Nu is de dag des heils
Bij Handelingen 3,1-16
Het startschot is gelost. Na Jezus’ Hemelvaart en de verkiezing van een nieuwe twaalfde apostel (Hand. 1) is in Jeruzalem met het Sjavoeot-feest de heilige Geest uitgestort (Hand. 2). Nu kan de christelijke verkondiging de wereld in: de boodschap van de profeten gaat in vervulling, Jezus is Heer, Hij is Gods Christus, en de mensen zijn opgeroepen tot inkeer (2,14-41). In een summiere beschrijving wordt de manier geschetst waarop de eerste Christus-gelovigen in Jeruzalem hun gemeenschap vormgaven (2,42-47). Men ging met regelmaat naar de tempel en er gebeurden wonderen.
Hieraan knoopt Lucas de volgende verteleenheid vast: Petrus en Johannes zijn rond vijftien uur – het tijdstip van het tamid-offer – op weg naar de tempel voor het gebed. Door hun bemiddeling geneest een man van zijn verlamming (3,110). Dit geeft Petrus aanleiding om ter plekke een toespraak over Jezus en de noodzaak van bekering te houden (3,11-26). De religieuze autoriteiten reageren weinig verheugd. Petrus en Johannes worden gevangengezet en moeten zich voor de oudsten en leden van de hogepriesterlijke familie verantwoorden. Het verbod om nog verder de naam van Jezus te gebruiken, zullen zij trotseren, maar toch worden zij vrijgelaten (4,1-21). Pas na een gebed door de gemeente om vrijmoedigheid bij het verkondigen en om verdere wonderen (4,22-31) eindigt de episode die met het genezingsverhaal was begonnen.
De naam van Jezus Christus de Nazoreeër
Het thema dat deze verteleenheid kenmerkt, is ‘de naam van Jezus’. Petrus geneest de verlamde man niet uit eigen bekwaamheid zoals hij later in zijn preek zal beklemtonen (3,12.16), maar ‘in de naam van Jezus Christus de Nazoreeër’ gebiedt hij de man op te staan en te lopen (3,6). Door de religieuze leiders worden Petrus en Johannes gevraagd ‘door welke kracht of in wiens naam’ (4,7) zij hem hadden kunnen genezen, en Petrus belijdt: ‘Door de naam van Jezus Christus de Nazoreeër (…) staat hij hier gezond voor u’ (4,10). Volgens Petrus is er ‘onder de hemel geen andere naam’ waardoor redding mogelijk is (4,12). De autoriteiten willen de apostelen dan ook verbieden om ‘met beroep op deze naam’ tot mensen te spreken (4,17). Deze samenstelling laat zien: de ‘naam van Jezus Christus de Nazoreeër’ beschrijft de kracht waarmee de opgestane Heer via zijn leerlingen aanwezig is en de boodschap in woord en daad verspreidt.
Zien en doen
De genezing gebeurt onvoorwaardelijk. De verlamde man vraagt niet om genezing. Anders dan in andere genezingsverhalen belijdt hij niet zijn geloof voorafgaand aan de genezing. Ook als Petrus later in zijn preek het geloof in Jezus’ naam als oorzaak van de genezing noemt, zou het meer om het geloof van de apostelen kunnen gaan dan om het geloof van de verlamde man. Eenzelfde situatie zal zich later in Lydda in Samaria voordoen: Petrus komt naar Lydda, ziet het leed van Eneas die al acht jaar op bed ligt en geneest hem, zonder met zoveel woorden Eneas’ geloof ter sprake te brengen (9,32-35). Jezus’ volgelingen zien de nood van de wereld. En dit is voldoende motivatie om tot actie over te gaan. Hun voorbeeld is de barmhartige Samaritaan in de ontmoeting met het slachtoffer van de rovers: ‘Hij zag hem en was ten diepste met hem begaan’ (Luc. 10,33). Ze hebben oog voor andermans leed, ook al zijn ze op weg naar het gebed in de tempel.
Het zien speelt hierbij een cruciale rol, in meer opzichten. Allereerst is er vaak wat je het ‘initiale zien’ zou kunnen noemen. Een waarnemen waaraan je je niet kunt onttrekken, niet gepland, niet beoogd. Lucas verwijst er telkens uitdrukkelijk op. De Samaritaan ziet het slachtoffer, Petrus ziet Eneas op bed liggen. Maar ook de priester en de leviet in het verhaal van de barmhartige Samaritaan zien de man die door rovers was overvallen. In ons verhaal komt het eerste contact tot stand, omdat de verlamde man de twee apostelen ziet en om een aalmoes vraagt (3,3).
Na dit eerste, onwillekeurige zien hangt er alles vanaf hoe je hierop reageert, welke beslissing je neemt. De priester en de leviet lopen met een boog om het slachtoffer heen. Maar Petrus ‘richtte zijn blik op hem’ (3,4). Hij probeert niet om aan de situatie te ontsnappen. Bewust verdiept hij het contact. En hij vraagt hetzelfde van zijn tegenover. Een terloopse ontmoeting – nog even wat centjes inpikken net als van zoveel andere tempelbezoekers – staat hij niet toe. De verlamde man moet Petrus en Johannes aankijken (3,4). En nu, oog in oog, is er ruimte voor ingrijpende veranderingen.
De heilsprofetie vervuld
De genezing brengt de voormaals verlamde man over een drempel heen. Terwijl hij als verlamde beter buiten bleef om van de liefdadigheid van de tempelbezoekers te kunnen profiteren, gaat hij nu naar binnen. Hij maakt nu deel uit van degenen die God in de tempel prijzen voor wat Hij gedaan heeft. Zijn genezing leidt tot nieuwe integratie.
Voor de toeschouwers – en zeker voor de lezers van Handelingen – openbaart zich een diepere dimensie van het gebeuren. Het springen in de tempel stelt niet alleen de genezing tentoon. Dat verlamden springen, is een teken van de heilstijd (Jes. 35,6). Zo verwijst de genezing terug naar wat de lezer al in Petrus’ Pinksterpreek kon lezen (2,16) en straks in de toespraak nog een keer zal tegenkomen: in Jezus en in wat er ‘in Jezus’ naam’ gebeurt, gaan de profetieën in vervulling.
Wat hebben Jezus’ volgelingen te geven?
Petrus’ toegespitste uitspraak (‘zilver en goud heb ik niet’, Hand. 3,6) provoceert tot de vraag wat eigenlijk de toegevoegde waarde van Jezus’ volgelingen is. Zeker is dat veel christenen in de westerse wereld van vandaag meer dan genoeg geld hebben en uiteraard valt uit deze uitspraak geenszins af te leiden, dat zij niet waar mogelijk en nodig mensen met hun bezit te hulp moeten schieten. Maar hun bijzondere bijdrage is wat de kracht van de opgestane Heer in hen tot stand brengt en de wereld ten goede laat komen – in daad en woord.