Menu

Premium

Oudste, ouderling

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Geloofstaal & cultuurtaal

‘Oudste’ of ‘ouderling’ is een godsdienstige term, die alleen gebruikt wordt in protestantse kring. De rooms-katholieke tegenhanger is de ‘priester’. De ouderlingen vormen een besturend college. (Dit komt overeen met het algemene woord ‘bestuurders’, bijvoorbeeld: stamoudsten). De hedendaagse literatuur (zoals Maarten ‘t Hart) presenteert soms een negatief beeld van ouderlingen als benepen en dominante huichelaars. Sommige jongeren en volwassenen buiten de kerk leven met dit beeld voor ogen.

Woorden

Het Nederlandse woord ‘oudste’ of ‘ouderling’ gaat terug op zaqeen en presbuteros in respectievelijk het Oude en het Nieuwe Testament. De SV en de reformatorische kerken gebruiken voor christelijke leiders het woord ‘ouderlingen’. Dit is in modernere vertalingen geheel losgelaten: steeds wordt ‘oudste’ gebruikt. De GNB omzeilt met ‘leiders’ of ‘bestuurders’ het kiezen voor een protestantse of rooms-katholieke vertaling, maar verengt de betekenis tot het bestuurlijke aspect. Het letterlijke gebruik, ‘oudste’ of ‘oudere’ in leeftijd, bespreken we hier verder niet.

Betekenis in context

Oude Testament

Oudere mannen acht men vanwege hun ervaring en wijsheid het geschiktst om het volk te leiden. Hoewel in enkele gevallen ‘oudste’ letterlijk op rangorde in leeftijd duidt, gaat het meestal om een technisch gebruik van het woord: de functie van leider. Het gebruikelijke meervoud duidt een collegiale regering aan. Al in Exodus 3:16 lezen we dat Mozes tot de oudsten van Israël moet spreken over Gods plan van bevrijding. Zij zijn de leiders en vertegenwoordigers van het volk. Exodus 24 spreekt van ‘zeventig van de oudsten van Israël’ die de verdere oudsten en het hele volk vertegenwoordigen. Met hen -en met Mozes, Aaron, Nadab en Abihu – sluit God een verbond. Zodoende waren zij medeverantwoordelijk voor het houden van de ver-bondsbepalingen door het volk. ‘Toen Mozes deze wet had opgeschreven, gaf hij ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond des Here droegen, en aan al de oudsten van Israël’ (Deut. 31:9, vgl. 27:1, 2). In Numeri 11 legt God een deel van zijn Geest op zeventig mannen die oudsten en opzieners van het volk zijn (vs. 16) en geeft hen zo goddelijk gezag en bekwaamheid om samen met Mozes het volk te regeren. Leeftijd en ervaring zijn daarvoor niet genoeg. Ze worden ook publiekelijk aangesteld. ‘Oudsten en opzieners’ betreffen hier dezelfde groep; het tweede is een nadere omschrijving (GNB: erkende leiders van het volk). Dit gedeelte geeft belangrijke elementen aan van de taak en het ambt van oudsten.

Deuteronomium 21:19 spreekt over ‘oudsten van de stad’ die rechtspreken in de poort en ook anderszins leiding geven en recht en gerechtigheid handhaven.

De oudsten spelen opnieuw een rol bij de roep om een koning (1 Sam. 8), bij de kroning vanDavid (2 Sam. 5:3) en ook gedurende de monarchie (1 Kon. 8:1) – zowel op landelijk als stedelijk niveau. Tijdens de ballingschap had Ezechiël met hen te maken (Ez. 8:1) en ze functioneerden ook na de ballingschap. In Ezra 10:8 en 14 treden ze op samen met de oversten, maar worden wel van hen onderscheiden. De oudsten delen de leiding met bijvoorbeeld Mozes, de richters, de koningen, de rechters en de priesters. Een precieze afgrenzing van taken en functies is moeilijk. Evenzo is een scheiding tussen civiele en geestelijke taken moeilijk; het besturen en geestelijk leiding geven gaan samen.

Nieuwe Testament

Oudsten ten tijde vanJezus

De oudsten participeren in het synagogebe-stuur op locaal niveau (Luc. 7:3), maar figureren vooral als deel van het Sanhedrin of de nationale Raad. Het betreft dan leden van vooraanstaande en machtige families. Het zijn leken, in onderscheid van de wetgeleerden, en ze staan in macht onder de hogepriesters. De eerste drie evangeliën benoemen hun betrokkenheid bij de arrestatie en kruisiging van Jezus. In de lijsten worden ze meestal verbonden met de hogepriesters, maar in volgorde en rangorde na hen. In Matteüs (21:23; 26:3, 47; 27:1) wordt gesproken van ‘oudsten van het volk’ en de auteur benadrukt zo hun representatieve functie voor heel Israël. Johannes schrijft de arrestatie en kruisiging toe aan de overpriesters en Farizeëen (18:3) of aan ‘de Joden’ (19:7-16). Later spelen de oudsten een rol in de vervolging van de apostelen in Jeruzalem, Stefanus en Paulus (Hand. 4; 6:12; 24:1).

Oudsten in de christelijke gemeente; Handelingen

Veel van de organisatie van de gemeente is afgeleid van de synagoge, vandaar dat we nietlezen over een instelling van oudsten. In 11:30 worden zij genoemd als de leiders en vertegenwoordigers van de gemeente in Jeruzalem genoemd aan wie noodhulp wordt gezonden. Een discussie over de richtlijnen voor heidenchristenen wordt aan hen voorgelegd en zij nemen met de apostelen de beslissing, die vervolgens per brief wordt overgebracht (15:22, 23; 16:4). Na het wegvallen van de apostelen hebben zij samen met Jakobus de leiding (21:18) als Paulus en zijn medewerkers zich presenteren in Jeruzalem.

