Menu

Premium

Op zoek naar elkaar

Bij Exodus 32,7-14 en Lucas 15,1-32

Bekoring

‘Zoekt en gij zult vinden’ is een vaak misbruikte evangelietekst. Er is echter maar één zoeken aan de orde in de Schrift: het zoeken van God naar de mens. Dat zoeken moet door de mensen die naar zijn beeld zijn geschapen, worden nagespeeld.

Het verhaal uit Exodus 32 vertelt ons over de eeuwige bekoring van de mens om God te gaan modelleren.

Vgl. Th.J.M. Naastepad, Het Gouden Kalf. Exodus 32-34, Kampen zj.

De God die Israël uit Egypte heeft bevrijd, verdient het om afgebeeld te worden als een sterke God die alle andere goden de baas is. Dat gebeurt dan ook. De makers van het gouden kalf willen hun God niet ontrouw zijn, maar willen een beeld maken dat bij hun godsidee past. De ontmoeting met de levende God die ons wil zoeken en met ons wil spreken, is velen te moeilijk. Een pasklaar godsbeeld is bruikbaarder. Het gebod om van God geen beelden te maken (o.a. Exodus 20,4) wil ruimte maken voor de God van Israël die de mens in zijn waarde laat en hem werkelijk wil ontmoeten.

God zoekt mensen

Het evangelie van vandaag vertelt ons over God die op zoek is naar de mens. Hij laat die mens in zijn waarde, Hij overweldigt hem niet. Hij vindt op de meest onverwachte wijze mensen die verloren liepen. De anderen hebben dan de – moeilijke – opdracht om daar blij om te zijn. Op deze zondag worden we met de ‘kleine vondsten’ geconfronteerd; het verhaal van de zoon (Lucas 15,11-32) wordt gelezen op de vierde zondag van de Veertigdagentijd. Vandaag gaat het om een geldstuk dat is zoekgeraakt en een schaap dat de verkeerde kant uit liep. Er gebeuren vreemde dingen. De herder laat terstond negenennegentig schapen in de steek om dat ene eigenwijze beest te gaan zoeken. Geen normale herder zou zoiets doen. Het gedrag van de vrouw is herkenbaarder. Ze keert het hele huis ondersteboven en blijft maar zoeken. Het is ontroerend om te beseffen dat God zelf met deze nerveuze vrouw wordt vergeleken: zo ijverig is Hij op zoek naar mensen.

Twee zonen

Het grote verhaal gaat over een vader en twee zonen. Twee broers vormen een bekend thema in de Schrift, te beginnen bij Kaïn en Abel. In Lucas 15,11-32 vraagt men zich steeds af over wie deze gelijkenis eigenlijk gaat. Het woordenspel is subtiel. Men kondigt de oudste zoon enthousiast aan: ‘Je broer is terug’ (Lucas 15,27). Voor hem is dit echter geen reden tot vreugde. Tegenover zijn vader spreekt hij zelfs over ‘die zoon van u’ (Lucas 15,30)! Maar de vader voelt zich door die afwijzende houding niet bedreigd en zegt zijn oudste zoon waar het om gaat: ‘Verheug je, je broer die dood was is weer levend. Jij was toch al levend, al het mijne was het jouwe. Wees blij dat hij nu van onze gezamenlijke rijkdom mag genieten!’ (Lucas 15,30-31). We horen niets over de reactie van de oudste zoon, maar kunnen wel vermoeden dat de vader pas echt gelukkig kan zijn als ook de oudste zoon dat evangelie als blijde boodschap zal kunnen verstaan en de broeders elkaar in de armen zullen vallen.

Nieuwe ontmoetingen

Er zijn goede tekenen in onze dagen. We leven in een tijd van ontmoetingen alom. Er worden nieuwe relaties opgebouwd. Christenen van oost en west ontmoeten elkaar. Het schisma van 1517 in de westerse christenheid heeft zijn tijd gehad. Nu is de scheiding tussen noord en zuid aan de orde. De ontmoeting tussen joden en christenen komt op gang, tussen aanhangers van de andere wereldgodsdiensten, tussen gelovigen en mensen die ‘ongelovigen’ worden genoemd. Dat kunnen nooit ‘voorgekookte’ ontmoetingen zijn. Emmanuel Levinas zegt het zo: ‘Is degene tot wie men spreekt, reeds van tevoren in zijn zijn begrepen? Geenszins. De ander is niet eerst object van begrip en vervolgens iemand met wie wij spreken. Beide zaken vallen samen. Anders gezegd: het begrijpen van de ander is niet te scheiden van het feit dat men hem aanspreekt.’

En dan spreekt hij over het menselijk gelaat (denk aan Genesis 33,10): ‘De absolute naaktheid van het gelaat, dit absoluut weerloze, onbeklede en ongemaskerde gelaat, is tegelijk dat wat zich teweer stelt tegen mijn macht en gewelddadigheid. De ander doet ons wat, roept ons op tot een andersoortige reactie, roept ons middels een echte ontmoeting tot de orde.’

E. Levinas, Het menselijk gelaat, Utrecht/Bilthoven 1969, 90.95.201.

Een bezorgde God

De mens die die ontmoeting met de ander – en zo met God – aandurft, zal nieuw worden. De mens probeert deze ontmoeting van nature te mijden, loopt liever zomaar ergens naartoe. En dat terwijl de hele Schrift ons zegt dat de zin van ons menselijk leven hierin bestaat: door God gevonden te worden. Het menselijk bestaan is een eeuwige vondst van God, een hemelse trouvaille.

W. Barnard, Lieve gemeente. Een jaargang schriftuitleg, Hilversum/Amsterdam 1962, 193.

Deze God, die de joodse Messias ons nabij brengt, staat niet stil, is geen onbewogen albeweger, maar is bewogen in beweging. Een bewogenheid die door Jezus steeds menselijker voorgeleefd en beschreven wordt, als herderlijk plichtsgevoel, als zorg voor het verloren schaap. Gods bewogenheid wordt als overdreven herderlijke bezorgdheid of als nerveuze vrouwelijke zorg beschreven in de gelijkenis van de vrouw en de penning. Een gelijkenis die ons Hollanders, die immers ‘op de penning zijn’, wel moet aanspreken, maar die toch niet populair is. Misschien omdat de rol van het object dat gevonden wordt – en daar is toch een mens mee bedoeld – zo volkomen passief is. Maar de mooiste manifestatie van Gods bewogenheid is het grote feestmaal dat de Vader wil houden als alle dwalende broers en zusters elkaar gevonden hebben.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken