Onze zuster Febe, de diaken
De vertaling van Romeinen 16:1-2
Het mag inmiddels wel bekend zijn dat de apostel Paulus niet de vrouwenhater was waarvoor men hem tot voor kort gehouden heeft. Aan dat foute beeld van Paulus hebben mannelijke uitleggers, maar vooral vertalers bijgedragen. In feite heeft Paulus vrouwen in de christelijke gemeenschappen een hoge plaats toegekend, die hun echter al spoedig na hem weer werd ontnomen. De apostel had verschillende vrouwelijke medewerkers. In zijn brief aan de gemeente te Filippi noemt hij Euodia en Syntyche, die hem hebben geholpen bij het verkondigen van het evangelie. Blijkbaar hebben zij gepreekt. Paulus kende vrouwen uitdrukkelijk het recht toe om te prediken en om de gemeente voor te gaan in gebed, zoals blijkt uit zijn eerste brief aan de gemeente te Korinte (11:5). In het slothoofdstuk van zijn brief aan de gemeente in Rome noemt hij een hele rij vrouwelijke medewerkers op die daar verblijven: Aquila, ‘mijn medewerkster, die met haar man voor mij haar hals heeft gewaagd’ (16:3); Maria, ‘die zich voor u (= gemeente in Rome) erg heeft ingespannen’ (vers 6); Junia, een apostel, die voor haar geloof gevangen heeft gezeten (vers 7). Onder de andere vrouwen die Paulus opsomt in Romeinen 16 vermeldt hij twee in het bijzonder, omdat zij zich zo voor het werk in de gemeente hebben ingespannen: Tryfena en Tryfosa (vers 12), vrouwen, van wie de namen wel met ere vermeld worden, maar die door weinigen gekend zijn. Als eerste vrouw wordt in Romeinen 16 Febe genoemd, die wat haar status betreft door de meeste vertalers als regel onderschat wordt.