Ook in heiden-christelijke gemeenten functioneren oudsten. Over Paulus en Barnabas tijdens de eerste zendingsreis zegt 14:23: ‘En nadat zij voor hen in elke gemeente oudsten hadden aangewezen, droegen zij hen onder bidden en vasten de Here op…’. De oudsten zijn een belangrijk onderdeel van de gemeenteorganisatie.

Later in Efeze spreekt Paulus tot ‘de oudsten der gemeente’ (20:17): ‘Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden… ‘ (vs. 28). De oudsten zijn dezelfden als de opzieners (episkopoi) en hebben pastorale, herderlijke, taken: het weiden, leiden en beschermen van de gemeente, onder andere tegen dwaalleer (vss.29, 30).

Brieven

De oudsten moeten over de gemeente toezicht houden. Zelf moeten ze de gemeente voorgaan door hun goede voorbeeld in alle onderdelen van hun leven. Er worden hoge eisen gesteld (1 Tim. 3:2-7 en Tit. 1:5-7). In Titus worden opnieuw oudsten en opzieners gelijkgesteld. Dit is belangrijk, omdat in de tweede eeuw deze twee functies gescheiden werden en de episkopos boven de oudsten kwam te staan. Kerken die dit model voorstaan, zoals de rooms-katholieke en de episcopale kerk, vertalen episkopos met ‘bisschop’. Dit kan echter verwarrend werken, omdat het een later model indraagt in de bijbeltekst. Ditzelfde probleem doet zich voor met de vertaling ‘ouderling’. De ambtspraktijk van de verschillende kerken wil voortbouwen op die in het Nieuwe Testament, maar is daarmee niet identiek.

Titus moet in opdracht van de apostel in alle steden oudsten aanstellen die ‘onberispelijk zijn als beheerder van het huis van God’, ‘zich houdende aan het betrouwbare woord naar de leer’, zodat zij ook in staat zijn te vermanen’ (vs. 9), tucht uit te oefenen en valse leer te weerleggen.

‘De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht’ (1 Tim. 5:17). Niet alle, maar sommige oudsten houden zich speciaal bezig met leren en preken. Hoewel de predikant-voorganger als zodanig niet voorkomt in het Nieuwe Testament, komt dit er dicht bij, zie ook het slot van Efe-ziërs 4:11 dat spreekt van ‘herders/leraars’. Maar voorzichtigheid is geboden, denkend aan het boven gestelde over ambtspraktijk. Andere omschrijvingen voor hen die leiding geven en hun functies vinden we in Romeinen 12: 6-8, 1 Korintiërs 12:28 en 1 Tessaloni-cenzen 5:12. God heeft sommigen in de gemeente aangesteld om te besturen. Dit regeerambt is – net als de andere ambten -bedoeld om aan de gemeente eenheid en opbouw te geven en het juiste gebruik van de geestelijke gaven van de gemeenteleden te stimuleren (Ef. 4). Het ambt zelf kan ook niet functioneren zonder charisma, dat is: geestelijke gave(n) voor de ambtelijke taken.

Petrus als medeoudste vermaant de oudsten om de kudde van God te hoeden, zonder heerschappij te voeren, dat is: overheersen, maar door voorbeelden te zijn. Het is, let wel, de kudde van God en de Opperherder, Christus,zal spoedig verschijnen (1 Petr. 5:1-4). Het is de Goede Herder die door de oudsten heen de gemeente voedt en bewaart.

Oudsten in de hemel

Sprekend over de troon van God in de hemel zegt Openbaring 4:4: ‘En rondom de troon waren vierentwintig tronen, en op die tronen waren vierentwintig oudsten gezeten, in witte klederen gekleed en met gouden kronen op hun hoofden.’ Zij regeren met God en werpen herhaaldelijk zichzelf en hun kronen neer om te aanbidden. In 5:5 en 7:13 spreekt een van de oudsten met Johannes. Onder andere op grond van 21:12-14 is aan twaalf vertegenwoordigers van respectievelijk de gemeente uit Israël en de heidenen te denken, de verheerlijkte kerk van het Oude en het Nieuwe Testament. Anderen denken aan engelen, maar bijvoorbeeld 7:11 onderscheidt hen hiervan. Hun representatieve en regerende functie betreft in elk geval een overeenkomst met de oudsten in de gemeente op aarde. Maakt deze hemelse symboliek zichtbaar dat de oudsten die de gemeente Gods regeren, de gemeente dienen voor te gaan in aanbidding? Gezien de omstreden uitleg is de toepassing wat onzeker.

Kern

De oudsten vormen een groep of college dat samen met een of meer andere ambtsdragers leiding geeft. Zij besturen en dragen zorg voor het gehoorzamen van Gods geboden. Ze vertegenwoordigen het volk bij God en God bij het volk. Behalve voor het bestuur dragen ze ook zorg voor de leer en de herderlijke zorg van het volk van God.

Noch het Oude, noch het Nieuwe Testament biedt een uitgewerkt model van kerkorganisatie. Er is openheid en ontwikkeling in de precieze invulling, maar continu teit in de grondlijnen.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: dienen, overheid, herder, apostel.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken