Menu

Premium

Niet verborgen

6e zondag van Pasen (Jesaja 45,15-19 en Johannes 15,9-17)

Wij mensen kunnen van Hem zeggen dat Hij een God is die zich verborgen houdt (Jes. 45,15), maar van Zichzelf zegt Hij: ‘Niet in het verborgene heb Ik gesproken’ (Jes. 45,19). Wij kunnen vertwijfeld uitroepen: ‘Wáár is God nu…?’, maar Zélf herinnert Hij ons altijd weer aan zijn naam: ‘JHWH – Ik ben er’ (Jes. 45,19b). Het is de liefde waarover Jezus onomwonden spreekt die het zicht op God openhoudt, waardoor er geen sprake kan zijn van enige verborgenheid. Maar evenzeer het zicht op de mens, waardoor we elkaar kunnen liefhebben…

In zijn De servo arbitrio uit 1525 introduceerde Luther – als reactie op de visie van Erasmus – het begrip ‘Deus absconditus’, om daarmee aan te geven dat God ten diepste niet gekend kan worden. Hij is naar het woord uit Jesaja 45,15 een verborgen God. Je bent naar Hem op zoek, maar écht vinden doe je Hem niet. Want Hij laat zich niet kennen. Zoals de dichter van Psalm 44 het uitdrukt: ‘Waarom verbergt U uw gelaat, waarom vergeet U onze ellende, onze nood?’ Je zou het moderne begrip ‘Godsverduistering’ een equivalent van Luthers ‘Deus absconditus’ kunnen noemen: veel mensen zijn het zicht op God kwijtgeraakt, het zicht op Hem is gaandeweg in hun leven verduisterd geraakt.

Over liefde gesproken

Het is goed te begrijpen dat de evangelielezing voor deze dag in de kerk nogal eens klinkt bij een huwelijksviering. Ga maar na: liefst negen keer lezen we in dit gedeelte woorden als ‘liefde’ of ‘liefhebben’, vijf keer komen we het woord ‘opdracht’ (of: ‘opdragen’) tegen, de leerlingen van Jezus worden aangesproken als ‘vrienden’ en ook worden zij deelgenoot gemaakt van Jezus’ eigen vreugde. Allemaal tekstgegevens die niet misstaan als twee mensen gaan trouwen. Maar hoe klinken deze woorden in een reguliere kerkdienst?

De lezing maakt deel uit van de zogeheten afscheidsrede van Jezus bij het laatste avondmaal (Joh. 13–17). Jezus is in een kleine kring bijeen met zijn vrienden en zijn getrouwen. Het bijzondere moment van dit laatste samenzijn met zijn leerlingen wordt door de evangelist in 13,1 aangegeven met de woorden: ‘Jezus wist dat zijn uur gekomen was.’ Dit uur speelt al vanaf het begin van het evangelie een belangrijke rol (Joh. 2,4b; vgl. ook Joh. 17,1). Hier bij het begin van hoofdstuk 13 spreekt Jezus in taal én teken (voetwassing!) over wat Hem bezighoudt nu er dramatische gebeurtenissen ophanden zijn.

Aanvankelijk is er nog sprake van een meer verhalende tekst met een uitwisseling van gedachten tussen Jezus en zijn leerlingen (verspreide interacties in de vorm van vragen en opmerkingen van de kant van de leerlingen), maar gaandeweg krijgt de rede steeds meer het karakter van een monoloog. Hier laat Jezus zijn hart spreken. In het gedeelte vóór het begin van onze perikoop is Jezus reeds vanaf 14,23 alleen aan het woord, terwijl er pas weer in 16,17 sprake is van een reactie uit de kring van de leerlingen. Maar ook daarna nog blijft het karakter van de monoloog gehandhaafd.

Dit evangeliegedeelte staat zeker niet op zichzelf, er zijn duidelijke relaties met verwante passages in deze afscheidsrede (een enkel voorbeeld: 13,34-35 met vergelijkbare woorden over de liefde). Het is dus bepaald geen ‘romantische situatie’ die de aanleiding vormt voor het doen van uitspraken over liefde en vreugde. Er zit behoorlijk wat dramatiek in de context. Vóór zijn heengaan geeft Jezus nu zijn ‘laatste wil’. Verderop krijgt deze afscheidsrede de vorm van een biddend spreken tot God: het zogeheten hogepriesterlijk gebed.

