Om het herstel van het Godsvolk
Bij Matteüs 4:12-22
De perikoop Matteüs 4:12-22 staat op een snijpunt in het Matteüsevangelie. De tekst komt onmiddellijk na de verzoeking van Jezus in de wildernis (4:1-11) en begint met de ‘overlevering’ van Johannes de Doper (4:12) – de woordkeuze is wellicht proleptisch voor het lot van Jezus (zie 17:22; 20:18-19).
Deze overlevering vormt een reden voor Jezus om zich uit Judea terug te trekken naar Galilea, naar Kafarnaüm, in het gebied van de verloren stammen Zebulon en Naftali, het Galilea dus van de volkeren (‘heidenen’, niet-Joden). Waar deze terugtrekkende beweging weg uit het centrale gebied van het Joodse volk in de eerste eeuw als een veiligheidsmaatregel van Jezus gezien kan worden, ligt het meer voor de hand deze te zien in verband met de belangstelling van het Matteüsevangelie voor de relatie tussen Israël en de volkeren. Van het pleidooi voor het herstel van het Godsvolk en de opname daarin van de volkeren is immers dit gehele evangelie doortrokken. Voor Matteüs maakt deze opname van de volkeren in het Godsvolk deel uit van de authentieke voortzetting van de traditie van Israël en, meer specifiek, van het herstel van de twaalf stammen. Dat laat hij zien door de opmerking over Jezus’ verplaatsing te verbinden met citaten uit Jesaja (8:23-9:1), waarin het gebied van de verloren stammen van Israël verbonden wordt met het Galilea van de volkeren (Matteüs 4:12-16), waarmee deze tekst theologische topografie wordt. Ook al zal Jezus’ optreden voor zijn executie en verrijzenis zich in het Matteüsevangelie grotendeels tot Israël beperken, toch klinkt er door de combinatie van de namen van de twee verloren stammen en het Galilea van de volkeren al door dat het herstel van het Godsvolk en de opname van de volkeren erin hand in hand zullen gaan.
Gods heerschappij verkondigd
Onmiddellijk na zijn topografische opmerkingen begint Matteüs met deze verkondiging van het herstel van het Godsvolk, door Gods heerschappij, dat wil zeggen het ‘Rijk der hemelen’ – waarbij ‘hemelen’ een devote parafrase van ‘God’ is – te verkondigen en de bijbehorende omkeer/bekering (4:17). Hij zet hiermee de prediking van Johannes de Doper voort (zie 3,2), maar op een nieuwe wijze. Deze is voorbereid door de verzoeking (Mat. 4:1-11), waardoor Jezus’ identiteit als Zoon van God voor het voetlicht gebracht is, alsook zijn bijzondere trouw aan God, en zal in Jezus’ handelingen in de komende verzen en hoofdstukken nader uitgewerkt worden. Over de inhoud van Jezus’ verkondiging namelijk, bijvoorbeeld over wat Gods heerschappij inhoudt, zegt Matteüs op dit moment nog niets expliciets. De op zich ongebruikelijke en Matteüs typerende uitdrukking ‘heerschappij der hemelen’ kan narratief als een ‘open plek’ functioneren die de nieuwsgierigheid van de lezer wekt en door het verdere verloop van het verhaal wordt ingevuld.
‘Onmiddellijke omkeer’
De eerste concrete uitdrukking van de inhoud en het effect van Jezus’ verkondiging komt tot uiting in zijn roeping van de eerste discipelen, die later, als twaalftal, het herstelde Godsvolk zullen symboliseren; op dit punt van het Matteüsevangelie moet de lezer dit nog ontdekken. Het betreft Simon (Petrus) en zijn broer Andreas, die als kleine ondernemers verbazingwekkend genoeg gehoor geven aan de roep van Jezus om Hem te volgen. Het is een scène die functioneert als model, waarin de radicale en onmiddellijke heroriëntering (‘omkeer’) van deze twee vissers tot voorbeeld dient voor latere leerlingen van Jezus: de adressanten van het evangelie. Matteüs (4:20) laat het typische Marcuswoord ‘onmiddellijk’ (Gr.: eutheoos) staan, wat opvallend is en binnen het Matteüsevangelie nog meer nadruk legt op de directe beslissing en actie van Simon (Petrus) en Andreas dan in het origineel (Marcus 1:18). Deze onmiddellijke beslissing van de twee is des te opvallender, omdat Jezus daarvoor iets gezegd heeft waarvan de betekenis niet onmiddellijk duidelijk is en pas in het verloop van het verhaal voor de aangesprokenen (en daarmee ook voor de lezers van het evangelie) duidelijk zal worden: ‘Ik zal jullie vissers van mensen maken’ (Mat. 4:19).
Vader Zebedeüs
Het effect van Jezus’ oproep om Hem te volgen ontwikkelt zich in een volgende episode verder, waar Jezus Johannes en Jakobus roept, die nadrukkelijk als de zonen van Zebedeüs geïdentificeerd worden. Zodra zij gehoor geven aan Jezus’ roep, laten ze niet alleen hun bedrijfje achter, maar ook hun vader. Hun navolging is nog een stap radicaler dan die van Simon (Petrus) en Andreas die ‘alleen maar’ hun broodwinning opgaven en niet ook de verplichting om voor hun ouders te zorgen en deze te gehoorzamen (4:22, vgl.: 8:21-22; 10:37). Hoe Jezus en zijn verkondiging van Gods heerschappij zich verder voortzetten, vertelt Matteüs in een samenvatting van Jezus’ werken, met name verschillende genezingen en exorcismen (4:23-25), die echter niet meer tot de lezing van deze zondag behoort. Dit alles mondt uit in Jezus’ Bergrede (Mat. 5-7), waarin Hij zich presenteert als degene die het volk, nadat Hij het samengeroepen en genezen heeft, ook voorziet van nieuwe aanwijzingen voor het leven (Tora, wet).
Waar het voor de hand ligt naar aanleiding van deze evangelielezing in de prediking de nadruk te leggen op de radicaliteit van de navolging waartoe Jezus oproept (4:17-22), kan aandacht voor de topografie in de verzen 12-16 een andere insteek zijn. Minder om de reden die Matteüs vermoedelijk had om dit zo te beschrijven (zie hierboven) en meer in relatie tot een inzicht uit contemporaine missiologie en interculturele theologie, die benadrukt dat het herontdekken en herschrijven van religieuze identiteit over het algemeen primair in of vanuit de (ogenschijnlijke) marge gebeurt. Jezus bevindt zich in deze perikoop zowel geografisch alsook politiek in de marge en begint van daaruit zijn verkondiging. Dit biedt wellicht perspectieven voor prediking over het waagstuk van het herontdekken en herschrijven van eigen geloof en identiteit.