Oorlog kent regels – maar houden we ons eraan?
Erik Sengers is geestelijk verzorger bij Defensie. Een terugkerend aspect van zijn werk is het afleggen van de Militaire Basisvaardigheden. De confrontatie met de eindeloze creativiteit van mensen om elkaar te doden, roept bij hem een vraag op: houden we ons in oorlogstijd nog wel aan de regels die menselijkheid beschermen?
Eenmaal per jaar moeten militairen bewijzen dat ze de Militaire Basisvaardigheden (MBV) nog beheersen. Ook wij, de geestelijk verzorgers, moeten deze test doen, die een combinatie is van praktijk en een onlinecursus met multiplechoicevragen.
Elk jaar verbaas ik me weer over de eindeloze creativiteit van mensen om elkaar pijn te doen en te doden
Een van de onderdelen — het zogenaamde Ammunition Awareness — gaat over munitie: hoe herken je het en hoe handel je als je het tegenkomt? Waar ik ieder jaar weer verbaasd over ben, is de bijna eindeloze creativiteit die mensen kunnen hebben in het verzinnen van manieren om elkaar pijn te doen en te doden.
Er zijn anti-persoonsmijnen en anti-tankmijnen. Explosieven kunnen op afstand tot ontploffing worden gebracht of door een tijdmechanisme. Explosies kunnen ook ontstaan doordat het beoogde slachtoffer een draad aanraakt of een lichtstraal doorbreekt. De lading kan van onderen komen, van de zijkant, of gewoon van boven op je hoofd landen. Vooral bij IED’s — geïmproviseerde explosieve devices — is de creativiteit (meestal van irreguliere tegenstanders) groot. De meest recente loot aan het wapentuig — de drones die we kennen uit de oorlog in Oekraïne — stond overigens niet in de onlinecursus toen ik die voor mijn meest recente MBV deed.
Mijnen: een effectief maar verboden middel in oorlogsvoering
Mijnen — en zeker anti-persoonsmijnen — zijn een effectief, maar verboden middel in de oorlogsvoering.[1] Ze zijn effectief omdat je op een relatief eenvoudige en goedkope manier een groot gebied kunt beveiligen: als je weet dat ergens in een gebied mijnen liggen, ga je er in een grote boog omheen, precies waar de vijand je wil hebben of houden. Maar ze zijn volgens internationale afspraken verboden, omdat ze ingaan tegen het principe van discriminatie. Dat principe betekent dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen burgers en militairen: militairen mogen worden aangevallen en burgers niet. Mijnenvelden liggen door hun uitgestrektheid in gebieden waar ook burgers komen. Ook worden ze soms als valstrik achtergelaten door een terugtrekkende vijand — in huizen, tuinen, scholen en straten.

Omdat het veel tijd en geld kost om mijnenvelden weer op te ruimen (filmtip: Unter dem Sand), laten oorlogspartijen de mijnen vaak liggen. Door hevige regenbuien kunnen ze soms ergens anders terechtkomen dan op landkaarten wordt aangegeven. Mijnen zorgen voor hele nare verwondingen, ook tientallen jaren nadat een conflict is afgelopen, zoals in Cambodja of Bosnië.
Opzegging internationale anti-landmijnenverdrag: geen andere keuze?
Daarom was ik erg verbaasd te lezen dat enkele NAVO-lidstaten begin juli het internationale anti-landmijnenverdrag opzegden.[2] Vooral aan de noordoostflank van het NAVO-gebied voelen ze de dreiging van de Russische Federatie heel sterk. Ze zoeken naar alle mogelijke middelen om zich te verdedigen en een inval te voorkomen.
Wat me echter het meest verbaasde, is dit citaat uit het persbericht: ‘Beide landen zeggen dat ze niet gebonden willen zijn aan verdragen waar de vijand zich ook niets van aantrekt.’ Als het niet om zulke serieuze zaken zou gaan als oorlog, zou je bijna zeggen dat het een kinderachtige reactie is.
De landen zeggen zich te blijven houden aan internationale afspraken en mensenrechten, maar voegen daaraan toe dat de Russische dreiging hen ‘geen andere keuze’ laat. Nou zeg ik in pastorale gesprekken altijd dat er wél altijd een andere keuze is. En hoe je je tegelijk aan afspraken kunt houden en toch landmijnen kunt leggen, staat niet in het persbericht.
Het Rode Kruis reageerde not amused en militair analisten wezen bovendien op de beperkte effectiviteit van landmijnen.
Het verwoeste klooster van Montecassino

Een ander voorbeeld waaruit duidelijk werd dat internationale afspraken over het gebruik van (oorlogs)geweld op het spel staan, overkwam me op de sociale media. Daar was een Nederlandse officier (ik noem hier geen namen maar u kunt mijn thread bekijken) die herinnerde aan de slag om Montecassino, in Italië. Dat is een hoge berg, strategisch gelegen, die de geallieerden na hevige bombardementen konden innemen en daarna konden doorstoten naar centraal-Italië en Rome.
De officier trok daaruit een paar strategische lessen, en ik kon het niet laten die lessen aan te vullen. U moet namelijk weten dat Montecassino de plek is van een eeuwenoud klooster van Europees belang, dat tijdens dat bombardement vrijwel volledig werd vernietigd.
Mijn lessen waren: denk drie keer na of er geen andere middelen zijn als het om cultuurgoederen gaat, en gebruik zelf nooit culturele plaatsen strategisch (wat volgens het oorlogsrecht ook niet mag).
Met die tips was de officier het niet eens: voor een overwinning is alles goed, waar gehakt wordt vallen spaanders, bovendien zei hij dat ik niet weet wat oorlog inhoudt.

De onschendbaarheid van het rode kruis
Een laatste voorbeeld van de relativiteit van het humanitair oorlogsrecht overkwam me bij een diner met hoge, internationale militairen. Een generaal van de geneeskundige troepen vertelde dat hij twijfelde of het wel verstandig was om het rode kruis te gebruiken bij oorlogshandelingen. Eigenlijk mag een rood kruis, of halve maan, niet worden aangevallen. De militairen die ermee werken, of die erin worden vervoerd, zijn letterlijk buiten gevecht en dus beschermd.
Maar in de praktijk van de oorlog in Oekraïne zien we dat het rode kruis een doelwit is geworden: auto’s, gebouwen en mensen die dat teken dragen, worden doelbewust aangevallen.[3] Als je deze afvoerketen aanvalt, kunnen gewonden niet herstellen en terugkeren. Het doet ook iets met het moreel, want militairen zetten hun leven op het spel als ze weten dat er uitstekende geneeskundige zorg is wanneer er iets gebeurt. Bovendien zijn geneeskundige troepen over het algemeen minder bewapend.
Maar ja — als je gewonden vervoert zonder rood kruis, zoals de generaal voorstelde, mag je als doelwit worden aangevallen. En dan is het een kleine stap om militairen heimelijk onder een rood kruis te laten opereren, wat weer indruist tegen het oorlogsrecht. Dus wat was nu eigenlijk zijn voorstel?

Geweld en het christendom: niet alles is toegestaan
Oorlogen zijn vreselijk: op grote schaal gaan dingen en mensen kapot, en het duurt decennia voordat de wonden geheeld zijn. Het is niet voor niets dat de christelijke tradities oorlog en geweld in principe afwijzen als tegengesteld aan het dienen van de Vredevorst. Maar diezelfde tradities zijn ook realistisch genoeg om te beseffen dat geweld er nu eenmaal is.
Als geweld noodzakelijk is — in de christelijke leer zijn alleen verdedigingsoorlogen toegestaan — dan moeten daar bepaalde regels voor zijn om het geweld te beperken en weer tot een einde te brengen. In de katholieke catechismus staan daarover enkele veelzeggende passages. Bijvoorbeeld: ‘Zowel de kerk als de menselijke rede verklaren dat de morele wet blijft gelden gedurende de gewapende conflicten’ (art. 2312). Met andere woorden: niet alles is toegestaan.
Ook staat er: ‘… handelingen die in strijd zijn met het volkenrecht en zijn universele beginselen … zijn misdaden’ (art. 2313). Ze worden zelfs ‘misdaden tegen God en de mens zelf’ genoemd.
De regels zijn er dus om in de oorlog tenminste nog iets van menselijke waardigheid te bewaren. Voor de kerk hebben ze zelfs iets heiligs— of beter: ze zijn er om de heiligheid van mens en wereld tegenover God te beschermen.
Het gebruik van gecontroleerd geweld
Maar dit soort regels zijn er niet alleen voor de tegenstander; ze zijn er ook voor de militair die geweld gebruikt. Natuurlijk is het een kerntaak van militairen om geweld te gebruiken, maar wel om gecontroleerd geweld te kunnen gebruiken. Zonder regels kan geweld ontaarden: geweld roept geweld op, er wordt doorgevochten tot het bittere einde of de laatste man, terwijl doorvechten misschien allang geen zin meer heeft en alleen maar onnodige slachtoffers veroorzaakt.
Bovendien blijft het onnatuurlijk om andere mensen te doden, hoe nuchter militairen daar over kunnen doen. Iemand doden is niet iets wat je zomaar doet om daarna verder te gaan met je leven. Als je doelbewust een ander doodt, gaat er ook bij jou iets kapot — laten we dat medemenselijkheid noemen. Het is niet eenvoudig om dat inlevingsvermogen in de burgermaatschappij terug te vinden of te behouden.
Regels beschermen de ziel van de militair – in het gevecht en daarna
Waarom oorlogen ook moreel en militair moeten worden gewonnen
Ten slotte ben ik ervan overtuigd dat oorlogen ook moreel en humanitair worden gewonnen. Als je de tegenstander met respect behandelt na een gevecht, en de burgerbevolking van een vijandig land met waardering tegemoet treedt, dan levert dat een voordeel op.
Uit de Tweede Wereldoorlog zijn daar verschillende voorbeelden van. Men was verbaasd dat de westelijke geallieerde militairen zich — over het algemeen — correct gedroegen tegenover burgers. Ook Duitse krijgsgevangenen werden op een menswaardige manier behandeld.
Hardvochtig en wreed optreden versterkt bij burgers en militairen van de tegenstander juist het beeld dat zij te maken hebben met een brute vijand die met alle middelen bestreden moet worden – wat de strijd alleen maar verhevigt en onnodig verlengt.
Als we ervan uitgaan dat het goede uiteindelijk het kwade zal overwinnen, dan moeten we ook in ons gedrag laten zien wat dat goede is — en inachtneming van internationale afspraken hoort daarbij.
Hoe belangrijk vinden we regels?
Regels zijn niet altijd leuk. Ze beperken je speelruimte en blokkeren bepaalde keuzes. Je wordt gedwongen binnen de regels te winnen, terwijl je ze soms liever zou willen omzeilen. En als de tegenstander zich niet aan de regels houdt, is de verleiding groot om daarin mee te gaan: blijkbaar gelden er andere regels. Toch zijn regels er niet voor niets: ze bewaken de humaniteit.
Minstens zo belangrijk is dat ze handvatten bieden om na het conflict het gesprek aan te gaan over wat er is gebeurd. Ze geven het kader waarbinnen berouw en verzoening (en vergeving) een plaats kunnen krijgen. Als er geen overstijgende norm is — zoals die in internationale afspraken is geformuleerd — wordt het al snel een heen-en-weer van verwijten.
Als samenleving mogen wij daar ook wat van vinden. Het optreden van de krijgsmacht valt onder politieke verantwoordelijkheid en gebeurt met inzet van mensen en middelen uit de samenleving. Wat mij betreft mag er best een maatschappelijk debat zijn over vragen als: wat willen we bereiken met geweldsgebruik, welke middelen zetten we daarvoor in, en welke regels moeten daarbij worden nageleefd?
Over de auteur
Erik Sengers is theoloog, krijgsmachtaalmoezenier en diaken van het bisdom Haarlem-Amsterdam. Hij promoveerde in de sociologie van religie en in de kerkgeschiedenis en is als hoogleraar Chaplaincy Studies in the Military verbonden aan Tilburg University. In zijn werk reflecteert hij op de rol van zingeving, religie en publieke verantwoordelijkheid, met bijzondere aandacht voor dienstbaarheid en het gemeenschappelijk goede.
[1] Anti-persoonmijnen zijn verboden onder het Ottawa-verdrag; anti-tank/anti-voertuigmijnen niet, maar ze vallen wel onder strenge beperkingen (o.a. CCW/Amended Protocol II
[2] Eind juni/begin juli 2025 kondigden Finland, Polen, Estland, Letland en Litouwen stappen aan om het Ottawa-verdrag te verlaten; Estland, Letland en Litouwen dienden op 27 juni 2025 hun opzegging in (ingang na 6 maanden).
[3] Aanvallen op gemarkeerde medische eenheden en misbruik van het embleem zijn verboden; WHO en ICRC documenteren echter zware schendingen in Oekraïne.