Paulus en de Korintiërs
Openbaringen en visioenen als legitimatie van goddelijk gezag
Paulus had een nogal emotionele relatie met de gemeente van Korinthe. Deze groep volgelingen van Jezus zag in hem de messias en was er met Paulus van overtuigd dat de komst van de messias een nieuwe tijd had ingeluid. Het was volgens hen het begin van het einde en anders dan nu was dat voor deze mensen geen negatieve boodschap. Sterker nog: door de komst van de messias zou God nu definitief de dingen op aarde naar zijn hand zetten. De volgelingen van Jezus in Korinte, bijeengebracht door Paulus aan het begin van de jaren 50 van de eerste eeuw, moeten een charismatische gemeenschap gevormd hebben. De Geest leefde onder hen en in hen, daar waren zij van overtuigd. De vrijheid van de goede boodschap, het evangelie van de komst van de messias, bevrijdde hen tot een leven in blijdschap. Niets leek te gek, alles kon.
Alleen leidde deze uitbundige, charismatische beleving van het evangelie hier en daar tot heikele situaties. Wat doe je als de leden van deze gemeenschap het met elkaar niet eens kunnen worden over de juiste wandel? Ja, precies: dan richt je je tot degene die dit evangelie gebracht heeft. Paulus dus.
In de bijbel hebben we twee brieven van Paulus aan de Korintiërs, maar het is duidelijk dat de volledige correspondentie uitgebreider moet zijn geweest. In 1 Korintiërs reageert Paulus op berichten die hem mondeling zijn overgebracht door een gezantschap van ‘huisgenoten’ van ene Chloë. Chloë moet een invloedrijke en vooraanstaande vrouw geweest zijn in de gemeente van Korinte. Helaas weten we verder niets van haar, behalve dat zij klaarblijkelijk in staat was mensen (slaven?) uit haar huis naar Paulus te sturen. Die laatsten deden twee dingen. In de eerste plaats berichtten ze hem mondeling over de zaken waarop hij in 1 Korintiërs 1-6 ingaat. In de tweede plaats brachten ze hem een brief, waarop hij in 7:1 begint te reageren. De rest van 1 Korintiërs lijkt antwoord te geven op zaken uit die brief, die ons helaas niet is overgeleverd.
Paulus reageert op wat hem bericht is vanuit de gemeente van Korinte. En in dat reageren heeft hij er alle belang bij zijn gezag stevig neer te zetten
In 2 Korintiërs spreekt Paulus over een brief die hij in tranen geschreven heeft, bekend als de zogenaamde ‘tranenbrief’ (2 Korintiërs 2:4). Omdat de overgang tussen 2 Korintiërs 9 en het daaropvolgende gedeelte nogal abrupt is, worden de hoofdstukken 10-13 vaak geïdentificeerd als deze tranenbrief. Daarmee zou 2 Korintiërs dus een samenvoeging zijn van tenminste twee door Paulus verzonden brieven. Dat brengt veel exegeten er dan weer toe om te speculeren over de beide canonieke brieven als compilaties. Een vrij recente analyse van de Korintische correspondentie concludeert zelfs dat deze twee brieven opgebouwd zijn uit maar liefst acht korte, afzonderlijk door Paulus verzonden brieven (Mitchell 2017; Hughes & Jewett 2021; voor een generiek overzicht zie Kurek 2024).
Hoe dat ook zij: Paulus reageert dus op wat hem bericht is vanuit de gemeente van Korinte. En in dat reageren heeft hij er alle belang bij zijn gezag stevig neer te zetten.
De openbaring van de messias Jezus
De taal van ‘openbaringen’ veronderstelt dat er een geheime, onzichtbare dimensie in het leven is of in de wereld, waarvan de aard slechts aan een kring van ingewijden wordt bekend gemaakt. Kennis van die openbaringen levert dan dus ook een soort gezag op dat buitenstaanders ontberen. Dit is een geschenk van godswege, zoals Paulus het uitdrukt in 1:4:
‘Ik dank mijn God altijd voor u, omdat Hij u in Christus Jezus zijn genade heeft geschonken’ (NBV21).
Hij vervolgt door aan te geven dat door dit geschenk, deze ‘genade’, de volgelingen van Jezus leven in de Geest, want:
‘hierdoor ontbreekt het u aan geen enkele gave van de Geest terwijl u wacht op de verschijning van onze Heer Jezus Christus.’
Het is interessant om te zien dat hier een lastige vertaalkwestie ligt. De geciteerde versie van de NBV21 wijkt af van de oorspronkelijke NBV04. Die luidt: ‘terwijl u op de komst van onze Heer Jezus Christus wacht.’ De NBG1951 en de Willibrordvertaling volgen hier de traditionele en letterlijke versie van de Statenvertaling: de ‘openbaring van onze Heer(e) Jezus Christus.’ En de Bijbel in Gewone Taal omschrijft de door Paulus gebruikte uitdrukking met ‘nu wachten jullie op zijn terugkeer uit de hemel.’ Het woord dat Paulus hier gebruikt, apokalypsis, betekent zoveel als ‘onthulling’. Daarmee is een ‘openbaring’ dus het tonen van een geheim dat tot dan toe verhuld was.
Voor Paulus is de komst van Jezus als de messias dus de onthulling van zijn status als door God gezonden gezant. Hij is als zodanig ‘onthuld’ door zijn leven, sterven en opstanding. Dat heeft hem de status van ‘hemelse Heer’ bezorgd en die status zal aan het einde der tijden ‘onthuld’ worden bij de wederkomst, aldus Paulus. (De notie dat datgene wat ‘nu’ verborgen is bij het oordeel onthuld zal worden, ‘aan het licht zal komen’, herhaalt Paulus in 3:13). De volgelingen van deze Jezus zijn dus ingewijden die het mysterie van de messias kennen. Precies deze wijze van denken komt expliciet tot uitdrukking in 2:10. Daar spreekt Paulus over een geheim dat geen mens kan bedenken of zien (2:9) en stelt: ‘Aan ons heeft God dit geopenbaard, door de Geest (…).’
Het is niet voor niets dat Paulus deze esoterische taal gebruikt bij het begin van 1 Korintiërs. Vanuit een retorisch perspectief is dit heel slim. Paulus benadrukt hierdoor en passant dat hij en de Korintiërs tot dezelfde uitverkoren groep van ingewijden behoren, waarmee hij ook automatisch zijn gezag ten opzichte van die Korintiërs benadrukt: hij is immers degene die hen ingewijd heeft in deze geheimen!
In hoofdstuk 14 bespreekt Paulus het ‘spreken in tongen’, vertaald in de NBV21 als spreken in ‘klanktaal’. Hij stelt zichzelf ten voorbeeld aan de gemeente en schrijft:
‘welk nut zou ik voor u hebben als ik bij u in klanktaal zou spreken en me niet tegelijkertijd tot u zou richten met een openbaring, met kennis, met een profetie of met onderricht?’
Het lijkt erop dat het ‘spreken in klanktaal’ voor de Korintiërs een belangrijk element van de religieuze extase was die zij beleefden. Alleen maakt Paulus duidelijk dat een dergelijk spreken voor mensen onverstaanbaar is (14:2). Hij keurt het met de geciteerde opmerking in vers 6 niet af, maar maakt het tot één van een scala van mogelijkheden. De andere, volgens hem meer opbouwende opties zijn het delen van een openbaring, het spreken met kennis, een profetie of onderricht. De ruimte ontbreekt hier om gedetailleerd in te gaan op deze vier categorieën en de verschillen te analyseren. Er lijkt ook enige overlap tussen de genoemde uitingen te bestaan. Een ‘openbaring’ zal het doorgeven zijn van een door God geschonken inzicht, maar dat komt natuurlijk heel dicht in de buurt van ‘kennis’, ‘profetie’ en ‘onderricht’.
In 14:26 herhaalt Paulus de aangehaalde instructie in aangepaste vorm. Hier noemt hij de uitingen die in samenkomsten van de gemeente een plek dienen te krijgen: ‘een lied, een vorm van onderricht, een openbaring, een uiting in klanktaal of de uitleg daarvan.’ In de uitwerking van deze instructie legt Paulus uit dat er maar twee of drie tegelijk in klanktaal mogen spreken en twee of drie mogen profeteren. De term ‘profeteren’ lijkt hier dus een samenvatting van het eerdergenoemde onderricht en een openbaring.
In alle besproken passages van 1 Korintiërs komt tot uitdrukking dat God rechtstreeks spreekt tot de volgelingen van de messias Jezus, via de Geest. Hij onthult daardoor een verborgen dimensie van de werkelijkheid aan hen, aldus Paulus, en het onthullen van die dimensie dient zelfs een plek te krijgen in de bijeenkomsten van de gemeente. Het beeld dat hieruit oprijst, is dat van een esoterische, charismatische gemeenschap, waarin het delen van de mysteriën van God een belangrijke factor is.
Dat deelhebben aan die mysteriën ook de basis is voor een gezaghebbende positie is wat Paulus retorisch uitwerkt in 2 Korintiërs 12. Maar voordat we de blik daarheen wenden, is het goed eerst even uit te zoomen en deze ideeën over openbaringen en mysteriën in een bredere context te plaatsen.
