Ontvangt heilige Geest
Pinksteren (Handelingen 2,1-11 en Johannes 20,19-23)
Bij Johannes, in tegenstelling tot Lucas-Handelingen, vallen Pasen en Pinksteren op dezelfde dag. Met Pasen lazen we hoe Maria Magdalena ‘op de eerste dag der week’ van Jezus de opdracht krijgt om aan zijn leerlingen het evangelie, de ‘goede boodschap’, te ‘boodschappen’ (Gr.: angelloo), namelijk dat Hij is opgestegen naar zijn hemelse Vader. Daarmee gaf ze als apostel van de apostelen de aanzet tot een horizontale beweging: de kerk op aarde (Joh. 20,1-18).
Op de avond van diezelfde dag echter waren daar waar de leerlingen waren, de deuren gesloten ‘door de vrees van de Judeeërs’, zoals Thomas Naastepad letterlijk vertaalt (20,19a).1 Veel vertalingen (NBV21; NBG51) vertalen hier ‘uit vrees (of angst) voor’ de Judeeërs. Volgens Naastepad ging er van de Judeeërs zeker zo’n schrikbewind uit, want als iemand zou belijden dat Jezus de Christus was, zou hij uit de synagoge worden geworpen (vgl. Joh. 9,22). Een reden voor Jezus’ leerlingen om bang te zijn voor de Judeeërs. Toch kun je je afvragen wie er het meest bevreesd waren: de leerlingen of de Judeeërs? Instanties die dreigen met geweld zijn immers zelf het meest bevreesd, en in dit geval is dat ook terecht.
De deuren gesloten
Johannes acht het wezenlijk voor de gemeente/de kerk (Gr.: ekklèsia) dat waar zij is, de deuren gesloten zijn. De gemeente komt illegaal bijeen, gedreven door de nood van de tijd. Ze staat met de rug tegen de muur. Zij móet lezen uit de Tora en de profeten, psalmen bidden, roepen in de gebeden, anders vergaat de aarde. Of zij een staatsgreep voorbereidt, hangt van de staat af; dat is een probleem van de wereld, niet van de kerk.
Toen ‘kwam Jezus en stond in het midden en zegt hun: vrede aan jullie’ (20,19b). Ook dat is wezenlijk voor de gemeente: de levende Jezus staat in haar midden. Dat is zo wezenlijk dat Johannes hier de tegenwoordige tijd gebruikt: ‘Hij zegt (Gr.: legei) hun: vrede aan jullie.’ Jezus is daar waar twee of meer in zijn naam zijn vergaderd.
Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde (20,20a). De handen waarmee Hij zijn werken van barmhartigheid en gerechtigheid heeft gedaan, en de prijs daarvan: de littekens van zijn wonden. ‘De leerlingen dan waren blij toen ze de Heer zagen’ (20,20b). Wij zouden kunnen schrikken van het zien van die littekens en kunnen denken: wat staat óns nog te wachten? Maar de leerlingen waren al een stap verder en werden alleen maar blij omdat ze de Heer zagen, dominerend over de geleden nederlaag.
Jezus zendt de leerlingen
‘Jezus dan zei wederom tot hen: Vrede aan jullie; zoals Mij de Vader heeft gezonden, zo ook zend Ik jullie’ (20,21). Er moet nog gezegd worden waarin die vrede bestaat. Niet zoals de valse profeten zeggen: vrede en veiligheid, waarin men bedacht is op het behoud van wat men heeft, maar vrede en gerechtigheid, een vrede waarin men zichzelf prijsgeeft. Daarom worden zij gezonden. De deuren moeten nu toch worden geopend. Zending, missie: het wezen van de kerk. Maar wel ‘zoals Mij de Vader heeft gezonden’. Heel wat zendingsijver kon dan wel eens misplaatst blijken, berustend op een verkapt machtsbegeren. Wat ons wel te doen staat, of beter: wat er met ons wórdt gedaan, mag de wereld niet horen.
‘En toen Hij dit had gezegd, blies Hij en zegt hun: Ontvangt heilige Geest’ (20,22). Gods Geest doet profeten en rechters opstaan in Israël. Naastepad schrijft: ‘Heilig is die geest, dat wil zeggen: afgezonderd, omdat hij met de wereld nooit gemene zaak maakt. Die geest doet ons opstaan tegen de geest van deze wereld die Gods kinderen onterft; wij raken in een uitzonderingspositie.’
Hij herinnert aan de kruisdood van Jezus: ‘En Hij overleverde de geest’ (19,30). Wij leven van Jezus’ laatste adem. Toen Hij die overleverde, had Hij in zijn waarachtigheid de hele wereld tegen zich, het werd zijn dood. Wij worden bij de bevrijding van Gods onterfde kinderen betrokken in een zaak op leven en dood, aldus Naastepad.
Zonden vergeven en aangrijpen
‘Als gij van sommigen de zonden wegneemt, dan zijn ze hun weggenomen; als gij van sommigen aangrijpt, dat zijn ze aangegrepen’ (20,23). Bij het eerste gaat het om vrijspraak over allen die door de heersende moraal worden veroordeeld. Maar het kan zijn dat ze in hun slavernij hun onderdrukkers zijn bijgevallen, door berusting, lafheid, of geloof in de macht, en daardoor ook hun eigen lotgenoten zijn afgevallen, en dan moet ook die werkelijke zonde worden weggenomen. Zij moeten worden opgericht uit hun onderdanigheid, hun naasten leren ontdekken, en horen dat ze voor tirannieën niet hoeven te bukken. Het staat gelijk met Gods toekomst: zij zullen het land beërven.
Het tweede ziet er grimmiger uit. De NBG51 vertaalt: ‘Wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’, de NBV21: ‘Vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ Naastepad vraagt zich af of dit goede vertalingen zijn voor het Griekse krateoo, dat ‘grijpen’, ‘veroveren’, ‘vasthouden’ betekent. Hij vraagt zich af welk genoegen God erin kan hebben om zonden niet te vergeven. Bovendien heeft Johannes het woord ‘zonde’ hier niet gebruikt. Dit tweede deel van onze zending richt zich volgens Naastepad tegen de heersende moraal, tegen de tirannen, tegen de wereld die zichzelf rechtvaardigt. Het is inderdaad grimmiger, want het is de keerzijde van Gods barmhartigheid: Hij grijpt de machten aan, Hij slaat Egypte. Dit bevrijdingswerk legt Jezus nu hier op die avond van de eerste dag van de week in handen van de leerlingen. De deuren kunnen opengaan, en zij kunnen als kerk nu in beweging komen.
Deze exegese is opgesteld door Lidwien van Buuren.
- Th.J.M. Naastepad, Pasen en passie bij Johannes. Deel 2 – Hoofdstuk 18-21. Kampen 1986, 82-89. ↩︎