Ten einde toe

Het bovenstaande is eigenlijk geen verrassing voor wie de tekst nauwkeurig leest. Er is immers sprake van de bereidheid om uit liefde voor zijn vrienden het eigen leven op te geven. De liefde wordt daarmee radicaal beleefd, dat is: tot in de wortel. Ware liefde, zegt Jezus, herken je aan de aanvaarding van de uiterste consequenties. Ware liefde is niet vrijblijvend maar altijd riskant. Je loopt immers risico’s. Het vraagt moed en durf om zover te kunnen gaan. Denk hier ook aan de uitspraken van Jezus in 10,11.15.17-18: de goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Hier spreekt Jezus uiteraard over de weg die Hijzelf ten einde toe moet gaan en waarvoor Hij de motivatie vindt in de liefde die Hij van de Vader ontvangen heeft (10,18b; 15,9.15).

Alleen vanuit díe verbondenheid is Jezus in staat om tot het uiterste te gaan. Jezus heeft de opdracht van zijn Vader ter harte genomen (15,10b); en op zijn beurt vraagt Jezus nu aan de leerlingen om zijn opdracht elkaar lief te hebben, ter harte te nemen (15,17). Het is daarmee één doorgaande beweging.

Liefde uitdragen

De liefde waarover Jezus in dit gedeelte zo nadrukkelijk spreekt (Gr.: agapè) doelt in deze opvatting niet allereerst op een romantische betekenis. Daar wijzen de concrete aanleiding (‘zijn uur’, 13,1) én de voorbereiding op het naderend afscheid reeds op. Maar ook kunnen we een aanwijzing daarvoor vinden in het voorlaatste vers van de lezing. Jezus zegt hier dat Hij de leerlingen heeft uitgekozen met het oog op een bepaalde taak, namelijk om eropuit te gaan en om blijvende vruchten voort te brengen. Ook híer ligt een duidelijk verband met het voorafgaande tekstgedeelte. Het intieme samenzijn met de leerlingen bij het laatste avondmaal heeft dus óók een missionaire lading.

De liefde moet niet gekoesterd worden in een kleine kring van gelijkgestemden, maar moet gepraktiseerd en uitgedragen worden. De leerlingen krijgen een opdracht mee voor de wereld. In dezelfde geest schrijft Paulus later in 1 Korintiërs 13,5: ‘De liefde zoekt zichzelf niet.’ Het is in wezen dezelfde gedachte: liefde die zichzelf verwerkelijkt in het geluk en het welzijn van de ander. Liefde die vruchtbaar is.

Deze exegese is opgesteld door Harry Tacken.

Wellicht ook interessant

None

Meganck – God

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

None

Nicea voor Nu; hoe een oude belijdenis ons vandaag kan helpen

Drie initiatiefnemers – Jelle Huismans, Margriet Westes en Arnold Smeets – hebben ervoor gezorgd dat 32 schrijvers samen 47 korte, puntige bijdragen schreven over de Geloofsbelijdenis van Nicea. Steeds namen de auteurs een paar woorden uit de belijdenis voor hun rekening, waarover zij twee à drie pagina’s schreven. Dat maakt het tot een zeer toegankelijk boek. Met dank daarvoor: ik heb het met plezier gelezen en hier en daar zinnen onderstreept en smileys of kruisjes gezet bij uitspraken die mij boeiden of juist tegenstonden.

Basis

Boekrecensie Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel door Ludy Fabriek

Het boek Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel is een geweldige uitdaging om je innerlijke relatie met God als je hemelse Vader meer en meer te verdiepen. Het beeld van de ziel als een burcht met zeven verblijven spreekt heel erg tot de verbeelding. Zeker om de ontwikkeling van je geestelijke leven te zien als een reis door die verblijven op weg naar het hart van de burcht: de troonzaal. Het uiteindelijke doel van een kind van God is om zó dicht bij Hem te zijn, dat we volkomen één met Hem zijn. Vandaar dat de subtitel van het boek ook treffend gekozen is: De innerlijke reis naar het hart van God.

Nieuwe boeken