Menu

None

Onapologetisch preken over Pasen

1a Taal en werkelijkheid in de preek

In een interview dat we hadden met collega Hendrik Mosterd benoemde hij de ervaring die hij had met een catechisant. In een preekcyclus over Jeremia, (in een gedeelte handelende over kinderoffers), had hij gesproken over een recente film (namelijk Loveless/Liefdeloos van Andrey Zvyagintsev). Toen het over kinderoffers ging, dacht hij aan die film: een echtpaar wil scheiden maar dat lukt niet, want ze hebben een kind, Aljosja, waarvoor ze allebei geen verantwoordelijkheid willen nemen. In de film vervloekt de moeder de dag dat ze besloten had geen abortus te plegen op dat wat Aljosja zou worden. Het kind hoort hun geruzie, loopt weg van huis en wordt nooit meer levend teruggevonden. ‘Ik heb een catechisant’, zo vertelde Hendrik in dat interview, ‘en die weet ik maar moeilijk te bereiken, zo’n jongen waarvan je denkt dat alles langs hem heen gaat, maar toen ik het op catechisatie over die film had, keek hij me plotseling aan en zei: “Daar had u het over in de preek”’.

Dat zijn volgens mij iconische momenten, ‘kennisbronnen’ voor de prediking. In dat interview spraken we over de spanning tussen taal en realiteit, tussen de vaak geserreerde liturgische taal/preektaal en de concrete leefwereld, een kernspanning in prediking. Opmerkelijk: als zo’n bittere ervaring uit de cinema wordt benoemd, (waarvan je even denkt: ‘is dat niet te heftig’), blijken opeens onverwachte en schijnbaar onbereikbare mensen mee te luisteren. In mijn eigen predikantservaring zijn dit momenten waar je zorgvuldig mee om moet gaan, die je kunt ‘uitpakken’ als het ware, momenten waarop je merkt dat taal en werkelijkheid elkaar raken in zo’n schijnbaar onbereikbare jongen, een soort instant identification. Wat zit daar voor leefwereld achter, waarom was hij er toen even helemaal bij? Ik denk (en wij predikanten weten): de leefwereld van hoorders is vaak ruiger dan in onze preken aan de orde is.

Het gaat over de missionaire kracht van de Paaspreek. Niels de Jong, predikant en pionier, schreef: ‘Missionair preken betekent voor mij op zoek gaan naar die ene’. Iets weten van de beknelling, het isolement, de verveling, of de zonde van iemand, en in je preekvoorbereiding heb je door de tekst een impuls gehad en je dacht: ‘Nu ga ik helemaal voor jou in de preek’. Marquardt gebruikt de schitterende term dat wij in de Paaspreek ‘sprachlich ums Leben kämpfen’.
[1]
Al je bronnen: Schrift, traditie, taal en ook je eigen geloof en je roeping, zet je in om op de één of andere manier in de werkelijkheid van die ene te komen. Vaak blijkt: dan kom je ook in de levens van een heleboel anderen. Wat houdt dat nu homiletisch gezien in met betrekking tot de Paaspreek? Hoe breng je het Paas-Evangelie in het leven van die ene?

1b De preek als initieel ‘aanraak-moment’

Vooraf twee observaties: Het is heel wat als door de Paaspreek hoorders in een moment ervaren: ‘dit gaat over mij’. Als even een verdriet, een hardheid, een verveeldheid, een vrolijkheid aangeraakt wordt, en in contact wordt gebracht met Jezus, de Gekruisigde die leeft. Coen Constandse schreef in In de Waagschaal dat we niet te snel over het woord ‘ontmoeting’ moeten spreken in de omgang met God. Dat is een hele ingevulde term, het suggereert gesprek, over-en-weer, een uitgebreidheid in ruimte en tijd, het is een term die we ook te onzorgvuldig en vanzelfsprekend kunnen gebruiken. In veel Bijbelse verhalen, schreef hij, gaat het vooral over Gods spreken, Zijn roepen, klagen, dreigen, beloven, handelen.
[2]
Ik herken dat: Is het Woord van God niet vooral een moment dat onderbreekt, dat een gesloten perspectief doorprikt, dat het grote van het Evangelie even als in een flits een concreet leven raakt, soms als de zon die doorbreekt, soms als een stomp in je maag. Misschien is een gesprek na de preek veel geëigender om dat nader uit te werken, maar is de preek veelal een ervaring van een kracht, een aanwezigheid die jouw leven lijkt te kennen, die jouw leven aankan, die wat met jou wil en die een soort gezag heeft, zonder dat je het precies benoemen kunt. Als dat in een preek gebeurt, zo’n ‘contactmoment’, is dat iets om te koesteren.