Apocalyptiek en de geheimen van de wereld
Het is gebruikelijk om Paulus te situeren in de wereld van de joodse apocalyptiek. Nu is het de vraag wat die typering dan precies inhoudt. Apocalyptiek is primair een literair genre van geschriften waarin visioenen, dromen en beelden een belangrijk instrument zijn om een verborgen werkelijkheid door te geven aan de hoofdpersoon van de beschrijving. De meeste apocalypsen beschrijven hoe steeds weer zo’n hoofdpersoon ‘openbaringen’ ontvangt die dan ontcijferd moeten worden. Meestal nemen dergelijke ‘openbaringen’ inderdaad de vorm aan van bijvoorbeeld visioenen, visionaire ervaringen.
Symboliek is daarbij van groot belang en dikwijls is er een engel aanwezig in de setting die aan de hoofdpersoon uitleg geeft van de ervaren openbaringen. De beschrijving van dit proces van ontvangen en interpreteren van openbaringen leidt dan tot een tekstuele versie die voorgelezen werd. Dat voorlezen werd, door de aard van het voorgelezene, vervolgens tot een soort mystagogiek: de lezers werden en worden meegenomen in het proces van kennisgeving van goddelijke geheimen aan de ziener die de hoofdpersoon vormt van de apocalypse. En daardoor krijgen de toehoorders van de tekst dezelfde kennis. Zij worden aldus tot ingewijden en daarmee ontstaat door de lectuur van de tekst een esoterische gemeenschap.
De literaire apocalypsen die ons, in tal van talen, zijn overgeleverd uit het vroege jodendom en vroege christendom roepen de vraag op: wat voor groeperingen maakten gebruik van dit genre? Zonder te lang op die vraag door te kunnen gaan, is het goed twee kenmerken voor het voetlicht te brengen. Allereerst zijn de apocalypsen in kwestie vaak, hoewel niet steeds, doorspekt van im- en expliciete verwijzingen naar teksten uit de joodse Bijbel. Dit veronderstelt dat de auteurs die teksten zodanig goed kenden, dat zij er klakkeloos in hun compositie van een apocalypse naar konden verwijzen. Hoogstwaarschijnlijk mogen we aannemen dat dit teruggaat op de memorisatie van gezaghebbende geschriften en niet op het citeren uit geschreven bronnen. Apocalypsen werden dus geschreven door geleerde auteurs die zichzelf en hun vertellingen plaatsten in de traditie van de literatuur van het oude Israël.
Het is dus een door Paulus als openbaring geïnterpreteerd visioen geweest dat hem tot gezant van Jezus Christus gemaakt heeft
Een tweede kenmerk van apocalypsen is het belang van visioenen en dromen, van beelden. Het is vrijwel ondenkbaar dat dit genre zo belangrijk werd in apocalyptische geschriften wanneer visioenen en visionaire ervaringen in de leefwereld van de schrijvers en hoorders ervan geen enkele rol speelden. We mogen daarom aannemen dat in kringen waarin men apocalyptisch materiaal voortbracht en gebruikte men ook actief visionaire ervaringen opwekte en ervoer. De instructies voor het vasten en voor de consumptie van bepaalde kruiden in een aantal van onze teksten vormen een extra indicatie hiervoor.
Als dit daadwerkelijk een belangrijke factor was in de leefwereld van de apostel Paulus, mogen we aannemen dat visionaire ervaringen ook voor hem een belangrijke kwestie in zijn leven vormden. De grote omwenteling in zijn leven had plaats op een manier waarover hij zelf hoofdzakelijk zwijgt, maar de ene verwijzing daarnaar in 1 Korintiërs spreekt boekdelen: ‘Ben ik niet vrij? Ben ik geen apostel? Heb ik niet Jezus onze Heer gezien?’ (9:1). Het ‘zien’ van Jezus is voor Paulus de samenvatting bij uitstek van zijn roepingservaring en daarmee kunnen we veilig concluderen dat een visionaire ervaring voor hem ten grondslag lag aan zijn optreden. Dat hij die ervaring in Galaten 1:15 duidt als het ‘openbaren’ van de Zoon van God in hem spreekt boekdelen. Het is dus een door Paulus als openbaring geïnterpreteerd visioen geweest dat hem tot gezant van Jezus Christus gemaakt heeft.
