Opgesteld op de aardbodem: huis van God
Bij Genesis 28,10-22
Ladder
Jakob is gaan liggen en slaapt in. Hij droomt van een ladder waarlangs Gods engelen op- en afgaan. De ladder is zo ‘opgesteld’ (van het Hebreeuwse natsabh = (vast)staan, in deze vorm: opstellen) op het aardland dat die met zijn ‘hoofd’ de hemel raakt. Er staat niet dat die ‘tot in de hemel’ reikte. Dan ineens staat ook de Heer daarbij ‘opgesteld’ (eveneens van het Hebreeuwse natsabh).
‘Waarbij?’ vraag je jezelf af. In de meeste vertalingen wordt het Hebreeuwse ‘alaav vertaald met ‘bij hem’, bij Jakob dus. Dat doet vreemd aan, omdat het eerste deel van het woord, ‘al, een hogere positie aanduidt. De Naardense Bijbel vertaalt daarom met ‘boven hem’ (Genesis 28,13).
De lezing van de Septuaginta wijst op een andere mogelijkheid, namelijk dat de Heer plotseling opgesteld stond ‘op haar’. Dat zou boven aan de ladder kunnen zijn. Maar het kan ook duiden op de plek waar de ladder is opgesteld, namelijk het aardland (Hebr.: ’èrèts = ‘stuk grond’, ‘aardland’, een vrouwelijk woord). Dit is niet zo’n vreemde keuze als je vervolgens leest dat de Heer over dat aardland gaat spreken, en wel precies over dat stukje grond ‘waarop’ (Hebr.: ‘alèha) Jakob is gaan liggen. Hiermee wordt de voor het vervolg nodige verbinding gelegd. Het aardland, waarop zowel een ladder die met zijn hoofd de hemel raakt, als ook de Heer zelf is opgesteld, blijkt in de woorden van de Heer geen ander te zijn dan dat waarop Jakob ligt te slapen!
Het aardland waarop je ligt
Nu deze verbinding is gelegd, gaat de Heer spreken over het aardland waarop Jakob ligt. Eerst zegt Hij tot Jakob dat Hij de Heer is, de God van zijn vader Abraham en van Isaak. Vervolgens zegt Hij Jakob dat Hij het aardland waarop hij ligt, zal geven aan ‘jou en jouw zaad’, waarmee zijn nakomelingen bedoeld zijn (Genesis 28,13). Die nakomelingen zullen zijn als het stof der aarde en Jakob zal zich uitbreiden zeewaarts, oostwaarts, noordwaarts en zuidwaarts (Genesis 28,14). Onwillekeurig moeten we denken aan Abram, die, nadat Lot zijn aardland had gekozen, met dat andere stuk aardland bleef zitten. Ook voor Abram blijkt dat aardland in de woorden van de Heer de plaats te zijn vanwaar zijn nageslacht zich zal uitbreiden in de vier genoemde richtingen (Genesis 13,14-16).
Je vraagt je af waarom God aan Jakob geen beter stuk grond geeft dan dit, dat weinig meer is dan een plek om te overnachten, niet bepaald een plek om thuis te komen. Zelfs de zon heeft een plek om thuis te komen: zij was ‘ingegaan’, niet ‘ondergegaan’ (Genesis 28,11 – vgl. NB). ‘Thuis’ is de plek waar eten en drinken is, waar een goede sfeer heerst, waar je veilig en geborgen bent, waar sjalom is. Het zijn precies die dingen waaraan het Jakob, die het huis van zijn vader heeft verlaten, ontbreekt. Maar, belooft God, Ik zal je niet verlaten! Ik ben met jou, waar je ook gaat. ‘En Ik zal je doen terugkeren naar deze aardbodem’ (Hebr.: ’adamah – Genesis 28,15).
Terugkeer naar de aardbodem
Het hoge woord is eruit. Nu weten we waarom de Heer dit stuk aardland heeft gegeven. Het blijkt een geschenk uit de hemel te zijn. De woorden ‘stof’ en ‘aardbodem’ (Genesis 28,14) verwijzen naar de schepping van de mens (Genesis 2,7). Jakobs ‘terugkeer naar deze aardbodem’ in Genesis 28,15 betekent meer dan een terugkeer naar de plaats die hij had verlaten, nadat zijn vader Isaak hem had gezegend en weggestuurd (Genesis 28,5). Om deze woorden geheel te kunnen doorgronden is het nodig om te lezen dat de mens de aardbodem, zijn place to be, moet verlaten, maar niet zonder Gods belofte om ooit naar ‘de aardbodem waaruit hij is genomen’ te zullen terugkeren (Genesis 3,19). Nergens anders in Tenach komt ‘de terugkeer naar de aardbodem’ voor, behalve hier, in Genesis 28,15, en in 2 Kronieken 6,25, waar wordt gebeden tot de Heer of Hij zijn volk Israël wil doen terugkeren naar de aardbodem ‘die gij aan hen en aan hun vaderen hebt gegeven’. Met de ‘terugkeer naar de aardbodem’ die God aan Jakob belooft, zijn we beland bij een thema uit het eerste en laatste boek van Tenach, dat daarmee heel Tenach omsluit.
Opgesteld tegenover de belofte
Wat Jakob heeft gezien in zijn droom gaat hij, zodra hij wakker is geworden, zelf ook doen. Zoals de ladder op dezelfde plek stond waar de Heer stond opgesteld, op het aardland, gaat hij op de plek waar hij heeft gelegen de kei die een ligsteen voor zijn hoofd was, overeind zetten. Deze ‘opgestelde steen’ (van hetzelfde Hebreeuwse natsabh als in Genesis 28,12-13) kan daarom het best vertaald worden met ‘stelkei’ of ‘standkei’ (NB); anders ziet en hoort de lezer nooit het verband.
Maar hij stelt niet alleen iets tegenover wat hij heeft gezien, ook tegenover wat hij heeft gehoord. Tegenover de belofte van God stelt hij zijn gelofte: ‘Als God met mij zal wezen en mij bewaren zal op deze weg die ik nu ga en mij zal geven brood om te eten en een gewaad om aan te trekken, en ik in vrede zal zijn teruggekeerd naar het huis van mijn vader, – wezen zal de ENE mij tot God! –’ (Genesis 28,20-21 – NB).
Thuiskomen
In de belofte van God is het huis van zijn vader, waarnaar hij zal terugkeren, meer dan het huis van Isaak. Zo ook is het huis van God in de gelofte van Jakob meer dan een stuk grond waarop hij heeft geslapen. Het is de aardbodem waar de mens, stof zijnde, beseft dat zijn schepper zich daar heeft opgesteld om hem te bewaren. Het is de plaats om bij God thuis te komen, in vrede.