Dat gebeurt ook. Laten we als predikers dat tegen elkaar zeggen, en daarin geloven. In de voorbereiding op deze studiedag, vroeg ik onze jeugdouderling (werkzaam in het onderwijs) hoe je in haar visie jongeren bij de Paaspreek zou kunnen betrekken. Ze zei: ‘Het gaat jongeren niet om populair taalgebruik. Je hoeft het niet over een fittie of een mattie te hebben, je hoeft je toga zelfs niet uit te doen. Ik zie dat jongeren luisteren op een energetisch niveau’. ‘Veel van hun zintuigen staan open, en dat maakt ze kwetsbaar (want: snel afwezig), maar ook open en raakbaar. ‘Je moet het geloof van onze jongeren niet problematiseren, je moest eens weten hoe ze wachten op een doorleefd woord van jou voor hun leven, en hoe ze dat ook registreren. Pas op: Ze hebben er vaak zelf de taal niet voor, voor dat wat hen raakt, maar als ik, zei ze, met ze praat dan ontsluit ik dat wat wel degelijk tijdens liturgie en preek gebeurt’.
[3]
In die zin heeft de preek de gemeenschap nodig, en is de preek een moment in een breder gesprek, waar ouders, catecheten en vrienden een wezenlijke theologische rol spelen, juist ook om dat te ontsluiten wat wel degelijk gebeurt. Ik ben ervan overtuigd dat er op energetisch niveau veel gebeurt in de dienst en de liturgie, maar dat dat vaak amper ontsloten wordt, dat er amper op dat niveau wordt nagesproken, nagevraagd. Het is heel wat als even in die dienst zo’n contact-moment gebeurt. Dat is dus de inzet: een contact-moment tussen het PaasEvangelie en concrete levens.

1c Opstandingskracht in woorden

Het tweede punt vooraf gaat over opstandingskracht, en dan met name over christologie en pneumatologie. Kees van der Kooi (in zijn Warfield Lectures) schreef: ‘Jezus is opgewekt in het eschaton, maar dat is precies ook wat Hem van ons scheidt. Waar Hij is, zijn wij nog niet. Cruciaal hierin is het werk van de Heilige Geest, die deze afstand en vervreemding overbrugt. De Geest, die incredibly benevolent force maakt dat mensen geïnvolveerd raken in God’s genade.
[4]
En: ‘De Geest is de activiteit van de drie-enige God waardoor eeuwig leven en de kracht van de opstanding gecommuniceerd wordt aan gelovigen in het heden’.
[5]
Hij benadrukt hoe Calvijn juist die kracht benadrukt wanneer het gaat over de werking van de Geest: De Geest maakt dat wij hier en nu, op een verborgen wijze, participeren in het heil en in de glorie van God.
[6]
Opstandingskracht is wat de Geest wil bemiddelen in concrete mensen.

1d Preekvoorbereiding als voice dialogue

Nu wil ik in deze bijdrage deze aspecten integreren. Homiletisch gezien gaat het steeds om participatie, om ‘in contact te staan’ met verschillende ‘kennisbronnen’. Als je in contact komt met het werkelijk leven van hoorders, of ze nu kerkelijk zijn of niet; als je in contact staat met datzelfde leven van die hoorders in jouzelf (zie de bijdrage van Paul Visser); als je in contact staat met de kracht van kruis en opstanding in een tekst, als je als prediker die ‘kennisbronnen’ verkend hebt, levert dat taal op, voorbeelden, en een keuze van onderwerpen waardoor een bepaald soort kracht gebeurt en: gezag. Je preekvoorbereiding is als een voice dialogue. Je verkent die verschillende stemmen, je laat ze tot je doordringen en je laat ze hun weg vinden in exegese, in het schrijven van je preek en in het houden van je preek. Een aparte ‘kennisbron’ is de stem die klinkt in missionaire verhalen. Dat zijn bij uitstek levensverhalen om naar te luisteren: de stem van buitenstaanders die tot geloof komen, van een generatiegenoot die het een tijdlang volledig kwijt was maar opnieuw de kracht van het Evangelie gevonden heeft: zij zijn ‘kennisbronnen’. Praat met ze, wat deed hen afhaken, waardoor werden ze opnieuw geraakt, waar ligt hun vreugde en waarom? Je zult zien dat zowel je exegese als je preken aan kracht winnen als je daarmee in contact staat.