De hemelreis van Paulus
In 2 Korintiërs 12 maakt Paulus gebruik van een retorische ingreep. Hij prijst in deze hoofdstukken (10-13) zichzelf aan op een manier die hij presenteert als het werk van een nar, een dwaas. Alleen een dwaas zou zichzelf zo de lucht in steken. En dan, ineens, volgt het verslag van een mystieke ervaring. Iemand, ‘een volgeling van Christus’, is veertien jaar eerder tot in de derde hemel gekomen en heeft daar geheimen gezien en gehoord die niet in woorden te vangen zijn. Hij beschrijft die anonieme hemelreiziger in de derde persoon enkelvoud, maar als vroeg in de uitleggingsgeschiedenis van deze passage zijn exegeten ervan overtuigd dat Paulus zelf het subject van de beschreven ervaring was.
In de beschrijving van de ‘hemelreis’ wordt duidelijk dat deze ervaring een soort altered state of consciousness (ASC) moet zijn geweest. Paulus weet niet meer of deze ervaring in of buiten het lichaam plaats had en dat is een typisch kenmerk voor een dergelijke ASC. De pointe van Paulus’ verwijzing naar deze ervaring is uiteraard zijn nabijheid tot de hemelse Heer Jezus Christus tijdens deze trip. En daarmee raken we aan de kern van zijn betoog. Door indirect duidelijk te maken dat hij een dergelijke mystieke ervaring beleefd heeft claimt Paulus het gezag dat in de discussie met de Korintiërs die hij uitvecht in 2 Korintiërs 10-13 betwist werd.
Paulus’ hemelreis wijst dus uit dat hij wel degelijk een zeer korte lijn had met de hemelse mysteriën die hij als apostel doorgaf. Paulus’ gezag is dus gegrondvest, zo wil hij duidelijk maken, in de direct roeping van godswege en de directe ervaring van de Geest (Lietaert Peerbolte 2010).
Met de beschrijving van deze ervaring plaatst Paulus zichzelf in de traditie van de joodse apocalyptiek. Tal van vroeg-joodse geschriften bevatten vergelijkbare motieven, zoals 1, 2 en 3 Henoch, 2 Baruch en 4 Ezra (zie Himmelfarb 1993). Ook in pagane hellenistische geschriften komen beschrijvingen voor die doen denken aan een ASC. Een mooi voorbeeld hiervan is het hermetische tractaat Poimandres (Lietaert Peerbolte 1974). Interessant genoeg lijken genoemde teksten afkomstig uit kringen van geleerde mystici en dat zegt dan ook direct iets over waar we Paulus moeten situeren (zie bijv. Segal 1990).
Dat Paulus’ in de brieven aan de Korintiërs het instrument van visioenen en zelfs van een hemelreis benadrukt als vast onderdeel van zijn discours bewijst, in combinatie met de instructies uit 1 Korintiërs 14, dat het geloof dat Paulus met hen deelde geen louter cognitieve aangelegenheid was. Het gaat hier om een geleefd geloof dat hand in hand ging met een spirituele extase. Vermoedelijk komen de voorgangers in charismatische en pentecostale kringen het meest in de buurt van de wijze waarop Paulus en de zijnen hun geloof beleefden.
Bert Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Enkele titels
- Himmelfarb, Martha, Ascent to Heaven in Jewish and Christian Apocalypses (Oxford: Oxford University Press, 1993).
- Hughes, Frank W., Robert Jewett, The Corinthian Correspondence: Redaction, Rhetoric, and History (Lanham, etc: Lexingon/Fortress, 2021).
- Kurek, Dominica, ‘VII. Paul, Corinthian Correspondence’, in: David C. Hunter, Paul J.J. van Geest, Bert Jan Lietaert Peerbolte, Brill Encyclopedia of Early Christianity (Leiden, etc: Brill, 2024), deel 5, 195-213.
- Lietaert Peerbolte, Bert Jan, “Paul’s Rapture: 2 Corinthians 12:2-4 and the Language of the Mystics”, in: Experientia 1: Inquiry into Religious Experience in Early Judaism and Early Christianity, ed. Frances Flannery, Colleen Shantz, Rodney A. Werline (Symposium 40; Atlanta: Society of Biblical Literature, 2008), 159-176.
- Lietaert Peerbolte, Bert Jan, Paulus en de rest: van farizeeër tot profeet van Jezus (Zoetermeer: Meinema, 2010), spec. 159-170.
- Lietaert Peerbolte, Maarten, Poimandres: Grieks-hermetisch geschrift in het Nederlands vertaald met een transpersonalistische beschouwing (Occident; Deventer: Ankh Hermes, 1974).
- Mitchell, Margaret, Paul and the Emergence of Christian Textuality: Early Christian Literary Culture in Context, Collected Essays volume 1 (WUNT 393; Tübingen: Mohr Siebeck, 2017), in het bijzonder 133-160.
- Segal, Alan F., Paul the Convert: The Apostolate and Apostacy of Saul the Pharisee (New Haven, CT; Yale University Press, 1990).