Om mensen te vangen ten leven
Bij Lucas 5,1-11 en Jesaja 6,1-8
Lucas 5,1 begint met: ‘het geschiedde’ (Gr.: egeneto de). Met deze woorden geeft Lucas aan dat er iets belangrijks, nieuws, in zijn evangelie begint: als een klaroenstoot, let op! Het meest vertrouwd zijn ze ons uit Jezus’ geboortegeschiedenis (Luc. 1-2), in de NBG-vertaling (1951) of de Statenvertaling (SV); in de NBV helaas niet meer als vaste en typisch Lucaanse uitdrukking te herkennen. Lucas gebruikt dit (kai) egeneto in zijn evangelie 39 keer (de SV telt zelfs 42 keer); in Handelingen komt het 18 keer voor (SV 19 keer). Matteüs en Marcus volstaan met viermaal en zesmaal; Johannes gebruikt het helemaal niet.
Lucas wijst met deze woorden onmiskenbaar terug naar het begin van het Eerste Testament. In Genesis staat 55 maal kai egeneto (Hebr.: wajjehi), in Exodus 25 maal. Zo, zegt Lucas, worden nu in en om Jezus van Nazaret mensen, een volk van God nieuw geboren: dit is de schepping opnieuw, ongehoord en nieuw. ‘A morning, excellent and fair’ (Emily Dickinson).
Aandringen om te horen
Op die uitzonderlijke, heldere morgen dringt het volk op Hem aan (epikeisthai) en is doende het woord van God te horen (akouein), terwijl Hij op de oever staat. Lucas gebruikt hier een nevenschikkend zinsverband: het volk is bezig om op Jezus aan te dringen (epikeisthai) én om het woord van God te horen (akouein) én Hij is bezig op de oever te staan (èn hestoos). Epikeisthai en akouein zijn gesubstantiveerde infinitieven, waarbij het voorzetsel en (= in) van betekenis verandert naar ‘terwijl’. Er zijn handschriften die dit epikeisthai vermijden – te lijfelijk? Maar het ís een heel lijfelijk gebeuren: mensen ervaren aan den lijve wat het is om het woord van God te horen en Hij ervaart aan den lijve wat het is als mensen dit horen. Uitwijk is geboden en voorhanden: aan de oever liggen – hoe toevallig! – een paar vissersscheepjes.
Vissen en vangen
Boten, vissers en netten waarmee gevist kan worden – dat zijn vervolgens de woorden waarin Lucas zijn boodschap omtrent Jezus en wat Hij te bieden heeft, verpakt. Hij ziet twee boten, liggend aan de kant van het water; de vissers zijn uitgestapt en spoelen de netten. Dat is meer dan enscenering of couleur locale: de netten en vervolgens ook de vissers zelf worden in gereedheid gebracht voor een nieuwe vangst. Jezus stapt in de boot en vraagt een eindje het water op te gaan, als een mens die een paar stappen terug doet om een schilderij beter te kunnen bekijken. Zo kan Hij de menigte in haar volle omvang zien en haar in zijn onderricht precies geven wat Hij ziet dat zij nodig heeft. Hij onderwijst vanaf het water. Wijsheid en water hebben een nauwe band vanaf het begin van de schepping, toen God het water zijn plek gaf: ‘Roept Wijsheid niet, laat Inzicht haar stem niet horen? (…) Ik was erbij toen Hij de hemel zijn plaats gaf / en een cirkel om het water trok, de wolken aan de hemelkoepel plaatste, / de oceanen bruisend op liet wellen, / toen Hij aan de zeeën grenzen stelde, / het water met zijn woord zijn plaats gaf, / de fundamenten van de aarde legde.’ (Spr. 8,1.27-29).
Het onderricht gaat echter nog dieper ‘te water’, nu als opdracht aan de vissers, die met hun boten het meer op moeten om de netten uit te zetten (chalasate ta diktua, letterlijk: ‘te laten zakken’). De visvangst wordt een metafoor voor het betrekken van mensen bij de weg van Jezus: de overvloed van de vangst duidt wellicht op de ‘velden die wit zijn om te oogsten’ zoals de evangelist Johannes het Jezus laat benoemen, maar Lucas gebruikt het beeld van de vis, dat symbool van de vroege christenheid. De volgelingen zijn vis en visser tegelijk en het beeld van de vis wordt vervolgens in de jonge kerk een aanduiding van Jezus zelf, tegelijk een code, geheim herkenningsteken: die hoort er ook bij!
‘Zielenvisserij’
Dat is in het Evangelie van Lucas op dit moment nog toekomstmuziek, maar misschien toch niet meer zo’n heel verre toekomst: heeft hij met dit verhaal de jonge vervolgde kerk een hart onder de riem willen steken? Nog anders: zou een kerk, door haar krimpende ledenaantallen in het nauw gebracht, daar vandaag de dag haar voordeel mee kunnen doen? Maar dan alsjeblieft niet gelezen als het beeld van vissen, die onvrijwillig maar voor hun bestwil gevangen en op het droge gebracht worden. Dat beeld stuit terecht tegen de borst. Wie zou zo’n lot ambiëren: als vissen spartelend in een net op het droge naar adem moeten happen? In het Rijksmuseum hangt een schilderij van Adriaen Pieters van de Venne (1589-1662), getiteld ‘De zielenvisserij’, waarop protestanten en rooms-katholieken vanuit hun bootjes ijverig naar mensen, c.q. kerkleden vissen. Het Griekse werkwoord dzoogreoo (Luc. 5,10), dat in diverse vertalingen (NBG, Groot Nieuws, Willibrord, NBV) wordt vertaald met ‘vangen’, heeft echter vanuit de Septuaginta de betekenis meegekregen van ‘mensen die in gevaar zijn het leven redden’. Daarom kan men beter vertalen: ‘van nu af aan zul je mensen in het leven behouden’, of ‘van nu af aan zul je mensen vangen ten leven’. Dat is een heilzamer perspectief voor aanstaande Jezus-aanhangers: ten leven opgevangen worden, de heelheid van het leven ervaren, juist vanuit de diepten (wateren, de zee) van het bestaan.
Jesaja en Petrus
Petrus roept tegen Jezus: ‘Ga weg van mij, ik ben een zondig man!’ (Luc. 5,8). Jesaja, voor de hemelse troon staand en op het punt geroepen te worden tot het ambt van profeet, zegt: ‘Ik ben onrein van lippen!’ (Jes. 6,5). Wanneer een mens in aanraking komt met het mysterie van de aanwezigheid van de Ene is zijn eerste reactie: terugdeinzen, afweren. Zowel Petrus als Jesaja ervaren echter dat zij niet hoeven te geven wat zij niet hebben, maar zullen ontvangen wat zij nog niet hebben… om dat door te geven.