Menu

Premium

‘Opdat zij één zijn en Onze liefde ook in hen’

Bij Exodus 19,1-11, 1 Johannes 5,9-15 en Johannes 17,14-26

‘De eenheid van de Kerk’ is niet voor niets het hoofdthema in de oecumenische gesprekken tussen kerken. De grondslag hiervoor is te vinden in het gebed van Jezus ‘Opdat zij (allen) één zijn’ (Joh. 17,21-22).

De eenheid waar Jezus voor bidt is niet alleen die tussen de Vader en de Zoon, maar ook die tussen de leden van de gemeenschap zelf. Het punt waarop de eenheid van de gemeenschap aansluit op die van de Vader met de Zoon is de zending door God. De verbindende schakel tussen de gemeenschap van God en de Vader ligt in haar zending door de Zoon, zoals die zelf gezonden is door de Vader (Joh. 17,18).

Daarnaast ligt de eenheid van de gemeenschap in haar kenmerk eigendom te zijn van God. Net zomin als haar zending heeft de gemeenschap dit kenmerk van zichzelf gekregen. Het is doordat God zich het volk heeft verworven dat het zijn eigendom is geworden. Hij heeft het tot zijn eigendom gemaakt: zie 1 Petrus 2,9. Ook deze verzen zijn vaak geciteerd in documenten over de eenheid van de Kerk.

Uitverkoren als een schat

Zij volgen in de Petrusbrief op een citaat uit Exodus 19,6 waarin het volk dat uit Egypte is geleid, is gekomen in de woestijn Sinai, bij de berg met dezelfde naam. Waar echter in 1 Petrus de nadruk ligt op het zich verwerven door God van een volk tot zijn ‘eigendom’ (Gr.: peripoièsis), ligt in het citaat (Ex. 19,5) de nadruk op de uitverkiezing van een volk door God omdat het ‘kostbaar’ (Hebr.: segoellah; Gr.: periousios) is. Er staat een prepositie bij dit woord, zodat het een meerwaarde krijgt boven wat erop volgt en je mag vertalen: ‘kostbaarder dan alle andere volken’. Alleen in Exodus 19,5 (en Deut. 26,18) wordt deze bijzondere waarde van het eigendom van God zó sterk benadrukt. En alleen hier (en misschien in Pr. 2,8) wordt beter zichtbaar dat het Hebreeuwse werkwoord sagal ‘opstapelen’ of ‘ophopen’ betekend, zoals een koning doet met zijn schatten die hij zorgvuldig bewaart. Nu wordt ook begrijpelijker waarom God de generatie die hij zich uitverkiest ‘een koninkrijk van priesters’ noemt en ‘een heilig volk’ (Ex. 19,6). Zij zijn uitverkoren als een schat, een sieraad, als door een koning zich toegeëigend om in zijn huis te bewaren. Deze verzen waarin het volk een ‘uitgezochte’ (Hebr.: bachoer; Gr.: eklektos) generatie, een koninkrijk van priesters en een heilig volk wordt genoemd, zijn geciteerd in de voornoemde brief van Petrus.

De Kerk of/en Israël?

In het laatste grote oecumenische document van de Wereldraad van Kerken[1] staat onomwonden: ‘De Kerk is een ‘uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, Gods eigen volk’’ (1 Petr. 2,9-10). Om recht te doen aan de uitverkiezing door God van zijn volk Israël, zou het niet hebben misstaan om hierbij te vermelden dat het in de Petrusbrief gaat om een citaat uit Exodus. Zo zou daarbij kunnen worden vermeld dat God zich ook ontfermt over het volk dat eens ‘niet zijn volk’ was, maar nu is ‘volk van God’ (1 Petr. 2,10, vgl. Hos. 1,6-9), zonder voorbij te zien aan hen over wie God zich heeft ontfermd sinds Hij in de woestijn Sinaï op de berg daalde in een wolk en met Mozes sprak (Ex. 19,9).

Eenheid van God en Mozes en van het volk

Dat het gehele volk ervan getuige is hoe God met Mozes praat, krijgt in de Exodusperikoop veel aandacht. Net als in Johannes 17 wordt het thema van de eenheid dubbel toegepast. Bij Gods verschijning is alleen Mozes te zien – God gaat schuil in een wolk – en de woorden die zij horen zijn alleen van God die (via Mozes) tot hen spreekt. Dit is de eerste eenheid. De tweede eenheid is die van het volk dat één is, als geheel getuige is van de woorden van God en antwoord geeft. De eenheid van God en Mozes, en die van de gemeenschap sluiten op elkaar aan op het punt waar de gemeenschap niet alleen ‘vertrouwen’ stelt in God, maar ook in Mozes. Vandaar dat God zegt: ‘opdat zij ook voor altijd op jou vertrouwen’ (Ex.19,9). Het uit Egypte geleide volk was al een tijd onderweg zonder dat de Tora gegeven was. Bij Massa en Meriba was flink veel onenigheid geweest. Niet eerder dan dat zij onder elkaar de eenheid hebben gevonden en zij allen ook hun vertrouwen in Mozes hebben gesteld, kan de Heer zijn Tora aan hen geven.

Gave van het Woord, waartoe?

De komst van God in een wolk en de gave van zijn Woord leiden tot eenheid. De eenheid op haar beurt leidt tot vertrouwen. In Johannes 17 bidt Jezus dat de woorden van Hem die door de Vader gezonden is, leiden tot eenheid. En dat de eenheid op haar beurt leidt tot hun vertrouwen: ‘opdat de wereld ‘vertrouwt’ dat Gij Mij hebt gezonden’ (17,21).

Zowel de perikoop uit 1 Johannes 5 als die uit het Johannesevangelie eindigen met liefhebben. Maar als het zo zal zijn dat de wereld zal liefhebben, en niet vergaat in onenigheid, dan zal dat het ultieme resultaat zijn van wat God is begonnen toen Hij zijn volk uitkoos als een geliefkoosde schat. Want zoals God zelf zegt: om een volk te zijn, kostbaarder dan andere volken, heb Ik je uitgekozen, niet omdat je talrijker bent – je bent de geringste van allen – maar omdat de Heer jou liefheeft (Deut.7,6). Mochten zij op hun beurt zijn geboden liefhebben, dan zal Hij over hen waken tot in het duizendste geslacht (Deut 7,9).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken