Menu

Premium

Op zoek naar een weg

Bij Marcus 10,46-52

What’s the problem with Bartimeüs, zoon van Timeüs? Hij is blind. Dus hij is arbeidsongeschikt en in een primitieve samenleving als het Israël van toen betekent dat: overgeleverd zijn aan de goedgeefsheid van mensen. Bedelen dus. Maar Bartimeüs heeft het geluk, aan de route te zitten van Hem die moet bewijzen dat Hij de Zoon van God is. Bartimeüs weet de aandacht van Jezus te trekken, die hem op miraculeuze wijze het gezichtsvermogen geeft. Bartimeüs kan weer een baan gaan zoeken. De vernederende afhankelijkheid van anderen is voorbij.

Gekheid natuurlijk, en een beetje oneerbiedig ook, om Marcus 10,46-52 zo te parafraseren. Heel verkeerd om het probleem van Bartimeüs zo economisch te fixeren. Verkeerd om de wonderen van Jezus op te vatten als manieren waarop Jezus zichzelf wilde bewijzen. Verkeerd ook om te doen of Jezus’ wonderen een soort loterij waren, of snoepjes her en der gestrooid. En Bartimeüs die weer een baan kan gaan zoeken: ronduit lachwekkend. Alsof je de premier hoort praten.

Dat ik toch meekon

Bartimeüs is niet op zoek naar een baan, maar op zoek naar een weg. Zijn verhaal is niet dat van de individuele mazzelaar die toevallig Jezus trof, maar een model voor alle wegzoekers. Beschouw het maar als een gelijkenis, als een prediking in beelden. Deze prediking is een opsteker voor iedereen die zich in een Bartimeüs­achtige situatie bevindt. Iedereen dus die niet ziet waar hij heen kan en in den blinde tast.

Een hele stoet pelgrims komt voorbij. Zij weten de weg, zij hebben geloof. Bartimeüs hoort ze zingen en praten, maar kan er niet in meekomen. Hebt u wel eens zo in de kerk gezeten? Als iemand die een stoet pelgrims aan zich voorbij hoorde trekken en alleen achterbleef? Niet met het dédain van een vrijzinnige observator, die het geloof van de pelgrims met een minzame glimlach afdoet. Maar met een hartverscheurende pijn: God, dat ik toch meekon! Naar Jeruzalem, waar Gij uw Naam en eer hebt laten wonen bij de mensen.

Nazarener – of Zoon van David?

Er zit een gek contrast in wat we vervolgens lezen. Bartimeüs hoort dat het ‘Jezus, de Nazarener’ is (10,47). Dat is: de Jezus­die­we­allemaal­kennen. De vastgelegde Jezus, of dat nu in historische of dogmatische kennis is. Maar Bartimeüs hoort dat de ‘Zoon van David’ voorbijgaat. En had hij op de zondagsschool niet uit zijn hoofd moeten leren dat Deze ‘hun hulpgeschrei hoort’ (Ps. 72,4 berijmd)? Waar zulke versjes nog eens goed voor zijn! Hij zet een keel op dat het niet medi­tatief meer is. De hele liturgie wordt erdoor verstoord.

De vele pelgrims verraden trouwens door hun berichtgeving heel wat minder hoogchristologisch te zijn dan deze schreeu­wende bedelaar. ‘Jezus van Nazaret’. Weten ze eigenlijk wel met wie ze op stap zijn? Kloppen er in hun harten geen ver­wachtingen van ‘de koning van onze dromen’? Hebben ze eigenlijk wel dromen? Of zijn die niet nodig, aangezien ze al een baan hebben en goddank redelijk gezond van lijf en leden zijn, zodat ze nu op pelgrimage kunnen om God voor de hele mikmak te danken?

Wat een cynisme en gebrek aan hoop spreken er uit hun bestraffing van Bartimeüs. Religie is vaak een waterdicht alibi tegen de naaste. Het probleem blijkt weer eens niet te zitten in het probleemgeval, maar in de vele normale, gezonde, ‘gelovige’ (weer zo’n woord) mensen eromheen. Gatsie, wat een mensen.

Géén object van liefdadigheid

Maar nu moet ik mijn weerzin laten corrigeren door de tekst. Jezus doet iets geniaals. Hij staat stil, maar loopt niet naar Bartimeüs toe en buigt zich dus ook niet als een lieve Goede Herder over dit schaapje heen. Hij staat alleen stil en zegt: Roept hem. Is dat niet wat afstandelijk? Wij, christenen van nu, zijn bijna ongeneeslijk sentimenteel. Men zou eens uit ons geloof het sentimentalisme weg moeten filteren: houd je dan nog wat over? Maar dat is iets voor God. Hoe dan ook, we vinden Jezus wel wat afstandelijk. Maar het is: liefde. En het werkt! O wonder, opeens gaan de ogen van de mensen open. Ze zien daar niet een probleemgeval, een dissonant in hun geloofsvrede, maar Bartimeüs. Moet je horen wat ze dán opeens zeggen: Heb goede moed, sta op (sic!), Hij roept u! Jezus had natuurlijk naar Bartimeüs toe kunnen lopen, ondertussen de kerkmensen terecht verwensend. Maar dit is beter. Dit is liefde. Jezus moet wel de Zoon van God zijn, als je dit zo leest! De hele menigte wordt ziende. En Bartimeüs staat op, zo snel, dat hij zijn versleten identiteitsmantel erbij afgooit. Eenmaal bij Jezus aangekomen, stelt deze hem een nogal overbodig lijkende vraag: Wat hij wil dat Hij doen zal? Ik lees erin, dat Jezus deze man niet tot object van liefdadigheid wil maken. Deze man wordt betrokken in zijn eigen genezing. ‘Uw geloof heeft u gezond gemaakt,’ zegt Jezus dan ook bijna complimenteus.

De kanttekeningen relativeren de gebezigde uitdrukking haastelijk. ‘Niet dat zulks geschied is uit kracht des geloofs, maar omdat hetzelve op Christus en Zijn kracht steunende, een middel daarvan was.’ Je mocht eens denken dat het geloof een verdienstelijk ding was! Ik ben het er dogmatisch met ze eens. Maar toch. Het is alsof Jezus krachten mobiliseert die al in de mensen en in Bartimeüs scholen. De vogel Geest is Jezus natuurlijk vooruitgesneld, dat is het.

Ten slotte het veelzeggende slot. ‘En hij volgde Jezus op de weg.’ Bartimeüs zocht geen baan, maar een weg. Die krijgt hij, en wat voor één! Of hij er gelukkiger van geworden is, valt te betwijfelen. Maar daar gaat het ook niet om.

Bij Marcus 10:46-52

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken