Niet bang zijn voor het vreemde
‘Veel orthodoxe preken gaan bewust of onbewust uit van het antithese denken. ‘Wij’, de gelovigen, staan tegenover ‘ zij’, de ongelovigen. Psychologisch voelt dat niet goed, maar theologisch is het ook niet goed.’
Dat zei Dekker 1 november, tijdens een studiedag van het deputaatschap Mediazaken van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt in samenwerking met de Theologische Universiteit Kampen(TUK). De dag was gericht op predikanten die gevraagd worden radio- of televisiekerkdiensten te verzorgen onder verantwoordelijkheid van de omroep Zendtijd voor Kerken (ZvK). Hieronder volgt een uitwerking van wat Dekker op die dag heeft gezegd.
Broeders en enkele zusters,
Met vreugde heb ik de uitnodiging aanvaard deze dag een bijdrage te leveren aan uw bezinning. Ik geloof er namelijk nog steeds in dat een preek van grote betekenis kan zijn. Wij moeten ons daar niet van af laten brengen door allerlei overwegingen, die al zo lang klinken. Een van de meest gehoorde is, dat we nu in een beeldcultuur leven, het preken dus eigenlijk in een vorige fase van onze cultuur thuishoort. Door aan het centrale van de preek vast te houden zou de kerk weer eens laten zien, dat ze een hopeloos verouderd instituut vertegenwoordigt. Een andere overweging is dat moderne mensen niet langer dan tien minuten naar een toespraak kunnen luisteren, de meeste preken daarom veel te lang duren. Nog een ander argument luidt, dat volgens de communicatiewetenschap tachtig procent van het gehoorde verloren gaat. Wanneer je dit soort ‘feiten’ maar vaak genoeg hoort herhalen, zou je werkelijk gaan denken dat je als prediker met een mission impossible bezig bent.
Preken achterhaald?
Bij al deze kritische overwegingen zijn echter ferme kanttekeningen te maken. Dat we in een beeldcultuur leven is waar, maar dat betekent geenszins dat de kracht van het geschreven of gesproken woord niet meer geldt. In geschreven en gesproken woorden wordt de verbeelding van de ontvanger geprikkeld. Al zijn zintuigen raken erbij betrokken en hij schept zich een heel eigen voorstellingswereld. Wanneer hij later een verfilming ziet, valt het soms tegen. De beeldwerkelijkheid is dan een door anderen met behulp van hun verbeelding geschapen werkelijkheid die met de lezer of hoorder van de oorspronkelijke teksten kan botsen.
Soms moeten mensen ‘van buiten’ onze ogen opnieuw openen voor het goud, dat we al zo lang in eigen huis hadden. Ik denk aan de enkele jaren geleden in Amsterdam ontstane beweging, die gedoopt is met de naam ‘Preek van de leek’. Schrijvers, dichters, kunstenaars als de bekende Amsterdamse Tinkebell met haar strijd voor prostituees op de Filippijnen, Eberhard van der Laan, Lodewijk Asscher en vele anderen laten zich uitdagen een preek te houden naar aanleiding van een Bijbeltekst, die hen raakt en waar zij dan op hun manier mee aan de slag gaan. Daar vallen inhoudelijk wel kanttekeningen bij te maken, maar het grote succes van het gebeuren (er komen vaak vijfhonderd mensen of meer die niets met het instituut kerk hebben) moet voor ons een aansporing zijn vooral te geloven in ons eigen product. Humoristisch twitterde praktisch theoloog Marcel Barnard in verband met de preek van de leek: ‘Mag ik even aandacht vragen voor de preek van de niet-leek. Echt waar, ze zijn er nog de prekende dominees’. Zie: www.preekvandeleek.nl.
We moeten nodig weg uit ons subassertieve predikhol.
