet Jesaja schreeuwt het uit dat de mens kwetsbaar is (2:22). Zijn kreet staat echter in de context van de verhouding God en mens. De mens ontvangt de adem van de Heer, wat geschilderd wordt met een prachtig beeld: God blaast zijn adem als de levensbron in de neusvleugels van de mens (Gen. 2:7). De mens leeft bij de gratie van de hemelse adem. Tegelijkertijd laat het besef van zijn broosheid de grootheid van de Heer zien. Job bezingt Gods grootheid door de krokodil ten tonele te voeren, die schepsel Gods is maar over wie de mens geen macht heeft (40:24[19]. Eenmaal wordt de koning ‘de adem van onze neusvleugels’ genoemd, oftewel ‘onze levensadem’ (Klaagl. 4:20). Deze niet-Israëlitische aanduiding, mogelijk toegepast op koning Josia of koning Sedekia, drukt op poëtische wijze uit dat Israël zijn hoop en identiteit aan de koning ontleent. Als hij verdwijnt, verdwijnt Israëls hoop en verliest het zijn eigenheid.

De adem van Gods neus is beeld van Gods kracht en aanwezigheid (Ex. 15:8; Job 4:9). Als Gods neus rook naar buiten brengt, wat zijn woede symboliseert, is het beter op afstand te blijven (Jes. 65:5).

b.Om de veronderstelde woede van de Heer te beschrijven neemt de bijbelse mens zijn toevlucht tot de neus. De mens weet uit ervaring dat iemand in woede kan ontsteken: rood aanlopen, briesen, snuiven (Gen. 30:2). Met het beeld van de rokende en vurige neus brengt hij Gods toorn tot uitdrukking (Ex. 4:14; Deut. 32:22; Ps. 18:9). Gods woede komt niet uit de lucht vallen; zij ontstaat door hetgeen beneden onder de mensen gebeurt. Zijn toorn – soms gericht tegen Israëls vijanden, soms gericht tegen Israël zelf -beoogt recht te doen. Hij is niet toornig om zich als heerser te manifesteren, nee, zijn woede heeft het welzijn van mensen op het oog, met name verdrukte mensen. In de literatuur van Israël vervult het beeld van de woedende God de rol van trooster voor hen die worden geknecht en de rol van schokeffect voor hen die moeten omkeren.

c.De neusgaten of -vleugels staan voor het gehele gezicht. De ‘appajim worden paniem, ‘aangezicht’. In de buiging ter aarde, als uiting van eerbied en ootmoed, komt dat sterk naar voren. De neus naar de aarde gericht, het tegenovergestelde van de neus omhoog gericht (Ps. 10:4), schildert de mens die zijn aangezicht verbergt als teken van ootmoedigheid. Dat teken kan gericht zijn op mensen (Gen. 48:12), op goddelijke boden (Gen. 19:1) en op het gebed tot God (2 Kron. 7:3).

d.Als wij de neus voor iemand ophalen, tonen we daarmee die persoon te minachten. De apostel vermaant de kerk van Galaten, dat God niet toelaat dat zij de neus voor Hem ophaalt (6:7). Dat wil zeggen, dat zij door haar wandaden de gemeente onderuithaalt en daarmee God bespot. In sommige handschriften van Lucas 23:35 geldt de bespotting van Jezus als een soortgelijke minachting. Waaruit blijkt dat God niet met zich laat spotten? Uit het gegeven dat de gemeente oogst wat zij zaait. We kunnen hier spreken van een ‘boemerang-effect’: wat de mens uitdraagt, komt altijd naar hem terug.

e.In de liefdespoëzie laat de dichter de man over de vrouw zeggen, dat haar neus is als de toren van de Libanon (7:5[4]) en de geur van haar neus als de geur van appels (7:5[4], 9[8]). Het eerste beeld drukt de fierheid van de vrouw uit. Zij laat niet met zich sollen, zij is een persoonlijkheid, zij kan in toorn ontsteken. Het tweede beeld tekent dat haar totale zijn is doordrenkt van liefde; de appel, symbool van erotiek, vinden we terug in haar levensadem. Wellicht hangt dit beeld samen met het gebruik elkaar met de neuzen te kussen, zoals uit Egyptische afbeeldingen blijkt.

f.Het Hebreeuwse equivalent voor lankmoedigheid betekent letterlijk ‘lang van neus’, een beeldende uitdrukking voor een houding van iemand die geduld heeft, lang kan wachten alvorens hij uiting geeft aan zijn woede. Zó is God, zeggen dichters en profeten (Jona 4:2; Nah. 1:3; Ps. 86:15; 103:8). God ontsteekt niet zomaar in woede. Hij is mild en geeft ontrouwe mensenkinderen volop gelegenheid zich om te keren. Gods lankmoedigheid zegt, dat de relatie tussen God en mens niet snel stuk gaat, omdat zijn liefde ontzagwekkend sterk is. De wijsheidsleraren nemen dit gedachtegoed over in het kader van de navolging: als God lankmoedig is, zullen mensen eveneens lankmoedig zijn. Dat leidt tot prikkelende uitspraken (Spr. 14:29; 16:32; Pred. 7:8).

g.De vogels uit de hemel komen de Israëlieten de neus uit; het teveel verwordt tot walging (Num. 11:20). Soms is het beter te zwijgen dan te spreken. Sterker, zwijgzaamheid is een probaat middel om nutteloze strijd te vermijden. Wie te veel prest, kan snel forceren. Beter is het goed na te denken, bij wijze van spreken tot tien te tellen, alvorens iets te berde te brengen in conflictueuze situaties. Beeldend gezegd: drukking op melk geeft boter, drukking op de neus geeft een bloedneus, drukking op toorn veroorzaakt twist (Spr. 30:33). Wat de precieze zin van Ezechiël 8:17 – ‘En zie, zij houden de wijnstok (zemorah) voor hun neus’ -is, valt nauwelijks te achterhalen. Uit de kanttekeningen bij de Hebreeuwse tekst blijkt, hoe moeilijk de traditie het met deze tekst heeft gehad. Suggereert het de zonaanbidding en houdt men een bosje takken voor het gezicht om zich tegen het zonlicht te beschermen? Verwijst het naar een of ander vruchtbaarheidsritueel? Moeten we in plaats van ‘hun neus’ lezen ‘zijn neus’, dat is Gods neus? Hoe dan ook, het ritueel kwetst de Heer buitensporig. Zijn geduld met deze ontrouwen is op. h. De neusring als (vrouwelijk) sieraad fungeert in enkele teksten binnen een beeldspraak. Bekend is de vergelijking van de dichter van Spreuken: ‘Als een gouden ring in een varkenssnuit, is een mooie vrouw zonder verstand’ (11:22). Een varken, smerig en stinkend naar de modder, met een gouden ring, slaat nergens op. Het is als een vlag op een modderschuit. Welnu, zo is een knappe vrouw zonder verstand, dat is hier: zonder tact en smaak, verre van fijngevoelig. Haar schoonheid is slechts verpakking. De rabbijnen passen de spreuk toe op hun leerlingen: een torastudent die zich overgeeft aan berispelijk gedrag, besmeurt de Tora. Interessant is de plaats van de neusring, samen met armbanden, in het verhaal van Abrahams knecht, die op reis gaat om een vrouw voor Isaak te zoeken. Driemaal komt de neusring naar voren (vs. 22,30,47). De ring verschijnt hier allereerst in letterlijke zin. De knecht geeft aan een meisje dat hem zeer gastvrij bejegent een ring en armband cadeau. Maar daar bovenuit symboliseert dit geschenk de koninklijkheid van de gever, Abraham, èn drukt het uit dat hier de verlangde bruid van Isaak staat. De haast van Laban – de broer van de beoogde bruid – bij het zien van dit geschenk, tekent hem in zijn hang naar bezit, zoals ook later zichtbaar wordt (Gen. 29-31).

In de vertelling van de vondeling – metafoor voor Israël – die gered wordt door de koning -metafoor voor de Heer – schetst de koning, hoe liefdevol hij het meisje heeft meegenomen en verzorgd (Ez. 16:4-14). Ja, hij heeft haar koninklijk behandeld, want zij krijgt een ring voor haar neus en een kroon op het hoofd. De vondeling wordt een koningskind, zo onthullen ring en kroon. Daarom doet het de koning (de Heer) zo’n pijn, dat het tot vrouw uitgegroeide meisje (Jeruzalem) hem ontrouw is geworden.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 7; 10; 18; 21; 74; 85; 90; 94;

106; 145; Gezang 198; 243; 252; 254; 324; 344; 351; 395; Gezegend: 196; Hoop: 103; Leven: 1; Liederen: 7; Liefde: 54; Zingend III: 36; VI: 68; 103.

b.Poëzie:

Michel Coune, Bruidszang bij het Hooglied, Averbode/Kampen 1992, blz. 128: ‘Je gezicht, mijn lief, noem ik een stad’. Muus Jacobse, Het oneindige verlangen, Nijkerk 1982, blz. 36: ‘Dag van oordeel’. Anton Korteweg, In handen, Amsterdam 1997, blz. 34: ‘Het hart spreekt’. Lucebert, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1974, blz. 210: ‘hart, hoofd & hand’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 84: ‘Je gezicht, sluimerend van tederheid… ‘

c.Verwerking:

Als inleiding op het bijbelse woord neus kunnen we starten bij onze eigen taal. De grote woordenboeken geven tal van voorbeelden over het niet-letterlijke gebruik van de neus. Van daaruit kunnen we lijnen trekken naar de bijbel en komen we ook de verschillen op het spoor. Bij de bespreking van neus komen meerdere thema’s naar voren: toorn en de oproep tot ommekeer, lankmoedigheid en ongeduld, hoogmoed en ootmoed. We moeten erop bedacht zijn dat het beeld van de ‘woedende God’ veel vragen bij mensen kan oproepen.

Verwijzing

Het woord neus heeft duidelijk raakvlakken met de woorden ‘adem‘ en ‘gelaat‘. Voor de ring in de varkenssnuit, zie ‘varken‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken