Op dezelfde wijze zal Hij wederkomen
Bij 2 Koningen 2,1-15, Hebreeën 9,24-28 en Lucas 24,49-53
Het lijkt de perfecte analogie: voor Elisa’s ogen wordt Elia door God in een storm hemelwaarts meegenomen. Ten tijde van Jezus wachtten bepaalde stromingen binnen het jodendom op Elia’s wederkomst, zoals uit Matteüs 17,9-12 blijkt. Op de Olijfberg wordt Jezus in het bijzijn van de apostelen in een wolk omhooggeheven en aan hun zicht onttrokken, aldus Handelingen 1,9. Sindsdien wacht de christelijke gemeente op zijn terugkeer, en gelooft: hier is meer dan Elia.
Volgens Flavius Josephus, die in de eerste eeuw na Christus onder andere de geschiedenis van de Joden tot in zijn tijd op schrift stelde, lijkt Elia op Henoch (Antiquitates Judaicae IX, 2,2). Want ook aan diens leven kwam een einde ‘doordat God hem wegnam’ (Genesis 5,24). Henoch leefde ‘in nauwe verbondenheid met God’, en mensen wier leven zo uitsluitend op God gefocust is, worden gehonoreerd met een bijzonder einde van hun aardse bestaan. Zo ook Elia. Hij die in de bijbelse verhalen als solostrijder verschijnt, als ‘de enige profeet van de Heer die nog over’ was ten tijde van koning Achab (1 Koningen 18,22), werd opgehaald door de Eeuwige, hemelwaarts meegenomen.
Onze tekst zelf stelt Elia op één lijn met Mozes. Het water van de Jordaan dat, op het moment dat Elia er met zijn mantel op slaat, naar links en rechts wegvloeit, verwijst naar de Schelfzee die spleet toen Mozes zijn arm erboven hield (Exodus 14,21). En inderdaad werd ook Mozes, wiens vertrouwelijke omgang met God als uniek wordt beschouwd (Deuteronomium 34,10), met een bijzondere dood geëerd. Weliswaar werd hij, anders dan Elia en Henoch, niet direct naar de hemel opgeheven, maar hij was alleen met God op het moment van zijn dood en God zelf zorgde voor zijn begrafenis (Deuteronomium 34,6).
Hemelvaart? Opaardeblijving!
Toch wil de oudtestamentische lezing niet in eerste instantie onderstrepen dat een op bijzondere wijze aan God toegewijd leven beloond wordt door opname in diens onmiddellijke nabijheid. De schrijver gaat ervan uit dat zijn lezers al weten dat Elia ‘in de (het Hebreeuws gebruikt, anders dan veel Nederlandse vertalingen, het bepaald lidwoord) stormwind’ in de hemel werd opgenomen. Veeleer wil de verteller wijzen op de toedracht van deze gebeurtenis, op bepaalde omstandigheden van Elia’s hemelvaart. In de NBG ’51-vertaling kwam dit nog duidelijk uit de verf: ‘En het geschiedde toen de Here Elia in een storm ten hemel zou opnemen dat (…)’ (2 Koningen 2,1).
Naar welke omstandigheden de interesse van de verteller uitgaat, blijkt al gauw uit een eerste, globale lezing: in het gehele verhaal staat Elisa centraal, niet Elia. Hij, Elisa, wordt tot twee keer toe gewezen op het naderende einde van Elia: zowel de profetengroep van Betel als die van Jericho vraagt hem of hij al weet dat God zijn heer ‘van boven zijn hoofd’ zal wegnemen. De formulering ‘van boven uw hoofd’ is niet lukraak of overbodig; ook hier vervaagt de NBV de focus van het verhaal. Want vervolgens zal Elisa zelf het hoofd zijn. Straks gaan de profetengroepen van het bekende heiligdom te Jericho voor hém buigen. Elisa krijgt van Elia het gebruikelijke erfdeel van de oudste zoon, te weten een dubbel deel van de bezittingen van de vader (Deuteronomium 21,17). Door hem ooggetuige te maken van Elia’s verdwijning bevestigt God dat Elisa de erfgenaam is van Elia. Net als zijn profetische ‘vader’ zal Elisa vervolgens de kracht hebben wonderen te verrichten (2 Koningen 2,14 en de volgende hoofdstukken).
Overdracht en opdracht
Wie Elia’s hemelvaart niet meteen typologisch wil lezen, als analogie of voorafschaduwing van Jezus’ hemelvaart, kan bij dit richtpunt van de oudtestamentische lezing verwijlen. God zorgt voor opvolgers. Er valt geen gat na de tijd van Elia – Elisa volgt hem op. Niet als kopie van Elia, niet met dezelfde taken, maar in zijn eigen tijd en met een eigen persoonlijkheid. Op de solostrijder Elia volgt Elisa, die veel vaker dan zijn profetenvader geschetst zal worden met op de achtergrond groepen van profeten bij de grote heiligdommen. Net zoals Israël na de unieke tijd van Mozes niet zonder leider was gebleven: Jozua werd zijn opvolger; een ander type leider met andere taken in een andere tijd.
En na Jezus’ hemelvaart dan? Het duurt nog even: elf dagen moeten zijn volgelingen in Jeruzalem doorbrengen, maar dan zal de belofte van de Vader komen, de kracht uit de hoogte waarmee zij ‘bekleed’ zullen worden (Lucas 24,49). Dezelfde kracht uit de hoogte die in Jezus was, zal hun omgelegd worden als een profetenmantel, en in een nieuwe fase van Gods geschiedenis met de mens krijgen zij hún taak.
Tussen hemelvaart en wederkomst
De brief aan de Hebreeën legt nog een andere link tussen Christus’ hemelvaart en de christelijke gemeente. Thema hierin is niet de opvolging, niet de taak die de achterblijvenden door het weggaan van Jezus ten deel valt. De brief verwijst naar Jezus’ hemelvaart, of beter: Jezus’ zijn en doen na zijn hemelvaart, als troost en aansporing voor zijn gemeente. In de brief wordt ‘hemelvaart’ omschreven als ‘binnengaan in het hemelse heiligdom’, of korter: ‘binnengaan in de hemel’ (Hebreeën 9,24). Waarom Christus binnenging in het hemelse heiligdom? Om voor het aangezicht van God te verschijnen en eens en voor altijd de zonde teniet te doen – ‘voor ons’.
Wie hemelvaart viert, viert dat hij in Christus vrij mag zijn van zonde. Tegelijkertijd heeft hemelvaart volgens Hebreeën een eschatologische dimensie. Het offer van Christus is bij ‘het einde der tijden’ (Hebreeën 9,26) gebracht. Nog één keer is er iets nieuws begonnen, namelijk de tijd waarin de gemeente opnieuw wacht op het verschijnen van Christus, maar dan niet om het zondenprobleem op te lossen. Zij wacht tot haar heil.
Bij 2 Koningen 2:1-15, Hebreeën 9:24-28 en Lucas 24:49-53