En over lengte gesproken: de lengte van de gemiddelde preek van de leek verschilt niet van die van de gemiddelde lengte van een radiopreek. Ik weet niet of de sprekers zich precies aan hun papier houden. Wanneer ze enigszins vrij vertellen wat er op hun papier staat is de kans zelfs groot, dat de preek een half uur of langer duurt (de teksten zijn allemaal na te lezen op de site). Lengte is ook een zeer betrekkelijk gegeven. Luisteren naar een compacte informatieve tekst is lastig. Dan is tien minuten al heel lang en waarschijnlijk gaat inderdaad tachtig procent verloren behalve bij een zeer intelligent en geïnteresseerd iemand. Luisteren naar een narratieve preek , die bovendien nog dialogisch is gestructureerd kan een genot zijn, zelfs na een half uur. Dan zeg je soms als luisteraar: ik vond het zo jammer dat hij stopte, hij had van mij nog heel lang door mogen gaan.
Het argument dat tachtig procent van het gesprokene verloren gaat, berust op een verouderde opvatting wanneer het gaat om de communicatie van de preek. In die opvatting wordt gedacht vanuit het zender-ontvanger schema. De zender brengt een boodschap over die helder bij de ontvanger moet binnen komen en daarna gereproduceerd moet worden.
Wanneer het zou gaan om deze vorm van communicatie bij de preek, dan zou je vandaag inderdaad nogal gauw zeggen: deel maar een blaadje uit, waar het belangrijkste op staat of doe het aan de hand van een power point presentatie. Bij een preek gaat het echter maar zeer ten dele om informatie. Het gaat het veel meer om identificatie of om hermeneutische horizonversmelting. Al luisterende word je als hoorder een verhaal, een gebeuren ingezogen, dat alles te maken heeft met jouw leven. Dan vermenigvuldigen de gedachten, dwaal je soms ook even af, omdat je bezig bent je eigen preek te maken, maar wanneer het verhaal sterk wordt neergezet kom je ook terug en word je op de existentiële lagen van je bestaan geraakt. Na zo’n preek is het in theorie mogelijk dat je er heel weinig van terug kunt vertellen, maar dat de uitwerking heel diep gaat.
Conclusie: Het instituut prediking is zeker niet verouderd. Bepaalde communicatieve vormen kunnen verouderd zijn. Dat is echter heel iets anders dan dat de preek zelf beter in het museum van de kerkgeschiedenis opgeborgen kan worden. Het blijft daarom zeer de moeite waard studiedagen rondom de prediking te beleggen. We moeten er weer echt in gaan geloven en dan ook het beste uit onszelf naar boven halen, vertrouwend op God Geest.
Aanpassen?
In het orthodoxe deel van het Protestantisme is niet alleen van subassertiviteit sprake wanneer het gaat om de vorm van de preek, ook wanneer het gaat om de inhoud. Ik weet wel dat dit niet van het hele orthodoxe deel geldt. Er zijn ook nog predikanten die op voorhand geloven dat de prediking van het grootste gewicht is en die zonder aanzien des persoons gedurende drie kwartier à een uur alles vertellen wat er volgens hen vanuit de Bijbel en het dogma verteld moet worden. De meesten van deze predikanten doen echter niet mee aan een bezinning over de radiokerkdiensten. Vanuit het voorbereidende materiaal voor deze dag leidde ik in ieder geval af, dat die ongebroken zekerheden bij u die hier gekomen bent niet meer leven. U ervaart veeleer verlegenheid. U wilt het evangelie graag onverkort doorgeven, maar kan dat zomaar via radio en tv? Je moet toch minstens beseffen, dat postmoderne luisteraars heel weinig van de Bijbel weten, het christelijk geloof een wonderlijk verhaal vinden en in ieder geval niets moeten hebben van hel en verdoemenis. Dan draaien ze de knop meteen om of zappen weg. Dus moeten we ons gaan bezinnen op de elementen van de boodschap die acceptabel zijn. Dat laatste geldt natuurlijk niet in absolute zin, want wij weten, dat het evangelie niet is ‘naar de mens’, maar toch… Hoe begrijpelijk deze gedachtegang ook is, volgens mij getuigt ook dit van subassertiviteit, en ook van iets dat gereformeerde christenen altijd eigen is (geweest): ze lopen achter de ontwikkelingen aan. Vol van verlangen om in rapport met de tijd te zijn, loopt hun klok geregeld net iets achter.
Op gevaar af, dat ik die fout nu ook weer maak, zeg ik: het kenmerk van het postmodernisme is dat juist het ‘niet reeds bekende’, het ongewone, het vreemde, het tegendraadse boeit . Het modernisme kwam met felle kritiek op de overgeleverde geloofsvoorstellingen en orthodoxe christenen waren steeds bezig er nog net zoveel van overeind te houden, dat de scherpste kanten er voor de buitenstaander vanaf waren en er dan toch nog zoveel substantie overbleef dat het de moeite waard was. Deze weg van geleidelijke aanpassingen heeft voor deze en gene wellicht iets betekend, maar feitelijk heeft ze meer mensen begeleid op hun uittocht uit de kerk dan op hun intocht in de kerk.
Onze postmoderne cultuur kent niet één waarheid, waar we dan ergens in de buurt moeten zien te komen met onze eigen boodschap. Onze postmoderne cultuur kent meerdere waarheden als optie. Dat brengt een eigen problematiek mee, namelijk die van de relativering van alle waarheden. Er zit echter ook een kans in. De kans is, dat het eigene en eigenaardige, vreemde en dwarse van de boodschap onbekommerd verteld mag worden. Dit eigene zal juist boeien. Dus niet preken die proberen te zeggen dat het evangelie in de buurt komt van wat de meeste mensen in hun beste momenten ook al dachten, zullen boeien. Juist preken die zeggen dat het evangelie een alternatief geluid is, dat heel andere vensters opent, juist die preken zullen boeien.
Versimpelen?
Als studieleider van Areopagus, centrum voor contextuele en missionaire verkondiging, maar ook persoonlijk als geïnteresseerde luisteraar naar radiokerkdiensten op zondagmiddag, is mijn waarneming dat veel predikanten in de ‘vlotte’ afdeling van de orthodoxie momenteel op de een of andere manier meer naar aanpassing zoeken dan naar spannende confrontatie. Die aanpassing betekent bij orthodoxe predikanten dan vaak een zekere versimpeling van het evangelie. Hun geweten zegt hen dat ze aan de inhoud niet veel mogen wijzigen, maar ze kunnen die dan toch wel vereenvoudigen, denken ze. Met als gevolg dat zelfs een oppervlakkige luisteraar kan horen dat het Bijbelgedeelte waar het over gaat, veel dieper spit dan de toespraak die erover gehouden wordt. Het gevolg is ook, dat luisteraars niet uitgedaagd worden in hun kracht om het evangelie te beamen of tegen te spreken. Ze worden eerst terug geplaatst in hun minder volwassen en minder kritische psychische hoedanigheden en daar krijgen ze dan iets te horen dat vooral lief, vriendelijk, bevestigend en bemoedigend klinkt. Alles goed bedoeld natuurlijk, maar mensen die aan de rand staan of die anderszins moeite hebben met het evangelie zijn niet dom en hoeven ook niet als dom te worden behandeld. Ze moeten ook zeker niet worden aangesproken als zaten ze tijdelijk weer op de zondagsschool. Ze moeten juist voluit serieus genomen worden als sterke mondige mensen van de 21e eeuw. Mensen die heel veel kunnen en weten en die het heel vaak goed gaat. Wat zouden zij nog met het evangelie moeten? Ja, dat is een vraag, een spannende vraag. Laat het hier maar vonken. Wanneer het evangelie hier overeind blijft, hetzij dat het wordt beaamd, hetzij dat het wordt verworpen, dàn hebben we echt iets bereikt.
Homiletische driehoek
Mijn pleidooi om dwars, anders en diepgravend te durven zijn, juist ook in de missionaire verkondiging, heeft echter nog wel een belangrijke aanvulling nodig. Dat wil ik illustreren aan de hand van de zo geheten homiletische driehoek.
In de top van de driehoek staat het Woord, de Bijbel. In de linker benedenhoek staat de prediker en in de rechter benedenhoek de hoorder. In veel preken verloopt het communicatieproces zo, dat de prediker zich identificeert met het Woord; het onderscheid valt bijna weg. De prediker beweegt zich in en met het Woord in de richting van de hoorder. De preek lijkt op een soort sneeuwschuiver. Al naar gelang de prediker meer of minder uit de bijbel heeft opgediept krijgt de hoorder een kleinere of grotere lading naar zich toegeschoven. Die lading kan overigens bestaan uit zeer bemoedigende of troostvolle teksten. Het effect is echter niet zoveel anders dan wanneer het strengere teksten zouden zijn: de hoorder heeft het gevoel dat hij min of meer wordt overvallen.
Dat voelt niet goed en dat voelt bij liefdevolle woorden nog minder goed dan bij strenge woorden. Bij strenge woorden kun je nog tegen jezelf zeggen, dat je het recht hebt daar tegenin te gaan. Bij liefdevolle woorden wordt dat lastiger en voel je je min of meer schuldig. Deze manier van communiceren werkt vandaag niet goed vanwege de psychologie van de overval. Maar ook al niet vanwege het feit, dat voor hedendaagse hoorders er geen voorafgaand gezag van het Woord is, waar hij zich aan zou moeten onderwerpen. Dit geldt zeker de randkerkelijke, maar in toenemende mate ook de kerkganger. Hij wil het gezag van het Woord wel aanvaarden, maar dan moet hij er eerst weer door geraakt worden, anders gaat dat gezag ook bij hem niet echt werken.
Antithese
Theologisch is er met dit ‘sneeuwschuiver model’ ook iets aan de hand, dat volgens mij niet juist is, maar wel eigen is aan veel orthodoxe preken. Ze gaan bewust of onbewust uit van de antithese: ‘wij’, de gelovigen, tegenover ‘ zij’, de ongelovigen. Dat voel ik als luisteraar, ook al kan ik het niet precies benoemen. Psychologisch voelt dat niet goed, maar theologisch is het ook niet goed. Het Woord van God is niet van ons, die het ons eigen gemaakt hebben het vervolgens naar de ander brengen. Het Woord is en blijft van God en verrast en verschrikt ons allen, ongeacht wie wij zijn. Dat laatste mag de prediker voelbaar maken door zich op een authentieke manier tot zijn tekst te verhouden, waarbij hij laat merken dat de tekst niet van hem is, maar hem zelf evenals de hoorders roept van de overkant.
Wanneer we weer terugkeren naar de homiletische driehoek, dan is vandaag vooral van belang, dat de hoorder zich iets af ziet spelen op de schuine opgaande lijn links in de driehoek. Hij moet deelgenoot worden van een heen en weer beweging die daar gaande is tussen de prediker en het Woord. De prediker laat horen hoe hij zelf als eerste hoorder door het Woord is geraakt, wat hij daarin weerbarstig vond, wat in hem verlangen wekte enzovoort. Zijdelings betrekt hij op dialogische wijze de hoorder daarin. Het subjectieve concept van de prediker en het subjectieve concept van de hoorder zullen nooit helemaal overeen komen, maar wanneer de prediker de heen en weer beweging tussen het Woord en zijn subjectieve concept laat zien, wordt het bewustwordingsproces bij de hoorder ook wakker geworden. Gaandeweg begint het spannender te worden. Waar raakt het Woord mij en wil ik me laten raken? Wat voor consequenties heeft dat en wil ik dat? De prediker is al prekende voorganger in geloof, twijfel, verlangen en laat tegelijk ruimte voor de eigen reacties van zijn hoorders.
In dit model wordt de hoorder maximaal serieus genomen. Ook de prediker doet er werkelijk toe. Hoorders ervaren in hem of haar een voorbeeldfiguur van waarachtige omgang met het Woord. Tegelijk wordt het Woord ook voluit recht gedaan. Het wordt niet op maat gesneden. Er ontstaan geen ‘Procrustesbed-preken’: preken waarin het Bijbelwoord nu eens opgerekt wordt en dan weer van lastige uitsteeksels wordt ontdaan.
Exhibitionisme
Om alle misverstand te voorkomen: de prediker moet in zijn heen en weer gaande beweging tussen het Woord en hemzelf zeker geen exhibitionisme aan de dag leggen. Dat is een valkuil waarin ik ‘evangelische’ voorgangers nogal eens zie terecht komen. Zij hebben beter dan gereformeerde christenen begrepen, dat de preek vandaag niet kan bestaan uit objectieve Bijbeluitleg, waarbij de persoon van de prediker op de achtergrond verdwijnt. Je ziet hen heel ijverig bezig op de linker diagonaal van de homiletische driehoek. Aangezien de dieptepeilingen in de tekst echter vaak te wensen over laten, zien we spoedig in hoofdzaak nog de prediker zelf, die aan de hand van een tot instant boodschap gereduceerd Bijbelwoord van alles vertelt over zichzelf, waarvan ik dan als hoorder denk: daar heb ik nu even geen boodschap aan. Ik ben niet geïnteresseerd in persoonlijke belevenissen van een prediker of een andere getuige, die in de dienst aan het woord komt. Ik ben geïnteresseerd in de vraag of ik verbinding zou kunnen krijgen met de oude teksten waar deze voorganger en zijn gemeente blijkbaar zoveel mee hebben.
Ter illustratie, ik denk hierbij aan de ongelooflijk boeiende manier waarop Henk van Os, kunsthistoricus en oud-directeur van het Rijksmuseum jaren geleden kunstwerken voor de televisie besprak. Niemand kon dat zoals hij. Hij was als interpreet zeer uitdrukkelijk aanwezig. Toch was het effect van de uitzendingen niet, dat je een heleboel wist over Henk van Os. Het effect was, dat je door zijn zeer betrokken wijze van vertellen zelf had leren kijken op een veel diepere manier, dat het kunstwerk je nu echt pas raakte, terwijl je daarvoor er slechts een oppervlakkige indruk van had.
Ik zit ‘s zondags in mijn auto, zet om vijf uur de radio aan en ik word geboeid door een preek of niet. Dat heeft met het bovenstaande te maken. Ik luister ook wel naar de joodse omroep, de boeddhistische omroep of naar seculiere filosofen via de VPRO-uitzendingen. Dan gebeurt precies hetzelfde. Ik zoek een andere zender wanneer het te privé word en ik er geen verbinding meer mee heb, wanneer me iets opgedrongen word of wanneer het juist te abstract blijft. Ik blijf luisteren, ook al gaat het over een andere leefwereld, wanneer de spreker mij op een manier bij zijn onderwerp weet te betrekken, waardoor ik het gevoel krijg dat het ook mij aangaat in mijn zoeken naar zin en betekenis van het leven. Ik blijf luisteren wanneer het gaat over iets dat groter is dan ik en wanneer iemand erover vertelt, die er echt iets mee heeft en die zo voor mij een transitionele persoon wordt. Dankzij zijn heen en weer varen worden twee oevers met elkaar verbonden.
Conclusie
Conclusie van heel dit betoog: wij moeten absoluut niet bang zijn voor het vreemde en het andere van Gods Woord als zou dat het probleem zijn van de verkondiging in de 21e eeuw. De kans is veel groter dat het probleem bij onszelf ligt, dat wij zelf met dat vreemde, dat andere, niet goed raad weten. Misschien weten we er wel raad mee in een religieus gesocialiseerde vorm, zodat we er in kerkelijke taal onder gelijken over durven spreken, maar weten we er geen raad mee in zijn universele en existentiële gestalte, hebben we daar ook geen authentieke taal voor.
Voorbeeld: Preken over de laatste dingen
Ik wil eindigen met een praktisch voorbeeld te geven van hoe het misschien zou kunnen. Het is niet meer dan een ruwe houtskoolschets. Maar de trend van wat ik bedoel, kan hierdoor wellicht duidelijk worden.
Ik stel me een radiodienst voor over wat we in de kerk de eschata noemen: de opstanding der doden, het laatste oordeel, het eeuwige leven. Voor postmoderne heidenen is dat sprookjesachtige stof, voor belijdende christenen is het in toenemende mate een thematiek, waarbij ze zich op afstand voelen staan. Ook zij zijn aangetast door het moderne immanente wereldbeeld, ook voor hen ligt de focus bij alles op het hier en nu. Ook op hen is het aforisme van Godfried Bomans helemaal van toepassing: vroeger was opa van vijf en tachtig er bijna, nu voor ons is hij er bijna geweest.
Hoe begin je nu een preek over zo’n thema?
‘Gemeente, luisteraar, ik mag het vanmiddag met u hebben over een bijzonder troostvol onderwerp…’?
Nee, dat loopt veel te hard van stapel.
Anders dan: ‘Gemeente, luisteraar, ik moet het vanmiddag met u hebben over een bijzonder moeilijk onderwerp, maar het staat wel in de Bijbel en het moet dus wel belangrijk zijn, ook al begrijpen wij er lang alles niet van’.
Nee, zo ook niet. Deze aanpak maakt het nu volgende op voorhand veel te zwaar en heb ik als luisteraar wel zoveel met die Bijbel dat ik alleen om die reden wil gaan luisteren?
Liever zou ik in deze trant beginnen: ‘ Gemeente, luisteraars, het gaat vanmiddag over iets onvoorstelbaars, maar stel dat het waar is, dan komt alles wat we hier op aarde meemaken in een totaal ander licht te staan. Althans, dat kwam heel sterk bij mij boven toen ik hier in de afgelopen week mee bezig was’.
Stel dat dit waar is, waar we het nu over gaan hebben, dan kijk ik heel anders naar het journaal met al die ellendige beelden van oorlog en uitbuiting, dan kijk ik anders aan tegen die vreselijke ziekten waarvoor ik bang ben. Dan kijk ik ook anders aan tegen het onrecht, dat mij wordt aangedaan. Stel dat het waar is. Maar volgens ons kan dit toch bijna niet waar zijn.
Volgens ‘ons’ inderdaad. Er is geen verschil tussen kerkgangers en niet-kerkgangers. Wij leven allen in een cultuur, waarin mensen zich weinig voor kunnen stellen bij een God, die zó in zal grijpen in onze geschiedenis, want hier en nu ervaren we dat ingrijpen al nauwelijks.
Maar zijn we met z’n allen intussen niet teveel opgesloten geraakt in onszelf? Hebben we intussen toch ook niet heel andere ervaringen, waarin dat opgesloten zitten als in een cocon, doorbroken wordt? Wanneer we ons heel diep van binnen verzetten tegen de machten van ziekte , dood en onrecht vanuit de drive: dit mag niet zo zijn, dit mag niet zo doorgaan? Wanneer we ondanks alles leven uit vertrouwen, dat het zin heeft kinderen te krijgen en het goede te doen? Wanneer we tegen beter weten in vaak blijven verlangen naar een nieuwe tijd, naar nog één keer echt nieuw te kunnen beginnen?
Worden we nu in feite bedrogen met dit verzet, dit vertrouwen , dit verlangen? Of zijn deze door Iemand in ons gelegd, die er ook voor zorgen zal, dat deze basisemoties van ons mens zijn niet op een illusie berusten?
Waagstuk
Het is een groot waagstuk te durven geloven in opstanding der doden, laatste oordeel en eeuwig leven. De beelden die de Bijbel gebruikt zijn ons vaak te machtig. We lopen stuk op de voorstellingen. Ze zijn ons vreemd geworden of ze komen ons te sprookjesachtig voor. Het ligt er ook aan hoe we psychologisch gezien in elkaar zitten.
Wanneer we kijken naar realistische schilderijen uit de Middeleeuwen over de opstanding der doden is dat ons veel te realistisch. We menen te weten, dat het zo in ieder geval niet zal gaan. Zouden mensen toen echt gedacht hebben dat het zó zou gaan: lijken die uit hun kisten klimmen? Of gaat het om plastische voorstellingen van een werkelijkheid die aan een diep verlangen van mensen van alle tijden beantwoordt, namelijk dat niet alles tevergeefs zal zijn, dat er – eindelijk – recht gedaan zal worden, dat deze verschrikkelijke wereld met al die tragische mensenlevens niet in eeuwige vergetelheid zal verdwijnen. Primitief, mythologisch, of juist te realistisch…. U mag er van alles van vinden. Maar het gaat om de zaak. Wat geloven we ten diepste? Zijn we naturalisten, voor wie de kringloop van alle leven – opgaan, blinken en verzinken – het laatste woord heeft? Of geloven we dat, wat zich op bepaalde momenten van ons leven als vermoeden meldt: het wordt anders? Het evangelie nodigt ons uit dit laatste te geloven op grond van de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Heel de christelijke kerk wereldwijd leeft al twee duizend jaar vanuit de hoop, die hiermee samenhangt.
Engagement
Mooi. Maar hoe kom je er achter of het waar is? Dat lukt nooit als toeschouwer. Het lukt alleen in engagement. Geloven is achter Jezus aangaan , deelnemen aan zijn leven, lijden en opstanding. Geloven is je levenslang laten vormen door wat Hij zei en deed. Dan staat één ding vast: je gaat steeds meer hopen, dat ooit waar zal worden wat zich in Hem heeft aangekondigd. Het laatste oordeel houdt in, dat Hij ten laatste gelijk zal krijgen, dat alle doodsmachten overwonnen zullen zijn. Het laatste oordeel is ook, dat duidelijk zal worden wie in het spoor van Jezus hebben geleefd en wie met de doodsmachten hebben geheuld. Oordeel is crisis, is definitieve scheiding der geesten. De opstanding der doden betekent , dat mijn leven met alle onvolkomenheid voltooid zal worden en eeuwig leven betekent, dat dit niet alsnog weer stuk zal kunnen gaan.
Het is te mooi om waar te zijn en het is dus zeker niet zo, dat kerkelijke mensen dat natuurlijk allemaal geloven, want daar zijn het kerkelijke mensen voor – en dat de meeste anderen daar natuurlijk moeite mee hebben.
Het is wel zo dat je er een vermoeden van gaat krijgen en soms veel meer dan dat. Dat hangt onder andere samen met de mate waarin je Jezus volgt, je met Hem identificeert. Heeft hij zich vergist, dan vergis jij je ook. Maar je vergist je liever met Jezus dan te leven zonder Jezus.
Is het echter ook niet huiveringwekkend wanneer waar is wat de Bijbel vertelt over de laatste dingen? Gaar het in het laatste oordeel niet verkeerd aflopen met de bondgenoten van het kwaad en de dood? Daar staan in de Bijbel inderdaad soms heel aangrijpende woorden over te lezen. Die gaan we niet wegstuffen. Daarom is de uitnodiging Jezus te volgen ook nooit vrijblijvend.
Het kan niet onze verantwoordelijkheid zijn of we allerlei voor ons onbegrijpelijke dingen uit de Bijbel wel of niet hebben beaamd. Het kan niet onze verantwoordelijkheid zijn of we wel of niet met voorstellingen en beeldtaal uit de voeten konden. Het is wel onze verantwoordelijkheid hoe we met een uitnodiging zijn omgegaan, de uitnodiging van het evangelie, de uitnodiging van Jezus: Volg mij.
Slot
Dit is slechts een ruwe schets van de richting waarin ik het zoek. Ik hoop wel dat het een illustratie is bij wat ik betoogd heb: niet door reductie of versimpeling komt het evangelie dichterbij, maar juist wanneer we het aandurven in de confrontatie te gaan staan, die het Woord oproept bij ons allen, wie we ook zijn.