In deze laatste homiletische bijdrage wil ik een paar van die stemmen uitnodigen om iets te zeggen over onze Paaspreek. Ik heb twee thema’s uitgekozen voor zo’n voice dialogue, namelijk het thema van de dood en en van de zonde. Het zijn kernthema’s in de reflectie op kruisiging, dood en opstanding van Jezus, en het zijn bij uitstek ook thema’s die gaan over de ruigheid van het leven. en bovendien: als het nu gaat om opstandingskracht in preken dan wil zich dat juist hier bewijzen. Op de kansel staat iemand die spreekt over eeuwig leven midden in ons sterfelijk bestaan, en er staat iemand die jou aanspreekt als ‘Freigesprochene’, die het lef heeft om niet te bibberen voor de zonde en het kwaad, maar die daar souverein tegen-in-spreekt.
[7]
Ik denk: juist hier kan een nieuwe energie het mensenleven binnenstromen, een nieuwe vrolijkheid en lichtvoetigheid, een nieuwe levenspraxis. Paradoxaal genoeg is de vreugde van het Evangelie juist te beleven wanneer er realistisch over de zonde en de dood gesproken wordt. Ik doe twee oefeningen met contemporaine stemmen, om taal op te doen voor mijn Paaspreek.

2a De dood, de woede en de vuurkring die God om ons heen kan trekken

Het eerste ‘gesprek’ gaat over de dood. Eén van de centrale thema’s in het PaasEvangelie. Ik kies als gesprekspartner Esther Maria Magnis, en haar boek Gott braucht dich nicht.
[8]
Het gaat me niet om de kwaliteit van de roman, het gaat om de oefening: hoe kun je luisterend naar een contemporain leven je Paaspreek laten beinvloeden? Nu, als je taal en thema’s op wilt doen over wat de dood doet aan een mens, kun je hier een ongepolijste stem horen.
[9]
Het boek is een coming of age-roman, over de dood van een vader, en later van een broer. Meer nog gaat het over Godservaringen. Als haar vader stervende is, gaat de hoofdpersoon met haar zusje en broertje bidden op de vliering, en daar hebben ze een Godservaring. ‘Vanuit de stilte werd aan ons getrokken, er gebeurde een vrede die niet van ons was, maar we wisten dat het waarheid was’ (p. 49). De dood van haar vader scheurt die Godservaring aan flarden. Dat doet de dood: die vreet aan ons leven, aan ons gevoel, aan eerdere ervaringen met God. Ze vertelt hoe ze na die eerste dood woedend werd, oriëntatieloos, hoe ze het gesprek met God verbrak: ‘Toen ben ik stilgevallen. (….) De dood klopte niet met wat ik op de vliering had begrepen. De dood paste niet bij de genegenheid die de kracht, die we daar voelden, naar ons toegedragen had’ (p. 81). ‘Ik wist voor die tijd niet wat voor kracht de dood heeft. Zo sterk tegen het leven’ (p. 92). Mooi woord ‘een genegenheid die naar ons toegedragen werd’. Het lijkt op hoe Van der Kooi de Geest beschrijft als incredibly benevolent power.
[10]
Maar de dood is hard, en scheurt de ‘genegenheid’ aan stukken.

Er volgen woedende jaren. ‘Ik heb gezworen dat ik nooit meer een woord met God zou spreken’ (p. 108). En wat mij opvalt: het boek is een weerwoord tegen gemakkelijk atheisme en gemakkelijke godsdienst. ‘Ik wantrouwde de mensen die glimlachend zeiden dat er na de dood niets meer is. Niet die uitspraken, maar dat glimlachen erbij, dat kon ik niet vatten. Dat zulke dingen als wereldbeschouwing opgedist werden, met een intellectuele air, en niet in totale vertwijfeling’ (p. 119). Let op: ook de klacht tegen slappe godsdienst. Ze schrijft: ‘In de grond van de zaak vond ik God als kind zeer interessant. Hij leek iets waanzinnigs te hebben en iets teders; hij praatte in het wild met de duivel, en werd woedend op de woedende zee’ (p. 18). (Kijk: daar heb je het energetische niveau, waarmee jongeren kunnen luisteren!) Maar juist de algemeenheden in de kerk maakten dat stuk: ‘zo burgerlijk had ik God niet leren kennen’ (p. 26). ‘Zijn Godheid verbond me aan Hem, Zijn werkelijkheid, maar wat ik van Hem hoorde maakte Hem een burgerman, een moraalridder’, over Hem werd gesproken ‘in de taal van stukgekauwde kauwgom’ (26). ‘God heeft jouw handen nodig om wat te kunnen doen, tralala, doebidoebidoe, oh yeah. Maar God werd er steeds kleiner door’. Ze zegt zelfs: ‘Die geest heeft mijn geloof bedorven’ (p. 32).

Pas op: In het boek zit ook een beschrijving van een Paasmorgen. De hoofdpersoon moet dan mee naar de kerk met haar moeder, want haar vader wordt herdacht. Ze is een jaar of twintig, en ze heeft een kater van de wodka van de vorige avond. Het zijn jaren waarin ze vecht met zinloosheid, met het niets, met geen enkel antwoord meer hebben. Later zegt ze: ‘Het waren jaren van Gods zwijgen, en ik zal dat zwijgen nooit vergeten’. Er is één moment dat een scheurtje veroorzaakt in haar vervreemding tot God, en dat is een oud christelijk lied van haar moeder: ‘Hij bemint mij teer’ (p. 175). Dat woord roept iets in haar wakker: ‘Daar was het vergeten woord’, ‘waar was je dan toch?, wilde ik roepen (p. 176).

Nota bene: dan wordt haar jongere broer ziek ten dode. Weer tuimelen de dingen door elkaar. Ook haar broer is zijn geloof kwijt. Maar onverwacht dringt iets in haar om te gaan bidden. ‘Ik ben zijn zus. Ik bied U mijn geloof aan. Mijn complete geloof – maar maak hem beter. Drie uur. Ik bad en zweeg, ik probeerde Hem te overreden, ik werd rustig en weer angstig, ik werd dapper en moedig, dan weer volkomen hulpeloos, al die tijd bleef ik met dat alles bij God, tot de dag aanbrak die in gebeden tot de grootste genade behoort die ik ken. Als plotseling je eigen stamelen wordt onderbroken, en alles binnenin je tot antwoord wordt: U bent God!’ (p. 216). Over dat moment van bescherming en overgave, schrijft ze ‘wie ooit in de vuurkring die God om ons heen kan trekken heeft geleefd, daar waar geen andere macht toegang heeft, die heeft geen woorden meer voor God. Voor zo iemand is God werkelijker dan een steen (p. 234). Haar broer sterft, maar genadig.
Door contact te maken met een roman als deze komt iets tot leven in mij. Als ik het lees begint mijn eigen biografie tot leven te komen, zowel de teleurstelling als momenten van zekerheid. En let op: dat is een ‘kennisbron’. Iedere hoorder hoort op energetisch niveau wanneer de prediker contact heeft met die ervaringen in zichzelf (zonder dat je dat hoeft te benoemen). Dat is te horen in intonatie, emotie, woordkeuze, zorgvuldigheid. Er begint van alles in mij te resoneren: Ik weet als predikant inmiddels hoeveel van dit soort strijd schuil gaat of ging in het innerlijk van allerlei mensen, zonder dat je dat van buiten zou zeggen. Godservaringen die ook weer door het leven gezift worden als de tarwe. Je moet over hoorders niet vanuit statistieken denken, maar vanuit concrete mensen die je kent, vanuit contact-momenten met hen.

2b Theologische thema’s als resultaat van de dialoog

Ik doe hier theologische thema’s op voor mijn Paaspreek, waarmee ik naar de Schriften ga, zoals:

  • De dood als disrupting force. Vanuit deze taal kun je Maria beschrijven, Thomas, Paulus’ alles-of-niets theologie in Korinthe over dood en opstanding.

  • Ik leer iets over souvereiniteit en verwondbaarheid. Er zit in het PaasEvangelie een souvereine kracht, maar die gaat niet ten koste gaat van het erkennen van verwondingen. Nota bene: de Levende heeft de verwondingen nog in Zijn lijf.

  • Ik leer iets over geloofszekerheid en aanvechting. Jammer genoeg zit in de Paasliederen niet zo veel aanvechting, maar in Schriftverhalen en in het werkelijke leven wel. Als je hier goed luistert kun je oefenen in zorgvuldige taal over geloofszekerheid met inbegrip van aanvechting.

  • Ik leer iets over moralisme, vrijheid en ethiek. Je kunt hier lezen hoe gevaarlijk moralisme is voor het geestelijke leven. Hoe spreek je in de Paaspreek over vrijheid en tegelijkertijd over de verplichtende ethiek die de opstanding van Christus meebrengt voor wie in Hem gelooft.

  • Ik leer iets het offensieve in de Paaspreek. Als ik de kritiek op atheïsme en burgerlijk christendom lees, denk ik: de Paaspreek moet niet te snel defensief worden, en critici van de opstanding in een luie stoel positioneren. Vaak is in preken het PaasEvangelie geproblematiseerd, nota bene, maar je kunt ook de tegenverhalen tegen de opstanding problematiseren, iets van hun armoedigheid en troosteloosheid laten zien.

Wat ik uit deze observaties kies, heeft te maken met de perikoop waarover ik preek, met de gemeente die ik ken, met ‘die ene’ die in zo’n proces opeens zich aan je opdringt en voor wie je preken wilt. Het gaat me nu niet om de uitwerking, maar om de voice dialogue. Ik denk: Opstandingskracht wil zich bewijzen juist in dit soort levens. Als ik laat zien dat ik weet heb van de macht van de dood, en daar middenin kan spreken over ‘een vuurkring die God om ons heen kan trekken, waardoor geen macht ter wereld ons nog schaden kan’, kom ik dan niet in de buurt van de theologie van Paulus, en van die eigenzinnige soevereiniteit die in Paasverhalen doorklinkt?

3a De zonde, formlessness inside me, en: Now shut up and listen

Het tweede gaat over zonde en verzoening. Ik kies als gesprekspartner Francis Spufford en zijn boek Unapologetic.
[11]
Het boek zet in met de atmosfeer van irrelevantie die het christelijke geloof in de samenleving kan hebben, het gevoel alsof je het hebt over bronze-age absurdities. Spufford schrijft een pleidooi om opnieuw onapologetisch te spreken over de emotionele kracht die de grondwoorden van het christelijk geloof kunnen hebben voor mensen van vandaag. Ook daar merk ik iets van het offensieve. Spufford schrijft over de reclame op de Londonse bussen van de New Atheists. There’s probably no God, now stop worrying and enjoy your life p. (9-10). Spufford zegt dan: Pardon me? Enjoy your life? Hij beschrijft dan ‘gewone Londonse levens’, een mevrouw op weg naar huis waar haar demente man woont die soms zijn ontlasting aan de muren smeert. Enjoy your life? De eind-dertiger die zijn kind alleen nog op zaterdag ziet, en die mooi-weer speelt in the City om maar niet te hoeven toegeven aan zijn gevoel van falen en verdriet. Enjoy your life?

Spufford, een gerenommeerde Brits historicus en schrijver, ontziet zichzelf niet. Hij schrijft over een nachtelijke ruzie met zijn vrouw, een jaar of tien geleden, en over de morgen daarna (p. 14-15). ‘We hadden vast gezeten in één van onze cyclische ruzies’, schrijft hij, ‘zo’n ruzie die steeds weer oplaait zelfs als je denkt dat je tot een exhausted close bent gekomen. ‘Het was maar doorgegaan, die ruzie, van middernacht tot een uur of zes, we hadden loopings gemaakt van verwijten en tranen, en van nieuwe verwijten en nieuwe tranen, elke keer met een onverminderde intensiteit, want de bitterheid van het verraad, mijn verraad, verminderde maar niet. Prachtige zin: When daylight came, the whole world seemed worn out. Je moet eens beseffen hoeveel gemeenteleden innerlijk versleten naar je Paaspreek zitten te luisteren. Wij predikanten weten dat toch, dat, voordat wij doorkrijgen dat huwelijken en gezinnen op springen staan, al een aantal jaar slopende discussies en strijd gaande is die tot een uitgewoond zieleleven kan leiden. Ze zitten voor je, ze luisteren naar jouw woorden. Spufford beschrijft hoe op de morgen na die nacht hij naar een plek ging om te schrijven, toen zette iemand in het café het klarinet-concert van Mozart aan, het Adagio. En hij beschrijft wat die muziek aan hem deed. It said: Everything you fear is true. And yet. Everything you have done wrong, you have really done wrong. And yet. And yet. (….) Now, shut up and listen. Dit wordt voor Spufford een metafoor voor hoe genade van Christus werkt: een genadige kracht die inbreekt in je leven, je ogen opent voor jezelf, je ontmaskert (en dat is een gestalte van het oordeel), maar je tegelijkertijd onderbreekt met een tegenwoord. Now, shut up and listen. Je zou het bijna de titel van je Paaspreek maken: Shut up and listen.

Spufford is een uitstekend schrijver: Brits, onderkoeld, speels, precies, prachtige taal, maar het gaat steeds ook over zonde, omdat hij over het leven wil schrijven, over die vreemde formlessness in onszelf. Het gaat niet over guilty pleasures of yummie transgressions, nee, zegt Spufford, het gaat over onze actieve inclination dingen stuk te maken, zoals beloften die je gedaan had, zoals relaties waar je om geeft, zoals je eigen welzijn en dat van anderen. Met excuus voor de explicit language, zegt Spufford: Sin is about our propensity to fuck things up. Het F-woord hoort bij de zonde, zegt hij. Het eigene van de kerk is dat het niet meedoet met de fascinatie voor extreme vormen van kwaad, dat het niet meedoet in het zondebok-mechanisme rondom kwaad, maar dat het spreekt over onszelf, over onze participatie in het kwaad. Intrigerend: Als je in de kerk hier moraliserend, beschuldigend en in versleten termen over spreekt, raak je het leven niet en komt niemand tot inzicht of inkeer. Als je op de manier van Spufford zou durven spreken, denk ik dat veel hoorders gespannen luisteren naar wat je nu gaat zeggen. Ik denk dat men luistert naar of je echt weet waar het over gaat, hoe complex het is en hoezeer we het verdringen en: of je krachtbronnen kent die dat aankunnen, die een uitweg bieden. Je kunt ook zo erover spreken dat er een verlangen gebeurt naar een uitweg, naar een andere levenspraxis.

3b ‘Zie ik breng Hem tot u uit’

Tot slot: Misschien is, hoe wezenlijk ook, misschien is dit allemaal voorspel voor het echte moment in de Paaspreek. Het kerugmatisch moment, dat ook een moment van catharsis is. Soms is je hele preek een voorbereiding om tot die ene zin te komen (Hendrik Mosterd). En misschien is die ene zin het: ‘uitbrengen van Christus’: ‘Daar is Hij’. L. Kievit heeft een meditatie geschreven over de woorden van Pilatus: ‘Zie ik breng Hem tot u uit’ (Joh. 19.4-5a)
[12]
, en hij heeft dat homiletisch vertaald als datgene wat gebeurt in de preek: ‘Zie ik breng Hem tot u uit. Daar is Hij. Wat hoge stem spreekt mee in het woord van Pilatus; hoort u dan de stem van de Vader niet. (…..) ‘Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft’. Hier hebt u Hem’. En dan vervolgt hij: Dát gaat de Heilige Geest door de prediking nader uitwerken. Het is een uitbrengen, een uitdragen van Christus, en als het dat niet is, dan is het niet naar de mening van de Geest. De dienaren van het Woord houden geen voordracht over godsdienstige verschijnselen, zij brengen nog minder de wijsheid van deze eeuw, kerkelijk verpakt, aan de man. Wij houden elkaar toch niet bezig met beschrijvingen van ellende, verlossing en dankbaarheid waarbij Christus niet aanwezig is. Dan verwijzen wij tenslotte naar de mens, de vrome mens en worden we er in de grond niet wijzer van. Nee, wij treden terug, achter Christus. En weet u wat wij naar voren hebben te brengen: Hem. Hij wil onder ons verschijnen, als de Christus der Schriften.’
[13]
De hoop van de Paaspreek is het epifanische moment. Het is het moment waarop je als prediker bij uitstek voelt dat je ‘een stap opzij doet’, en dat er een vis-à-vis gaande is tussen de Levende en Zijn gemeente, en allerlei onverwachte en schijnbaar onbereikbare hoorders. Op die momenten heb je eigen weinig in handen dan dit, maar het is in die ruimte dat het werkelijke gebeuren wil: participatie in het heil dat Christus zelf communiceert.

4 Missionaire observaties over de Paaspreek

Ik eindig met missionaire observaties, kernmomenten na de luisteroefening (dit gedeelte is een soort introductie op preken die tijdens de studiedag werden uitgedeeld – het is tijdens de studiedag niet uitgesproken, maar bedoeld om thuis de Paaspreken te kunnen plaatsen):

4.1

De Paaspreek is de oervorm van christelijke prediking en gaat over de essentie van het christelijke geloof. Een missionaire Paaspreek heeft een vorm van zelfbewustzijn en allure. Josuttis schrijft dat Pasen gaat over Gods eigen strijd tegen dood en schuld, en de Paaspreek participeert in Gods macht tegen de dood.
[14]
Je hoeft je niet te schamen deel te mogen nemen aan het goede gevecht tegen levensvijandige machten. Marquardt gebruikt de schitterende term dat wij in de Paaspreek ‘Sprachlich ums Leben kämpfen’.
[15]

4.2

In de Bijbelteksten over Pasen zit souvereiniteit. Die souvereiniteit zit in Christus, de Souvereine. Opmerkelijk is dat Christus in de gesprekken na de opstanding verwijst naar de Schriften (dat is: naar het Oude Testament) en naar Zijn eerdere eigen woorden. Enerzijds trekt dit Pasen in de geschiedenis van Israël met God. Ook als Paulus over de opstanding kata tas graphas spreekt, doelt hij niet op geïsoleerde Bijbelteksten in het Oude Testament, maar op de ‘theologische logica van de geschiedenis van Israel’, op de Gerichte und Befreiungen Gottes in ihr (289). Goede Vrijdag en Pasen is de grondstructuur van Gods handelen aan Israel en aan mensen. Missionair betekent dit dat leven met deze God zowel confrontatie als opstanding inhoudt. ‘Je houdt jezelf niet over wanneer je deze God ontmoet, en als je jezelf een beetje leert kennen is dat Evangelie. Dit beloof ik je: Je gaat er anders uitkomen!’
[16]
Tegelijkertijd verwijst Jezus naar Zijn eerdere woorden en naar Zijn eerder geleefde leven: de Geestkracht die heel Jezus’ leven doortrokken heeft en van waaruit Hij sprak over lijden en opstanding, is geen andere kracht dan de kracht die Hem tot leven wekte.

4.3

Dezelfde opstandingskracht wil gebeuren in de preek. De preek wil de presentie van Christus in het nu dienen. ‘Jezus Christus is gisteren en heden en tot in de aeonen Dezelfde’. De Paaspreek is niet slechts een herinnering, maar een herinneren van Hem die nu met ons spreekt.
[17]
Het valt op dat in de Bijbelteksten over de opstanding liturgische facetten opgenomen zijn (Schriftverwijzingen, het broodbreken in Lucas 24). Het hoort bij de PaasErvaring dat de Schriften op een bevrijdende manier opengaan, daardoorheen spreekt de Opgestane. Dat stimuleert tot grondige exegese van de tekst: des te dieper je in de tekst komt, des te beter je de opstandingskracht daarin kunt ontsluiten.

4.4

Thema’s uit het PaasEvangelie (de dood, de teleurstelling, het ongeloof, het wegvluchten) liggen voor het oprapen in het leven, in levens van toen en nu. Dat betekent voor mij als prediker, dat ik niet alleen geroepen ben iets te verwoorden van de souvereiniteit van God, maar ook van de botsing ervan op onze levenservaring. De prediker staat aan de kant van het souvereine en aan de kant van de verwonden. En ook: Het zijn rauwe thema’s, en de paradoxale ervaring is dat wie de lef heeft daarover te spreken, altijd gehoor heeft. Zie voor een aangrijpende spanning tussen preken met Pasen en biografische ervaringen van de dood van een kind, de herinneringen van collega Piet de Jong die in boekvorm verscheen (Sores en zegen. Mijn verhaal met de Kerk. Boekencentrum 2018).
[18]

4.5

Ik lees in de Bijbelteksten en in levensgeschiedenissen dat dit geloof niet vanzelf gaat. Er zijn steeds mensen die afhaken, er zijn afwezigen die het niet kunnen geloven, er is vaak aarzeling en twijfel. Missionair preken betekent dat je stem daaraan geeft, dat je de herkenning laat gebeuren. Ik leer van Esther Magnis en van Francis Spufford dat je daarnaast moet proberen in de diepte te komen, om relaties te leggen met het weggedrukte, het teleurgestelde en het schaamtevolle, om dat te ontsluiten, om daar zorgvuldig te zijn en tegelijkertijd niet bang. Kan ik zo over weerstand, ongeloof en zonde spreken dat het iets wordt waaruit je weg wilt komen? Kan ik je daartoe uitnodigen? Wat ik ook geleerd heb: denk niet statisch over hoorders. Juist een missionaire preek weet er iets van dat dingen kunnen gaan schuiven in het innerlijk van allerlei mensen, dat bekeringen gebeuren.

4.6

In de Reformatie is een nadrukkelijk verbinding gelegd tussen Evangelie en geloof.
[19]
Pasen in niet beleefbaar zonder geloof. Geloven is instemmen, maar ook een samengroeien met Christus, sterven aan het oude en opstaan tot het nieuwe. Pasen wil geloof en verandering brengen. Op welke manier krijg ik hoorders uit een toeschouwersrol, en nodig ik hen uit te participeren in deze geschiedenis? Jezelf geven zal je meer zicht geven op de betekenis van kruis en opstanding. Dat vraagt eigenlijk ook alles van jou. Het heeft ook iets offensiefs: Als je niet met verhaal wilt leven, met welk verhaal leef jij dan? Wat is de troost en de kracht van andere verhaal eigenlijk?

4.7

Juist in deze facetten dringt zich de pneumatologie opnieuw op. Christus verschijnt ons vanuit het eschaton, maar dat scheidt Hem ook van ons. Wij leven hier en nu, wij zijn kinderen van de aarde, marked by death. De overbrugging tussen Christus en ons gebeurt door de Heilige Geest, die Zelf verbindingen legt. Dat dringt me als prediker tot gebed en verwachting (cf ‘Want als de Geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus heeft opgewekt ook u, die sterfelijk bent, levend maken, door zijn Geest die in u leeft’ Romeinen 8:11).

4.8

Er zit ernst in de teksten, maar ook een soort ‘humaniteit’. Christus gaat een eigen weg met een ieder van de discipelen. Dat is een interessante thematiek om uit te werken, zoals Wolf Krötke heeft gedaan in de preek Ostertempo/Paastempo.
[20]

4.9

Moralisme is een gevaar in prediking. Anderzijds is vrijblijvendheid wezensvreemd aan het PaasEvangelie. Edward Schillebeeckx schrijft over ‘de zonde van de wereld’ die Jezus gedood heeft, dat Zijn dood ook ‘zondigheid van samenlevingsstructuren aan het licht brengt’, en dat de levenspraxis van de volgelingen van Jezus zich daar (economisch, politiek en geestelijk) tegen verzet.
[21]
Homiletisch gezien wordt dit in preken verwoord door de ‘beweging’ die in het mensenleven wil komen door de opstanding van Christus: de Geestkracht die je verzoent en vrijmaakt, is dezelfde kracht die in de levenspraxis van de gemeente belichaamd wil worden. Rowan Williams heeft een Paaspreek gehouden over de ‘dans’ die door de opstanding in het leven wil komen (getiteld: ‘Stepping Out’).
[22]

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken